De dansende meisjes


door Loek Meijer

Dit verhaal is in 1985 als afzonderlijk boekje uitgegeven door Uitgeverij L en L. De auteur heeft in verband met de publicatie (in 1995) in Mensen-Leven (een tijdschrift voor blinden en slechtzienden) enkele redactionele wijzigingen aangebracht.

Flaptekst

uit de uitgave van Uitgeverij L en L in 1985

De ik uit De dansende meisjes - een man van in de dertig - wordt geconfronteerd met de invloed die zijn blindheid en zijn jeugd op een jongensinternaat op hem hebben gehad en nog hebben in zijn relatie tot vrouwen. Aanleiding tot deze confrontatie is de tastende kennismaking met een beeldengroep, voorstellend drie (naakte) dansende meisjes. Die kennismaking is het begin van een boeiend verhaal, waarin werkelijkheid en fantasie met elkaar zijn verweven.
De dansende meisjes geeft zicht op een aspect van de ervaringswereld van een blinde, een terrein dat in de literatuur vrijwel onontgonnen is.

Van Loek Meijer zijn eerder verhalen gepubliceerd in het literaire tijdschrift Bzzlletin.

Toegift uit eerder bedoelde uitgave

Waarom niet even
Je ogen
Sluiten
Voor je mij
Aanraakt
Met je hand?
Misschien leer je
Mij kennen,
Mijn buiten-
En meer nog
Mijn
Binnenkant.

Loek Meijer

De dansende meisjes

Ik had ooit over de beeldengroep aan de Segbroeklaan horen spreken als over een herkenningspunt in een wegbeschrijving. De aanduiding ervan moet toen te vaag zijn geweest om mijn belangstelling te kunnen wekken. Vandaag drie weken geleden hoorde ik er voor de tweede keer van. Ditmaal werd de beeldengroep als kunstwerk naar voren gehaald. Ik zat in de auto van een kennis die me naar huis bracht. Hij vroeg me of ik die beelden al eens had gezien. Na mijn ontkennend antwoord legde hij uit dat er drie meisjes stonden uitgebeeld, opgesteld in een kring om een fonteintje heen, kennelijk doende met het uitvoeren van een rondedans. "Zelden heb ik zulke mooie beelden gezien," verzekerde hij mij en hoe vaak hij er ook langs reed, steeds werd hij door de schoonheid ervan getroffen.
"Hoe staan ze erbij," vroeg ik, schijnbaar onverschillig.
"Naakt, helemaal naakt," lichtte hij me in, "en de kinderen raken maar niet uitgepraat over de gleuf tussen hun billen."
Hij lachte vergoelijkend, ik begrijpend.

