Drie interviews uit Vrij Nederland


Onderstaande interviews van Loek Meijer zijn in 1968 respectievelijk 1969 in Vrij Nederland verschenen.

Interview met Henk van Schaik (VN jaargang 29, aflevering 15, 7 december 1968)


'Mijn vrije tijd wordt bijna geheel in beslag genomen door werkzaamheden die te maken hebben met organisaties die belangen van blinden behartigen. Ik ben secretaris van de Ned. R.K. Blindenbond, voorzitter van afdeling Leiden en omstreken van diezelfde bond en bestuurslid van de Professor Weve-stichting.'

Dit is de heer H. van Schaik, die buiten zijn vrije tijd telefonist bij een overheidsbedrijf is. Voordat hij die baan op 1 febr. 1953 kreeg had hij in drie jaar tijds zo'n zeventig sollicitatiebrieven verstuurd.

'In 1929 ben ik in Boskoop geboren. Zes weken na mijn geboorte werd ik blind. Voor ik zeven werd, ben ik verscheidene keren in Leiden geopereerd, met als resultaat dat ik 11 jaar heb kunnen zien. Zittend op een bankje vlak voor het schoolbord, in het bezit van drie brillen, heb ik lager en voortgezet lager onderwijs gehad. In die tijd stond ik al apart. Nergens kon ik aan meedoen; niet aan het zangkoor, niet aan de verkennerij, niet aan de gymnastiek. Buiten de schooluren bracht ik mijn tijd door met leren en rommelen op het land. Toen ik zeventien was verloor ik het gezichtsvermogen vrijwel geheel. Ik moest naar een blindeninstituut om braille te leren en een vakopleiding te krijgen. Het werd 'St.-Henricus' in Grave. Het was voor mij, als buitenjongen, erg moeilijk om mij te schikken in de regels, die op het instituut gehanteerd werden. Ik verveelde mij er erg vaak; vooral op zondag.
Het grootste deel van de dag moest ik eerst manden en later borstels maken. Tussendoor kreeg ik les in brailleschrift, machineschrijven en vakken voor het middenstandsdiploma. Als liefhebberij deed ik wat aan vreemde talen. Toen ik eenentwintig was ging ik terug naar Boskoop. Daar waren twee redenen voor: de gemeente wilde niet langer de kosten van het internaat betalen en ik wilde graag weer 'het vrije leven' in. Maar dat vrije leven viel wel erg tegen. Er zat niets anders voor mij op dan als mandenmaker bij een werkgever te gaan werken. Wat ik op het instituut had geleerd was uitsluitend bedoeld geweest als een manier om de dag door te komen. Daardoor had ik geen tempo en ook de soort manden die ik bij mijn werkgever moest maken, verschilde van die welke ik had geleerd. Maar goed, de plaatselijke sociale dienst betaalde mij uit zolang ik maar in het schuurtje zat te vlechten. Ook in de drie jaar dat ik in Boskoop manden maakte, had ik weinig contact met mijn omgeving. Iedereen vond die man met zijn witte stok zielig en daarmee was de kous af.'

'In 1952 ben ik in aanraking gekomen met de blindenbond. In die tijd werden er nog propaganda-acties gevoerd. De eerste vergadering die ik meemaakte viel erg tegen, maar toch ben ik blijven hangen en al gauw groeide mijn sympathie. In datzelfde jaar werd door de blindenbond een reis naar Lourdes georganiseerd. Door die reis heb ik mijn vrouw leren kennen die als geleidster (uit Den Haag) bij het reisgezelschap was aangesloten.