Een week geleden - het was weer zaterdag - was ik op weg naar diezelfde kennis om een uitgeleend boek op te halen. Mijn driejarig zoontje Erik trok ik in zijn karretje achter me aan. Uit zijn mededelingen en vragen leidde ik af, dat hij op zijn gemakje de omgeving in zich zat op te nemen. Op een zeker ogenblik riep hij enthousiast uit: "daar, billen! Ik zie billen!"
Het duurde een paar passen eer tot me doordrong waardoor deze uitroep moest zijn ingegeven. Ik hield in, weifelde even en besloot me over mijn verlegenheid heen te zetten. Het zou toch al te dol zijn, als ik zou doorlopen, enkel en alleen uit angst om gezien te worden?
"Stap maar uit," zei ik uitnodigend.
Terwijl ik het zei merkte ik dat Erik al bezig was uit zijn stoeltje-op-wielen te klauteren. Ik liet hem mij een hand geven en spoorde hem aan mij naar de beelden te brengen. Tegen Herta zei ik: "zoek de meisjes!" Maar dat had slechts tot gevolg dat ze tot een ongericht steigeren overging. Aan de hulp van Erik had ik echter voldoende. Hij trok me een meter of tien het grasveld op. Toen stootte ik met mijn stok op iets hards. Ik liet de trekstang van het karretje zakken en bukte me voorover. Ik stond voor een stenen verhoging. Vluchtig nam ik waar dat het oppervlak van de sokkel was doortrokken met ondiepe gleuven van een centimeter breed, zodanig, dat het belegd leek met plakjes van een paar centimeter in het vierkant.
"Probeer er maar op te komen," raadde ik Erik aan, blij dat de fontein niet werkte, zodat ik niet bang behoefde te zijn voor natte kleren. Mijn stok bracht ik over naar mijn linkerhand, waarmee ik ook de hondenriem vasthield. Zodoende kreeg ik één hand vrij om te voelen. Met mijn linkervoet stapte ik op de verhoging, mijn vrije hand stak ik naar voren. Doordat ik mijn gebogen houding had gehandhaafd, was het eerste dat ik voelde een been; een enigszins doorgebogen been, waarvan de slankheid werd beklemtoond door de welvingen van kuit en bovenbeen, waar de spieren zich spanden. Het werd - merkte ik - slechts gedragen door de tenen. Ik zette nu ook mijn andere voet op de sokkel en deed een pas opzij om vanuit mijn nieuwe positie met gespreide hand langs beide benen mijn ontdekkingsreis in opwaartse richting voort te zetten. Daar voelde ik de billen, die inderdaad nadrukkelijk uiteen weken door de houding van het lichaam. Hoger ging mijn hand, langs de gebogen lijn van de rug. Vanaf de schouders ging ik naar links, later naar rechts, en ik zag hoe de armen zich uitstrekten naar de andere beelden en hoe de handen op de bovenarmen van de buren steun vonden. Terug op de rechterschouder liet ik mijn hand even rusten. Ik strekte mijn vingers langs het sleutelbeen. Zal ik in deze richting verdergaan? Ik weifelde en stelde het uit. Ik voelde me niet erg op mijn gemak; ik was bang dat men mij aan het bespieden was. Toch was er geen duidelijke reden voor die angst, want de enige stem die ik hoorde was die van Erik en uit het aanhoudend langssnellen van de auto's was evenmin af te leiden dat er op mij werd gelet. Niettemin voelde ik me onzeker en bood het gezicht voor me een welkome uitstelmogelijkheid. Ik stond stil bij het - naar het mij voorkwam - kleine neusje, bij de vrijwel gesloten lippen en bij de slechts globaal aangegeven ogen. Wat het gezicht moest uitdrukken, kon ik raden; hier werden immers dansende meisjes uitgebeeld, zoals mij was gezegd. Of de beeldhouwer erin was geslaagd in dit gezicht vrolijkheid tot uitdrukking te brengen, kon ik niet vaststellen; gelaatsuitdrukkingen zijn voor mij volstrekt onbekend terrein. Het ietwat gebogen hoofd werd - meende ik te voelen - door een plat hoedje bedekt. Uit de haardracht kon ik geen wijs worden. Misschien kwam dat door mijn ongeduld, want ondanks mijn schroom wilde ik het in acht genomen uitstel niet langer rekken. In mijn haast sloeg ik zelfs de oren van het beeld, van nu af aan het meisje, over, toen ik mijn hand liet afglijden naar de rechterschouder. Ik probeerde me heel onverschillig te voelen, toen ik mijn hand onder haar arm doorschoof en in lichte aanraking bracht met de kleine borsten, schuchter, alsof ik een levend meisje beroerde. Door de gebogen houding van het lichaam hingen ze er mooi rond bij. O, wat had ik ze graag op mijn hand gewogen, ze met kleine op- en neergaande beweginkjes op mijn handpalm laten dansen! Maar de angst was gebleven. Ik hoorde het al! De één tegen de ander, terwijl het gas wat werd teruggenomen: "Ach, moet je die blinde eens zien! Het is nog een viezerik ook!"
Alsof ik me aan de borsten brandde, volgde ik schielijk de holle lijn naar beneden, via het kuiltje rond de navel naar het heuveltje op de buik. Hoe fijn zou het zijn geweest, als ik mijn hand een poosje tegen die zachte glooiing had durven leggen ... Maar van rustig genieten kon geen sprake zijn. Mijn schaamte deed me zelfs het hofje van beloften overslaan, toen ik mijn hand langs de benen naar het voetstuk liet afdalen. Hevig ontstemd over deze als vals ervaren schaamte - "ben jij nou een vent van in de dertig!" - bezichtigde ik vervolgens de andere meisjes, zij het nog oppervlakkiger dan de eerste. Na afloop wist ik dat ze in brons gegoten waren - mooi van klank - en in vrijwel eendere houding stonden, sierlijk, in een vloeiende spanning gebogen van tenen tot kruin. Graag had ik onderzocht waarin ze zich van elkaar onderscheidden, maar nog liever wenste ik op dat ogenblik het podium te verlaten om zo gauw mogelijk buiten het bereik te komen van de ogen die ik op me gericht voelde.