Kamer zoeken


'Drie jaar lang heb ik gesolliciteerd naar een telefonistenbaan, op advies van twee gewestelijke arbeidsbureaus. Toen ik eindelijk in dienst kon treden bij een overheidsbedrijf in Amsterdam, kwam het probleem van kamers zoeken. Het bedrijf had gezorgd voor een 'kosthuis met huiselijk verkeer'. Het kamertje dat ik had was net groot genoeg om het allernoodzakelijkste in op te bergen. Mijn boeken moesten in de gemeenschappelijke huiskamer staan. In die kamer zaten de andere bewoners doorgaans te kaarten, tot half tien. Op dat tijdstip werd de kamer afgesloten. Merkte ik te laat, dat ik aan een nieuw boek toe was, dan kon ik er niet meer in en was mijn avond verder naar de maan. Naar de radio luisteren was er niet bij. Daaraan kwam ik pas toe op mijn tweede kamer. Ook die was niet groot, maar een radio kon erin en ook de boeken konden erin worden opgeslagen. De maaltijden kreeg ik op mijn kamer opgediend. Voordat ik eind 1955 trouwde, heb ik nog een derde kamer moeten zoeken. Het was een Hemelvaartsdag. Mijn aanstaande vrouw en ik gingen 's morgens met dertien adressen op pad. Ieder had zijn eigen bezwaren. De ene vond het te gevaarlijk als ik rookte; de ander zag de trappen als een onoverkomelijk bezwaar. Twaalf hadden wij er uiteindelijk gehad; de dertiende moest lukken. De enige oplossing leek ons: voorwenden te kunnen zien. Het heeft ons veel inspanning gekost, maar het is gelukt! Ik ben niet uit mijn rol gevallen. Pas na enige dagen is de verhuurder te weten gekomen dat ik blind was en toen kon hij geen bezwaren meer maken.'

Dat is, in het kort, het leven van de heer Van Schaik. Wat verder volgt zijn korte grepen uit zijn dagelijks leven.

Verkeer


'Het verkeer vind ik iets verschrikkelijks; het beangstigt mij. Alleen kan ik er mijn weg niet vinden. Ik durf mij ook niet aan een hond toe te vertrouwen. De herrie van het verkeer hindert mij in mijn oriëntatie. Ik ben daardoor wel erg aangewezen op hulp van anderen. Door een collega word ik 's morgens opgehaald en 's avonds thuisgebracht en als ik eens alleen met tram of trein mee moet, dan ben ik afhankelijk van de eerste de beste die op mijn verzoek om te helpen reageert. Zo kom je mensen tegen die je alleen uit laten stappen en mensen die je zo'n beetje eruit tillen!'

Nieuws


'Ik lees erg veel, zowel gebrailleerde als gesproken boeken. Verder ben ik geabonneerd op een aantal gesproken periodieken. Met behulp daarvan en de aktualiteitenprogramma's van de radio probeer ik op de hoogte te blijven van wat gebeurt. Hinderlijk is wel, dat je altijd maar een kleine keus uit de nieuwtjes krijgt en dat de achtergrondinformatie soms niet helemaal duidelijk overkomt, omdat je te weinig feiten kent. Volgens mij zal in de nieuwsvoorziening voor blinden wel verbetering gaan komen als de nieuwe brailledrukpers ten volle wordt gebruikt. Het zou een enorme vooruitgang betekenen als wij om de dag een nieuwsblad in de bus zouden krijgen. Ook minder spectaculaire verbeteringen in de ontwikkelingsmogelijkheid zijn denkbaar. Ik denk bijvoorbeeld aan lezingen van de Amsterdamse Volksuniversiteit, die op het ogenblik bijna allemaal met dia's of films worden gehouden, maar die best zonder die hulpmiddelen duidelijk kunnen worden gemaakt. De Volksuniversiteit zou lezingen moeten gaan organiseren voor deels zienden, deels blinden. Dat zou ook het contact tussen beide groepen gemakkelijker kunnen maken.'