Ik hervatte mijn wandeling, terwijl het woord lafaard onontloopbaar door mijn hoofd dreunde. De gedachte aan de dansende meisjes liet me niet los en ze had iets tastbaars, doordat ik in mijn hand de afdruk van de ronde borsten meende te voelen.
Toen ik die avond Herta uitliet, kreeg ik de aanvechting opnieuw naar de beeldengroep toe te gaan; ik zou van de duisternis gebruik kunnen maken om ongezien de meisjes te betasten. Hieraan bood ik echter weerstand met opmerkingen als: "Ach, laat je toch niet kennen!"
De twee volgende avonden herhaalde zich deze innerlijke schermutseling. Een dag later bleek mijn weerstand al zwakker te worden en neigde ik ertoe aan mijn tegenwerpingen minder gewicht toe te kennen. Toen diende zich echter een ander beletsel aan. Stel je voor - zo overwoog ik - dat ze jou daar tóch in het donker zien scharrelen! Het is helemaal niet uitgesloten - en zelfs waarschijnlijk - dat mensen er hun hond uitlaten. Wat zullen die dan van jou denken? En wie weet lopen er 's avonds wel lieden rond die zich daar, verhit door de schemerige aanblik van de meisjes of door hun tastbare aanwezigheid, aan obscene handelingen te buiten gaan! Hoe zou jij je in hun gezelschap voelen? Nee, daar moest ik liever niet aan denken.

Dit gevecht tussen willen en niet durven hield aan en de dansende meisjes beheersten mijn gedachten op den duur volkomen. Buiten machte iets anders te doen, ben ik gisteravond ben ik - nadat Astrid voor concertbezoek het huis had verlaten - op de bank in mijn werkkamer gaan liggen, overgeleverd aan verlangen, verwijt, schaamte en zelfbeklag, welke gevoelens elkaar om beurten overstemden, elke solist omzwermd door eigen rusteloze gedachten. Na een poosje ben ik in slaap gevallen, waarschijnlijk op een ogenblik waarop het verlangen de boventoon voerde. De droom die ik kreeg wijst daar althans op. Of heb ik niet gedroomd en is, wat ik voor een droom zou willen aanzien, werkelijk gebeurd? De scherpte waarmee ik mij het gebeurde "herinner", laat op zijn zachtst gezegd ruimte voor deze twijfel. Maar gedroomd of niet gedroomd, wat mij is bijgebleven houdt me dermate bezig, dat ik het het best maar kan beschrijven. Dusdoende kan ik me er hopelijk van bevrijden.

*

Ik ben met een schok overeind gekomen; mijn lichaam voelt dat het zoëven nog lag. Heeft één van de kinderen soms geroepen? Nee, het moet iets anders zijn dat me heeft gewekt. Herta loopt onrustig tussen mij en de balkondeuren heen en weer. Is er misschien gebeld? Heeft Astrid vergeten haar huissleutel mee te nemen? Even afwachten maar. Mijn hart klopt merkbaar tegen mijn borst; de stilte van het huis suist in mijn oren met een ijl, hoog gepiep. Dan veer ik geschrokken op door het luide klingelen van de bel. Herta laat een kort, binnensbeks geblaf horen. Mijn benen trillen als ik naar beneden loop; met mijn handen steun ik op de trapleuningen, bang dat ik anders zou vallen. In de hal aarzel ik. Zal ik eerst het raampje opendoen om te vragen wie er is? Had ik Herta maar laten meelopen. Ik knip het licht aan, trek de deur met een zwaai open; de aanval is de beste verdediging, is me ooit voorgehouden.
"Goeie avond," zeg ik en ik probeer mijn stem een joviale klank mee te geven. Ik voel me overigens allerminst toeschietelijk; ik verberg dat ik 'm ontzettend knijp. In die toestand verrast het me daarom danig dat ik mijn groet beantwoord hoor door de stem van een meisje. De stem klinkt zacht, maar vastberaden. Ik heb het gevoel dat ik het meisje moet kennen. Ze is een jaar of zestien, zo te horen, al lijkt ze wel erg klein van stuk. Met mijn nog maar traag werkende hersenen zoek ik naar de naam die bij haar zou kunnen passen. Is het Joke, of Corrie? Yvonne misschien?
"Ik ben Esmiralda, één van de dansende meisjes."
Het is alsof er iets wordt rechtgezet in mijn hoofd of weggeschoven, want ineens is er helderheid in mijn gedachten. Natuurlijk, het is Esmiralda!
"Kom binnen," nodig ik uit en steek haar een hand toe. Als ze de hare erin legt, voel ik er de koelte aan van buiten. Vluchtig streel ik met mijn duim de rug van haar hand en ik merk hoe het onbehaaglijke gevoel in mijn maag ruimte maakt voor een warme opwinding. Ik doe de deur behoedzaam achter haar dicht. Terwijl ik een hangertje pak, zeg ik dat ze haar jas maar moet aangeven.
"Dank je," zegt ze olijk, "ik ben zonder."
Ik huiver. Dan dringt het tot me door dat ik het had kunnen weten.
"Ach, wat stom van me," verontschuldig ik me en ik haak het hangertje weer aan de roe.
Licht, alsof ze de treden nauwelijks raakt, volgt ze me naar boven. Ze danst achter me aan, denk ik, alsof ik haar iets prettigs in het vooruitzicht heb gesteld. En is dat ook niet zo? Heb ik haar niet laten weten dat ik zachte handen heb?
Herta begroet haar als een bekende; kwispelend en piepend draait ze om de bezoekster heen.
"Rustig, rustig maar," zegt ze kalmerend tegen de hond, "ik weet wel dat ik lekker ruik."
Met afgrijzen denk ik aan de reuen die hun achterpoot tegen haar ranke benen leggen om er hun plasje tegenaan te sproeien. Ik stuur Herta naar haar plaats onder mijn bureau. Esmiralda bied ik mijn gemakkelijke stoel aan. Zelf ga ik op mijn bureaustoel zitten, een meter van haar vandaan.