Ergernis


'Ergeren doe ik mij aan heel veel dingen. Neem nou eens dit: Er was een nieuwe ambtenaar aangenomen. Zoals gebruikelijk werd hij aan ieder van zijn afdeling voorgesteld; aan meneer A. en meneer B., aan mejuffrouw C. en aan 'onze Henk'. Ik voelde mij enorm genomen. Ik ben dus naar mijn chef toegegaan en heb hem eens aan zijn verstand gebracht dat ik van zulke geintjes niet gediend was; dat hij niet de indruk hoefde te wekken dat ik bij zijn gratie door het bedrijf werd onderhouden. Hij heeft er gelukkig van geleerd. Op het ogenblik werk ik samen met vijf meisjes. Zij vermeden aanvankelijk angstvallig het woord 'zien' en het noemen van kleuren. Zij vertelden elkaar niet over jurken die zij gekocht hadden, en zelfs was het zielig voor Van Schaik om te zeggen: 'Kijk, daar komt weer een boot binnenvaren.'

Het klinkt misschien wat verbitterd; toch is Van Schaik helemaal niet de sombere man die het zo moeilijk heeft. Hij kan hartelijk lachen om de wijze waarop zienden vaak met blinden omspringen. Hij zou het hen graag kwalijk nemen, maar hij weet dat zij bevooroordeeld zijn door gevoelens van medelijden en door gebrek aan fantasie.

Onderwerp


'Je kunt geen tram of bus instappen, of er wordt gezegd 'gaat u hier maar zitten'. In het begin heb ik het nog al eens halsstarrig geweigerd, maar ik schoot er niets mee op. Meteen gaan zitten blijkt de beste manier te zijn om van het gezeur af te komen. Iedereen kent jou en jij kent niemand.
Als ik, nadat ik uit de tram ben gestapt, op de vluchtheuvel sta te wachten op mijn vrouw, die mij komt afhalen, dan zegt de ene 'Wacht u maar, meneertje, ze zal wel komen', en de andere 'nog even, ze komt er al aan'. Dan moet ik mij echt wel eens beheersen om niet te gaan schelden.'

Officiële gelegenheid


'Bah! Contact krijg je niet; hooguit een asbak! Ik wil niet zeggen dat ze nooit proberen om een gesprek met je aan te knopen, maar meestal zit of sta je in een groepje en kun je niet met zekerheid vaststellen of ze het nou tegen jou of tegen een ander hebben. Zij zijn dan niet zo handig om je naam te noemen. Het missen van een kans is rot, maar een flater slaan door te antwoorden op een vraag die niet aan jou is gesteld, is helemaal een ramp.'

Doorn in het oog


'Dat is de bedelarij voor en door blinden. Het is niet meer nodig dat er blinden langs de deuren gaan met handel; dat er busjes in winkels en kazernes staan voor geleidehonden; dat er blinde muzikanten in de binnenstad meelijden opwekken. Maar haal het niet in je hoofd om die blinde muzikanten weg te sturen, want dan krijg je de stad tegen je. Zij zijn toch al zo zielig … Sinds de Algemene Bijstandswet hoeft geen enkele blinde geldzorgen te hebben. De bedelarij voor en door blinden brengt schade toe aan de blinde in het algemeen.'

Blindenbond


'De blindenbonden streven ernaar om de blinde zo weinig mogelijk nadelen van zijn blindheid te laten ondervinden. Naast verruiming van beroepsmogelijkheden en tegemoetkoming in de materiële lasten van blindheid proberen de blindenbonden ook de sociale gelijkschakeling van blinden met zienden te bereiken. Hierbij is iedere blinde betrokken, want ieder die profiteert van het medelijden van de ziende sterkt de zienden in hun ongegronde gevoelens van meewaren. De blindenbonden zullen ervoor moeten zorgen dat de blinden zelf voor hun rechten blijven vechten. De blindenbonden zijn de enige organisaties van mindervaliden die zelf het grote werk doen. Ik geloof dat een intocht van zienden in de blindenorganisaties verzwakking zal betekenen.'