Vanaf het ogenblik dat ik mijn kamer binnenstapte, is de zekerheid over de aanleiding tot haar bezoek uit me verdwenen. Heb ik haar wel een boodschap gezonden? Als ik dat niet heb gedaan, hoe is het dan te verklaren dat ze van haar bezoek geen uitleg gaf, zoëven? Voorlopig moet ik het gesprek maar neutraal zien te houden, wat me moeilijk zal vallen, want van koetjes en kalfjes heb ik weinig verstand. Na enig beraad - waaraan ik een onschuldig karakter probeerde te verlenen door op mijn bureau wat papieren recht te leggen - besluit ik op goed geluk met de eerste de beste inval het gesprek te openen.

"Verleden week," zo begin ik, "hebben wij elkaar voor het eerst gezien; herinner jij je dat nog?"
Ik schaam me terwijl ik het zeg over de onzinnigheid van deze vraag, maar de stilte is tenminste ten einde.
"Nou, dat zou ik denken!"
Ik schrik van de spot in haar stem en ik geloof dat ik er zelfs van bloos. Aarzelend vraag ik:
"Hoe bedoel je dat?"
"Ik bedoel," zegt ze nadrukkelijk, "dat het mij niet dagelijks overkomt dat er aan me wordt gevoeld. Snap je dat niet?"
Ik vind het op zijn plaats om iets tot mijn verdediging aan te voeren.
"Je bent daar toch neergezet om gezien te worden en ik mag je dan toch wel op mijn manier bekijken?"
"O, natuurlijk wel," zegt ze met stemverheffing, "ik wilde je niets verwijten! Ik bedoelde niet méér dan ik zei."
"O," zeg ik geruststellend; "dan was ik zeker te achterdochtig. Het spijt me."
Ik overweeg haar woorden opnieuw.
"Toch vreemd, dat er zo weinig aan je wordt gevoeld, want het voelen geeft een heel eigen gewaarwording, denk ik zo."
"Daar heb je dan niet naar gehandeld," klinkt het sarcastisch; "je wist niet hoe gauw je weg moest komen!"
"Dat lag ergens anders aan," zeg ik beschaamd. "Ik was bang dat er mensen naar me keken en zouden denken dat ... dat ik ... Hoe kan ik dat nou het best zeggen? Nou ja, ik wilde niet voor een geilaard aangezien worden."
"Maar waarom zouden ze dat doen, als je ons gewoon betast? Je deed toch niets buitensporigs?"
"Dat is te zeggen ...," aarzel ik; "Ik kan niet ontkennen dat ik voor bepaalde lichaamsdelen bijzondere belangstelling had en dat weet jij ook wel; probeer me maar niets wijs te maken."
"Ja, ik heb wel gemerkt dat je even moest kijken of we van voren al wat hadden, maar dat is toch niet erg? We staan daar immers in volle naaktheid, voor alleman te kijk en reken maar dat ze hun ogen de kost geven! Laat jij je handen dan maar gerust voelen wat ze willen voelen; dat is jouw manier van kijken."
"Je hebt gelijk," geef ik toe. "In dat besef ging ik ook op jullie af. Desondanks bleek dat niet voldoende te zijn om mijn verlegenheid uit te bannen."

We zitten zwijgend tegenover elkaar. Ik probeer te achterhalen waar mijn schaamte uit voortkwam.
"Weet je," zo begin ik zoekend te praten, "ik ben opgegroeid in een jongensinternaat. Meisjes kwam ik alleen tijdens de vakanties tegen en dan nog maar - op een enkele uitzondering na - zonder dat zij aandacht aan mij besteedden of ik aan hen kon besteden. Behept als ik was met een sterke behoefte aan sexueel contact, zocht ik mijn toevlucht tot contacten met jongens, maar de bevrediging die deze opleverden duurde nooit lang en sloeg altijd om in een grote neerslachtigheid, wat zeker mede werd veroorzaakt door het besef van zonde dat me door mijn opvoeders was aangepraat. Als reactie hierop vatte bij mij de veronderstelling post, dat het contact met meisjes veel meer bevrediging zou schenken. Zelfs zonder dat er sprake zou zijn van lichamelijke aanraking leek mij de omgang met meisjes vele malen aantrekkelijker dan die met jongens. In het vooruitzicht dat ik dat zou gaan ervaren, verliet ik op zestienjarige leeftijd het internaat. Ik keerde terug in het gezin waar ik negen jaar zogoed als buiten had gestaan, en vervolgde mijn opleiding aan een gewone hbs. Het was een jongens-hbs. Van mijn klasgenoten kreeg ik verhalen te horen over hun ervaringen met meisjes en ik vertrouwde erop dat het niet lang zou duren of ik behoefde me niet onbetuigd te laten. Na verloop van tijd leerde ik inderdaad meisjes kennen die ik kon meevragen naar klassenfeesten en zo. Aanvankelijk nam ik er genoegen mee dat het contact beperkt bleef tot dansen, maar op den duur wilde ik toch méér. Waar het nou precies aan lag weet ik niet, maar in ieder geval moest ik tot de eindexamenfeesten wachten eer ik de eerste zoentjes te pakken kreeg. Nu mag je hier niet de conclusie uit trekken dat ik mijn dansavondjes steeds als mislukt, als verloren tijd heb ervaren. Integendeel. Het met een meisje uitgaan was al zo iets uitzonderlijks voor me, dat dat alleen al reden was voor een opperbeste stemming. Nee, de onvoldaanheid, het gevoel dat ik iets miste, kwam pas opzetten als anderen over hun vrijages vertelden of als ik me erg eenzaam voelde. Dan werd mijn behoefte aan sexueel contact echt wakker. Op het internaat zocht ik in een dergelijk geval één van mijn vriendjes op; nu gingen mijn verlangens uit naar meisjes."

Ik stop met praten, omdat me iets opmerkelijks invalt waaraan ik niet onmiddellijk woorden kan geven. Als ik mijn gedachten enigszins heb geordend, ga ik verder.
"Nu ik er eens goed over nadenk, valt het me op dat de jongens met wie ik op het internaat sexuele contacten onderhield, over het algemeen genomen juist niet mijn vrienden waren. Er was dan ook geen sprake van genegenheid of zoiets. Daarentegen voelde ik voor de meisjes die ik meevroeg naar feesten juist wél genegenheid. Hoewel deze steeds gepaard ging met lichamelijke aantrekkingskracht, was het gezelschap als zodanig me kennelijk veel meer waard dan een intiem lichamelijk contact. Misschien is het zelfs zo, dat de herinnering aan mijn - laat ik zeggen - liefdeloze contacten met jongens me afkerig maakte van sexueel contact met meisjes op wie ik gesteld was. Mijn sexuele fantasieën betroffen hen ook nooit; ze richtten zich op meisjes die ik nog moest ontmoeten."