Internaat


Het internaat is een noodzakelijk kwaad. Eigenlijk moesten de blindeninstituten zo ingericht zijn dat de leerlingen in hun vrije tijd buiten de school konden zijn, bijvoorbeeld in pensions. Dagscholen zijn met het betrekkelijk geringe aantal blinden per te bereizen streek niet denkbaar. Voor slechtzienden zijn zij wel mogelijk gebleken; er zijn er nu een stuk of vijf. Het is aan te bevelen dat ouders van blinde kinderen verhuizen naar de omgeving van een internaat. Het kind kan dan ten minste in het gezin blijven. Het is natuurlijk niet voor iedereen doenlijk om te verhuizen; wij hoeven alleen maar te denken aan de werkkring van de vader. Waar het wel kan, daar zou door de gemeenten alle steun gegeven moeten worden. Het is toch te bespottelijk dat het kan voorkomen dat een Amsterdamse vader van twee kinderen niet naar Bussum mag verhuizen, in de buurt van een blindeninstituut, waar zijn kinderen extern naar school zouden kunnen gaan? Reden van weigering van het Bussumse gemeentebestuur: geen economische binding met de gemeente.'




Ruud Stork (VN jaargang 29, aflevering 43, 21 juni 1969)


Hij is in 1944 In Den Haag geboren; na acht maanden was hij blind. Toen hij vier was werd hij in het blindeninstituut in Huis ter Heide aangenomen. In 1950 ging hij over naar het (neutrale) blindenintsituut in Bussum. Daar heeft hij de mulo gevolgd, terwijl hij al lessen Latijn en Grieks kreeg. Na het mulo-examen werd hem gedurende twee jaar meer van oude talen en wiskunde mijgebracht, waarna hij met nog een jongen en een meisje naar de vijfde van het gymnasium overstapte; pas toen kwam hij bij ziende jongens en meisjes in de klas zitten. In 1965 is hij in Amsterdam Frans gaan studeren.

Het blindeninstituut


'Het blindeninstituut in Bussum is gemengd. Toen ik er in 1950 kwam, werden de jongens en meisjes streng gescheiden gehouden. In het bos bij het instituut waren twee rondlopende paden: een voor de jongens en een voor de meisjes. De eerste twee jaar zat ik in het zogenaamde woonhuis, in de afdeling van de kleine jongens op zolder. Daaronder op de eerste verdieping hadden de grote jongens hun recreatie- en slaapterrein en op de begane grond de meisjes.
Na twee jaar verhuisde ik naar een paviljoen, waarin we met ongeveer twaalf jongens en meisjes woonden, in leeftijd wisselend van vier tot twaalf jaar. Aan het hoofd stonden twee leidsters. Met mijn twaalfde jaar ging ik naar de mulo en naar de afdeling van de grote jongens. Dat was een grote overgang. De eerste maanden daar waren niet zo prettig, omdat de oudere jongens er een ontgroening op na hielden als vrijetijdsbesteding. Zo moest je bijvoorbeeld voor oudere jongens opstaan als er geen andere stoelen vrij waren. Om de overgang wat te vergemakkelijken is later een recreatiezaal ingericht voor de jongsten van die afdeling. Na verloop van een paar jaar kreeg ieder een eigen kamer, waarin hij ook huiswerk mocht maken en bezoek ontvangen, weliswaar na voorafgaande toestemming. Het kostte grote moeite om voor elkaar te krijgen dat voor de kamerdeuren gordijnen werden aangebracht. We vonden het een rot idee, dat men je - zonder het te merken - kon begluren. Aanvankelijk mocht je eigenlijk niet in de recreatiezaal van de meisjes komen. Naderhand werd er een regeling ingevoerd waarbij op de ene avond de jongens bij de meisjes, en op de andere de meisjes bij de jongens op bezoek mochten. Ondertussen was de scheiding van jongens en meisjes in het bos ook met voeten getreden: er was een goed begaanbaar pad ontstaan - door het vele gebruik - tussen de twee rondjes. De mentaliteit van de leiding was ook ontwikkeld in de richting van contact tussen de jongens en de meisjes. Een voorbeeld hiervan is, dat er danslessen werden gegeven en van tijd tot tijd ook feestavonden.'

Naar buiten


'Een jaar of tien geleden is de leiding van het instituut ook het contact met mensen buiten het internaat gaan bevorderen. Je kon je aansluiten bij allerlei verenigingen, je werd in de gelegenheid gesteld om sport te gaan beoefenen. Ik heb een tijdje geroeid en aan judo gedaan. Dat ik in Bussum op het gym heb gezeten - en niet in de woonplaats van mijn ouders - had wel het voordeel dat ik geen grote moeilijkheden heb gehad met boeken. Ik had al voorgangers gehad, die dezelfde boeken hadden gebruikt.
Toen we naar het gym gingen, hebben we doelbewust geprobeerd om aansluiting te krijgen bij de ziende klasgenoten. Toch is dat niet helemaal gelukt. Een oorzaak hiervan is natuurlijk wel dat een klas die al vier jaar bestaat, moeilijk nog nieuwe leden in de groep opneemt. Ik ben ook maar een paar keer bij een ziende klasgenoot thuis geweest. Ik ging wel naar de klasse-avonden, waarop ik me echt wel thuisvoelde.'

Vakanties


'Om een betere besteding van de grote vakantie mogelijk te maken, beijverde de leiding zich ervoor om je mee te laten doen met clubs die kampeerden en met werkkampen. Zo hebben ze mij warm gekregen voor een werkkamp in Noorwegen; dat was nog in mijn gymnasiumtijd. In de buurt van Oslo heb ik een paar weken tuinwerk gedaan in het kader van de Internationale Vrijwilligershulpdienst. In de tuin van een tehuis voor moeilijk opvoedbare jongens moesten we paden begaanbaar maken en puin uit kelders halen. Het jaar daarop heb ik in Engeland zwaar grondwerk gedaan. Dat was voor een ziekenhuis voor geestelijk gestoorden. Verder ben ik een paar weken met een vriend wezen trekken op een gemotoriseerde tandem, door Frankrijk heen. We hadden gelukkig wel goed weer. Het voordeel van een tandem, boven een auto, is dat je nog contact hebt met de buitenwereld. Je hoort wat er om je heen gebeurt en je kunt ook afstappen wanneer je dat wilt.
Afgelopen zomer ben ik met twee vrienden met een auto naar Frankrijk geweest. Veel gaat er dan wel langs je heen, maar van de andere kant ben je niet afhankelijk van het weer.
Een paar weken na die trektocht heb ik in La Rochelle een zomercursus gevolgd van de universiteit. Ik ben daar erg goed opgevangen. Ik werd gemakkelijk meegenomen naar het kleine, kunstmatige strandje en andere aantrekkelijke plaatsen. Ik ben echt van plan om dit jaar weer te gaan.'

'Ik heb altijd een voorliefde voor talen gehad en in het bijzonder voor Frans. Ik heb wel onderzocht of er toekomstmogelijkheden voor me waren als tolk-vertaler, voordat ik aan deze studie begon. Ik heb iemand gesproken die vertaler is in een groot bedrijf. Daar is het zo, dat de vertalers een secretaresse hebben die halve dagen voor hen werkt, met name voor het uittikken van de vertaling. Die blinde vertaler heeft een andere werkwijze geïntroduceerd: hij laat zijn secretaresse de tekst voorlezen en de woorden, die hij niet kent, opzoeken. Als hij zijn vertaling afheeft, tikt hij die zelf uit. Zodoende is hij voor zijn baas economisch verantwoord.'

Kennissen


'Nadat ik van het instituut af was, heb ik eerst een maand of drie op een kamer in Geuzenveld (Amsterdam) gewoond. Dat was echt wel te ver van het centrum af. Het was moeilijk om de contacten die ik tijdens de kennismakingstijd van Olofspoort had gekregen, aan te houden of hechter te maken. Na die paar maanden ben ik hier in het studentenhotel terechtgekomen. Tegenover het nadeel, dat je hier drie maanden - in de zomer - niet mag wonen, staan de voordelen van veel comfort in verhouding tot de relatief lage huur en de maaltijden die je hier kunt gebruiken. De behoefte aan een vereniging is ook helemaal verdwenen, omdat hier zoveel mensen wonen dat je er nogal gauw een paar onder vindt die je aanspreken.'