Ik verval weer in zwijgen. Ik vraag me af waar de draad is gebleven waarlangs ik mijn betoog wilde laten lopen. Gelukkig komt Esmiralda me te hulp; ze zegt:
"Ik geloof dat je me wilde vertellen waarom je niet vrijelijk aan mijn borsten kon voelen."
"Ja, dat is zo," zeg ik, nog aarzelend. Maar dan weet ik meteen weer waar ik naar toe wilde.
"Wel nu, ik ging in Leiden wonen en studeren. Ik maakte nieuwe vrienden en vriendinnen. Daarmee veranderde er echter niet veel. Mijn vrienden vertelden over erotische ervaringen die mij vreemd waren en als mijn vriendinnen me al lichamelijk aantrokken, dan durfde ik daar niet op in te gaan. Wel trad van lieverlee een wijziging op in de manier waarop ik mijn sexuele behoefte omschreef, bij wijze van spreken natuurlijk, want in die tijd was ik me daarvan niet zo bewust. Had ik vroeger gefantaseerd in termen van vrijen, nu hield ik mezelf voor dat het ging om nieuwsgierigheid naar het uiterlijk van meisjes. Vooral de borsten trokken daarbij mijn belangstelling. Waarom dat zo was, weet ik niet precies. Misschien alleen, omdat juist dat lichaamsdeel met zoveel geheimzinnigheid wordt omgeven. Hoe het ook zij, naar de aanraking van borsten verlangde ik meer dan naar het voelen van welk ander lichaamsdeel ook. Die nieuwsgierigheid bespeurde ik trouwens alleen, als ik een meisje aantrekkelijk vond; in het andere geval had ik er niet de minste behoefte aan te weten hoe ze eruitzag."
"Je nam geen genoegen met een beschrijving?"
"Nee. Ik wilde het op mijn eigen wijze waarnemen."
"En kreeg je daartoe de gelegenheid?"
"Pas halverwege het studiejaar durfde ik eindelijk met mijn wens voor de dag te komen. Op een bezinningsweekeinde van de studentenvereniging leerde ik een meisje kennen dat me erg aantrok. Na afloop ging ze met me mee naar mijn kamer om nog wat na te praten. Na de koffie waagde ik het erop haar te vragen of ik mocht zien hoe ze eruitzag. Even aarzelde ze, maar stemde er toen toch in toe. Ze had grote, volle borsten die me erg opwonden; ik kon er maar niet genoeg van krijgen. Mijn aanraking moet ons beiden aardig in beroering hebben gebracht, want een paar weken later kwam ze vragen of ik één van haar oorbellen had gevonden. Ik moest haar teleurstellen; ik was hem niet tegengekomen. We schoven het bed opzij en ja hoor! Ze vond hem tussen het stof onder de radiator. Toen ik haar die avond opnieuw te kennen gaf dat ik haar wilde voelen, wees ze me echter af. Ze wilde niet met me vrijen, zei ze en één keer voelen moest voldoende zijn. Ik was teleurgesteld, maar ik nam het haar niet kwalijk. Zij mij ook niet trouwens; onze vriendschap heeft er niet onder geleden."
En verder?"
"Een paar maanden later ging de grote vakantie in. Een andere vriendin van me zou ik twee maanden niet zien. In die periode groeide het voornemen dat ik haar bij de eerste de beste gelegenheid dezelfde vraag zou stellen als de vriendin over wie ik het daarstraks had. Ik wist dat ze veel tengerder gebouwd was en dat maakte me extra nieuwsgierig. Toen ze bij me op bezoek kwam, vertelde ze me dat ze inmiddels verkering had gekregen; ja, zo drukte zij zich uit. Het gekke was, dat deze mededeling prompt mijn behoefte om haar te voelen deed tanen. Niettemin wilde ik mijn voornemen uitvoeren, bang als ik was dat ik er achteraf spijt van zou hebben als ik het niet deed. Ook bij haar stuitte mijn vraag niet op onwil. Ik ging bij haar op de leuning van de stoel zitten - dezelfde stoel als waar jij nu in zit, moet je weten! - en liet mijn handen over haar lichaam glijden. Het was zonderling te ervaren dat de aanraking van haar lichaam geen opwinding bij me teweegbracht. Sterker nog: ik moest moeite doen haar niet de indruk te geven dat het aanraken me tegenstond."
Hier onderbreek ik mijn verhaal weer. Ik denk terug aan de briefwisseling die ik indertijd voerde met een jonge frater die ik op het blindeninstituut had leren kennen. Hem had ik in mijn gesproken brieven deelgenoot gemaakt van mijn obsessie. Daarop reagerend bracht hij onder mijn aandacht, dat ik er rekening mee moest houden dat het betast worden de meisjes niet onberoerd zou laten; het waren nu eenmaal geen poppen. Om die reden moest ik me erop voorbereiden dat ik een volstrekt gerechtvaardigd "nee" te horen kon krijgen. Die arme man, glimlach ik nu; met mijn gesmacht naar vrouwen moet ik toch wel aanzienlijke onrust hebben gewekt in zijn celibatair bestaan!
"Was je door die ervaring genezen?" Vraagt Esmiralda.
"Welnee, was dat maar waar, zou ik bijna zeggen! Hoewel ... Er brak kort daarna een tijd aan waarin ik de kans niet kreeg me misdeeld te voelen. Die herfst werd voor mij een lente. Eerst mocht ik me erin verheugen, dat een tien jaar oudere vrouw me tijdens een studieweekeinde van de blindenbond waardig keurde om liefkozingen mee uit te wisselen. Een week later werd ik verliefd. Op zich was dat niet zo bijzonder, want dat gevoel was me al vele malen te beurt gevallen, op mijn tiende voor het eerst. Nooit eerder had ik het echter zo intens kunnen beleven als deze keer. Hoewel het betrokken meisje niet verliefd was op mij, voelde ze zich wel dermate tot me aangetrokken dat ze met me wilde vrijen. Gedurende een maand heb ik daar een keer of vier van mogen genieten. Te weinig, vond ik, maar het was voldoende om me het vertrouwen te geven dat ik niet onbemind oud zou worden. Hierin werd ik in de aansluitende weken gesterkt, doordat twee andere meisjes zich door mij lieten omhelzen. Hierna voelde ik me eindelijk zelfbewust genoeg om een jeugdvriendin, die ik steeds als ongenaakbaar had beschouwd, mijn liefde te verklaren. Ik nodigde haar uit voor een feestje en vond gehoor."