'In verband met het aanknopen van contacten met meisjes ondervind ik wel een onplezierig gevolg van mijn blindheid. Je moet vaak veel praten, terwijl zienden door middel van een blikwisseling een meisje kunnen ontmoeten. Op een dansfeest ben je ook gauw afhankelijk van het meisje dat in je buurt zit. Je ori ntatie is dan dikwijls toch al beperkt, omdat er zo'n lawaai is van een band of van platen. Het liefst ga ik naar wat besloten feestjes, waar mensen zijn die ik ken. Dan is het wat makkelijker om met meer meisjes in aanraking te komen. Als je eenmaal een meisje hebt leren kennen en het meisje met jou vertrouwd Is geraakt, is het geloof ik geen verschil, of je wel of niet kunt zien.'

'Voor mijn studie moet ik veel lezen. Dat doe ik ook graag, ofschoon het wel eens moeilijk is om aan de gewenste boeken te komen. Ik hou verder van toneel, cabaret en muziek. Ik speel contrabas in een bandje. Dat bandje is nog een overblijfsel van mijn instituutstijd. Er spelen niet alleen blinden in. Onze bedoeling is om jazz te spelen, maar door gebrek aan een trombonist en een trompettist hebben we daarvoor niet de juiste bezetting. Als ik in Den Haag ben ga ik af en toe naar een jazzclub in Scheveningen.'

Verkeer


'In Amsterdam helpen ze me heel goed en prettig in het verkeer. Het is wel erg inspannend vaak om hier te lopen. Fietsen en brommers blokkeren nog al eens de toch al smalle stoepen. Al een paar weken staat er op de Keizersgracht een bakfiets met een ladder erop, waar je zo met je gezicht tegenaan zou lopen, als je er niet opmerkzaam op zou zijn gemaakt. Laatst stond ik hier vlakbij aan de stoeprand te wachten op een ogenblik waarop ik zou kunnen oversteken. Op een gegeven moment kwam er een vrachtwagen aan die op het kruispunt bleef staan, met loeiende motor. 'Loop maar over!' riep de bestuurder naar me. Toen ik hem toeschreeuwde dat hij beter kon doorrijden, omdat ik dan meer van mijn omgeving zou horen, zei hij: 'Zolang ik dwars over de weg sta, kan er niemand door. Steek maar rustig over!'
Zoiets vind ik nu karakteristiek voor Amsterdam.




Vrouw in revalidatieperiode (VN, jaargang 29, aflevering 22, 25 december 1969


Ik ontmoette haar in het huis van haar ouders, bij wie zij in de weekeinden logeert. Daarbuiten woont zij op het revalidatiecentrum 'De Schansenberg' in Loenen op de Veluwe. Anders dan ik verwachtte, bewoog zij zich erg gemakkelijk tussen de meubels door. Zij was even geprikkeld toen ik liet horen dat ik met mijn bandapparaat een proefopname had gemaakt zonder haar daarvan eerst op de hoogte te stellen. Misschien ervoer zij toen haar blindheid als een belemmering bij het kennisnemen van wat er in haar omgeving gebeurt.

Hoe het begon


'In januari 1968 - nog geen maand eerder was ik 24 geworden - kreeg ik tijdens mijn werk in het ziekenhuis een bloeding achter beide netvliezen. Gedeeltelijk is die bloeding veroorzaakt door suikerziekte waardoor de wandjes van de bloedvaten erg dun waren. Tengevolge van spanning en nervositeit zijn die gebarsten. Ik ben toen meteen naar mijn huisarts gegaan, hij stuurde mij door naar een oogarts. Deze zei dat rust misschien zou helpen. Toen ik na een paar weken bij hem terugkwam, raadde hij mij aan braille te gaan leren, aangezien er weinig hoop op genezing was.
De bloeding had vliesjes achtergelaten, die als het ware als een gordijn voor mijn ogen zijn gevallen.'

Reacties


'Ik was erg overdonderd; ik kon het eigenlijk niet geloven; het kon niet waar zijn. Dit waren mijn eerste reacties. Toch besefte ik tamelijk gauw, dat mijn leven nog niet kapot was; dat ik door revalidatie heus wel weer wat zou kunnen gaan doen. In de tijd dat ik verpleegster was heb ik wel erger dingen gezien dan blindheid; daaraan heb ik mij vastgeklampt en zo heb ik mij door de eerste moeilijke weken heen kunnen slepen. Na het bezoek aan de oogarts ben ik bij een zus - moeder van vier kinderen - in huis gekomen. Ik kende daar de weg; ik kon mij goed bewegen. Maar ik kwam niet meer alleen buitenshuis. Dat kon niet meer.'

'Alles werd mij uit handen genomen. Als ik iets wilde doen, werd er gezegd: laat mij dat maar doen. Als ik wat kwijt was en het ging zoeken, was het: dat pak ik wel even voor je. Ik vond dit geen ideale toestand, maar ik moest mij er wel bij neerleggen. Dingen die ik wel deed, zoals helpen bij de vaat en de was, gingen erg langzaam. Dat hinderde mij en het gevolg was dat ik ook dat maar naliet.'

'Op zekere dag werd ik opgebeld door een meneer die zich voorstelde als sociaal werker van 'De Schansenberg'. Kort daarna kwam hij bij mij op bezoek. Hij vertelde mij over het revalidatiecentrum. Ik merkte dat daar mijn kans lag. Bij een volgend bezoek bracht meneer D. een lesboek voor het braille mee. Over drie weken zou hij zijn tweede les komen geven. Zo lang kon ik echter niet wachten. Ik liet in de Winkler Prins het systeem van het brailleschrift opzoeken. Aan de hand daarvan ben ik in het lesboek gaan lezen en met de brailleschrijfmachine, die ik ondertussen had gekregen, gaan werken. Eindelijk had ik weer wat te doen. In het begin leverde het voelen van de puntjes geen moeilijkheden op. Later heeft mijn rechterwijsvinger mij in de steek gelaten. Die is vroeger een keer ontstoken geweest, waardoor de zenuwen waarschijnlijk zijn verdoofd, of minstens ongevoeliger geworden. Maar het lezen krijg ik al aardig onder de knie, al kost het nog teveel moeite voor het genieten van een boek bijvoorbeeld.'

Revalidatie


In april Is een bezoekdag op De Schansenberg' voor mij georganiseerd. Aan het eind van de dag werd mij gevraagd of ik wilde komen. Ik heb toen gezegd: hoe eerder, hoe liever; ik wilde wat omhanden hebben. Ik heb gehoord dat je vaak anderhalf jaar moet wachten, eer je kunt worden aangenomen. Ik heb geluk gehad; ik zit nu drie weken op 'De Schansenberg'. Ik kan er nog niet veel over vertellen. Na een half jaar niets-doen zijn deze drie weken wel erg inspannend geweest. Ik moet een druk programma van lessen volgen en veel indrukken verwerken. De leiding van het internaat is leuk. Vier leidsters, met een leeftijd van achteraan in de twintig, denk ik. De vrije tijd is ook goed door te komen. Op de maandagavond wordt er gedanst (revalidanten onder elkaar); dinsdags wordt er gezwommen en 's woensdags om de veertien dagen gaan wij in Deventer schaatsen; donderdagsavonds kunnen wij uitgaan, bijvoorbeeld naar de schouwburg.
Om te zorgen dat het personeel ook een paar dagen vrij heeft, moet om de veertien dagen ieder het weekeinde weg zijn.
Natuurlijk krijg ik les in braille. Verder wordt mij onder andere geleerd hoe ik moet lopen met de witte stok. Huishoudelijke karweitjes, zoals koken en stekkers in elkaar zetten, worden geleerd. Na drie maanden zal ik met de directeur een gesprek hebben over mijn toekomstplannen om te komen tot een beroepsopleiding. Het liefst zou ik iets gaan doen wat verwant is aan de verpleging. Maar ik weet niet wat er mogelijk is.'