Als het even stil is geweest, vraagt Esmiralda:
"Ik mag dus aannemen dat je borstencomplex tot het verleden behoort. Maar waarom dan die verlegenheid?"
Ik neem de tijd om me daarop te bezinnen. Dan zeg ik:
"Omdat wat jij aanneemt niet klopt. Nog steeds merk ik hoe gefixeerd mijn belangstelling is op de borsten van vrouwen die me lichamelijk bekoren. Ik ben niet nieuwsgierig naar hun haardracht of kleding. Nee, het zijn de borsten die mijn nieuwsgierigheid prikkelen en daarover schaam ik me."
"En zorgt die schaamte ervoor dat je je nieuwsgierigheid intoomt?"
"Ja, inderdaad, althans ... In de regel wel, ja. Maar de vrouwen moeten me niet uitdagen met vragen als: Hoe stel jij je voor dat ik eruitzie? Want dan is het wel heel erg moeilijk om me in te houden. Een paar maanden geleden nog werd me die vraag door iemand gesteld. Ik was voor het eerst in de sociëteit van de NVSH. Na urenlang stilzitten vond ik eindelijk een meisje met wie ik wilde dansen. Terwijl we daarna samen wat zaten te drinken, overviel ze mij met die vraag. Ik zei haar dat ik onder het dansen natuurlijk wel wat van haar lichaam had waargenomen, maar dat ik verder volkomen in het duister tastte. Mijn buurman begon me haar toen te beschrijven; heel kies trouwens; dat ze een erg lief gezicht had en zo. Wat later bracht ze me met haar autootje thuis. Onderweg was ik maar bezig met haar vraag en voor ik uitstapte dacht ik: Wat let me haar te zeggen dat ik alleen door haar te voelen me een voorstelling van haar kon maken? Ja, ze was wat jong, dat wel, en misschien zou ze me een ouwe snoeper vinden, maar als bezoekster van de NVSH-sociëteit zou ze toch wel enige sexuele vrijheid mijnerzijds kunnen verdragen? Om kort te gaan: Ze toonde begrip voor mijn voorstel en ik betastte haar hoofd, haar borsten, haar benen. Ze vond het wel een beetje eng, zei ze, toen ik mijn vingers over haar gezicht liet glijden, maar toen ik mijn hand terugtrok stelde ze me gerust; ik moest gewoon verdergaan en zij zou wel wennen."
"En schaamde jij je nu, terwijl je haar aan het betasten was?"
"Nee, schamen deed ik me niet. Ik voelde me wel erg verlegen. Haar borsten en benen heb ik ook maar heel vluchtig betast. Ik had eigenlijk veel meer behoefte om haar te zoenen en te knuffelen. Ik vond haar lief en dat wilde ik graag laten merken."
"O," reageert Esmiralda op deze verklaring. en dan: "Hoe was dat vroeger? Had je toen niet de behoefte aan knuffelen?"
Hiermee zet ze me aan het denken. Ik haal me de ervaringen op dit gebied opnieuw voor de geest en probeer na te gaan wat ik daarbij voelde. Aarzelend zeg ik:
"Nu je het zegt ... Het is waar, dat ik alleen nieuwsgierig naar het uiterlijk van een meisje was, als ik haar aantrekkelijk vond en steeds eindigde mijn betasten in een of andere vorm van vrijen. Enkel in het geval van het meisje dat net verkering had gekregen, liep het anders, maar zij was op dat moment ook niet aantrekkelijk meer voor me."
"Maar lieve jongen," roept Esmiralda ineens uit, "heb jij jezelf en die meisjes dan niet steeds enorm voor de gek gehouden? Jij was helemaal niet nieuwsgierig naar het uiterlijk van je vriendinnen; dat was maar bijzaak. Wat jij wilde weten was of ze jou lief vonden en of ze van jouw liefkozingen gediend waren. Die nieuwsgierigheid naar borsten was niets anders dan een voorwendsel, een alibi! Een nogal ontactisch alibi bovendien; vind je zelf ook niet?"