'Mijn liefhebberijen zijn borduren en lezen. Toen ik nog kon zien, borduurde ik erg veel; ik maakte zelf ontwerpen. Vooral het priegelwerk deed ik graag. Dat gaat nu niet meer. Wel ben ik weer bezig met borduren op grof materiaal; misschien komt het fijnere werk ook wel weer. Het zal nog wel heel wat oefening kosten voordat ik weer boeken kan verslinden. Ik las veel historische romans en als ik naar bed ging romannetjes.'

Zelfstandig


'Tot januari heb ik op kamers gewoond, samen met een vriendin. Dat was erg gezellig. Wij gingen ook wel veel uit. Dat doe ik nu niet meer, maar dat komt ook doordat ik sinds kort verkering heb. In een eerste opwelling heb ik in januari mijn kamers opgezegd. Daarvan heb ik nu wel spijt. In de weekeinden ben ik nu bij mijn ouders, maar eigenlijk hebben zij er geen ruimte voor. Het is ook erg moeilijk om voor het weekeinde een kamer te krijgen, waar je fijn jezelf kunt zijn.'

'Door mijn blindheid heb ik heel wat kennissen en vrienden verloren. Ik denk dat zij zich niet kunnen indenken dat ik met mijn blindheid toch gebleven ben zoals ik was. Zij weten misschien niet wat zij wel en wat niet aan mij kunnen vragen. Ik heb geprobeerd om de contacten weer op te nemen en in zo'n telefoongesprek ging het er gezellig aan toe. Maar op bezoek komen is er bij de meeste niet meer bij. Met de vriendin, met wie ik op kamers woonde, heb ik sinds kort weer contact, wel pas nadat ik had opgebeld. Het is echter begrijpelijk dat het zo lang heeft geduurd, want zij heeft een nare tijd achter de rug.
Ik hoor achteraf nogal eens zeggen dat die of die mij heeft gezien in de stad. Ik vind het vervelend dat zij mij dan niet even hebben gegroet, of een praatje met mij hebben gemaakt. Maar dat schijnen zij niet te durven.'

'Sinds ik blind ben gebruik ik mijn oren veel meer. Alle geluiden die ik hoor wil ik thuisbrengen en dat lukt ook heel aardig. Als ik een ruimte binnenkom waar veel mensen zijn, deins ik bij wijze van spreken terug. Aan drukte moet ik eerst even wennen. Als het licht is - ik kan nog licht zien - gebruik ik mijn voeten als voelhorens. Alleen als het donker is steek ik mijn handen vooruit om hindernissen op tijd waar te nemen. Ik ben altijd een beetje schuchter geweest. Ook nu nog wacht ik het contact leggen door anderen af. Het is wel vaak moeilijk om te bepalen of zij het tegen mij hebben of tegen een ander. Op 'De Schansenberg' noemen wij eerst de naam van degene, met wie we willen praten, voordat wij het gesprek openen. Dat is erg handig.'

Geen wonder


'Ik heb blinden nooit zielig gevonden. Toch kende ik er geen persoonlijk. Wel heb ik mij altijd afgevraagd hoe zij het toch klaarspeelden om voelend te lezen. Zelf hoor ik vaak opmerkingen als 'wat zielig' mompelen. Ik loop dan maar gewoon door; dat is het beste.'

Afsluiting


Toen ik haar vroeg naar de grootste nadelen van haar blindheid, noemde zij het minder gemakkelijke voortbewegen en de afhankelijkheid. Naar buiten toe maakt zij een onverschillige indruk. Die onverschilligheid - zij gebruikt zelf dat woord; vrolijkheid is volgens mij dichter bij de waarheid - heeft enige mensen met wie zij in het ziekenhuis heeft gewerkt, een onbevredigd gevoel bezorgd. Zij hadden namelijk een wanhopig meisje verwacht.

***
terug naar de beginpagina van teksten van Loek Meijer
terug naar de beginpagina van de website