Ik ben met stomheid geslagen, overdonderd als ik ben door de kracht van het betoog, maar vooral door de redenering zelf, die me zo voordehandliggend voorkomt, dat ik niet kan begrijpen waarom ik er zelf niet op gekomen ben. Maar na de eerste verwondering dringen er zich toch vragen op die me aan het twijfelen brengen.
"Maar waarom zou ik dan mijn toevlucht tot dat alibi hebben genomen? En als ik werkelijk een alibi heb gezocht, dan zou ik toch zeker wel een minder gevoelige manier hebben uitgekozen?"

De vragen blijven als onopgeloste septiemakkoorden tussen ons in hangen; blijkbaar weet Esmiralda evenmin als ik het antwoord. De stilte is drukkend; ik zoek een uitweg. Ik ga terug naar het begin van ons gesprek en dan zie ik ineens een mogelijkheid om onze aandacht te verleggen.
"Laten we aannemen dat het waar is dat ik de nieuwsgierigheid naar het uiterlijk van een meisje soms hanteer als middel om intiem contact te leggen en laten we vaststellen dat dat een nogal vreemde manier van doen is. Blijft het feit, dat borsten mijn belangstelling trekken. Vroeger was dat waarschijnlijk - zoals ik al zei - doordat ze worden omhuld met een waas van geheimzinnigheid. Nu ik hun verschijningsvorm heb leren kennen, wordt die belangstelling, denk ik, opgeroepen door de gewaarwording die aanraking ervan wekt."
"Maar is die gewaarwording ook prettig bij vrouwen die jou niets doen?"
Ik realiseer me hoe vervelend ik het vind de borsten aan te raken van een vrouw die me niet aantrekt; zelfs het contact met mijn doorgestoken arm ervaar ik dan als onaangenaam.
"Nee," zeg ik, "daar voel ik niets prettigs bij. Eerder het tegengestelde."
"Dan moet het willen voelen van borsten toch iets te maken hebben met het verlangen naar genegenheid," peinst Esmiralda hardop. Na een zwijgzame voortzetting van haar nadenken gaat ze luidop verder:
"Ik denk dat het zó in elkaar zit: Je vertelde dat je intieme contacten in je jeugd zich hoofdzakelijk op sexueel gebied afspeelden. Ze hadden niets met genegenheid te maken. Het zou weleens kunnen zijn dat je intiem contact bent gaan vereenzelvigen met sexueel contact. In een andere manier van uitdrukken had je geen ervaring. Daarom zocht je sexueel contact als je intimiteit wenste, ook als het eigenlijk om de uitwisseling van genegenheid ging. Spreekt deze verklaring je misschien meer aan dan die rond het alibi?"
Ik laat wat ze gezegd heeft op me inwerken. Ik herhaal inwendig haar redenering en voel geleidelijk aan een weldadige ontspanning over me komen. Het ware woord is eruit, voel ik; mijn gedrag is ten voeten uit verklaard. Niettemin is er nog een "maar."
"Maar," zeg ik dus, "vanwaar dan mijn interesse voor jou en je vriendinnen?"
"Je houdt van mooie vormen, denk ik. Die verwacht je bij ons te vinden. En als het toch iets met sexualiteit te maken moet hebben: Aan óns kun je onbekommerd voelen; een beeld reageert niet."
Ik hoop dat ze me nu in de gelegenheid zal stellen te doen wat ik op het grasveld niet durfde te doen. Ze blijft echter in zwijgen gehuld, wat me erg onzeker maakt. De behoefte om haar te voelen is immers, nu ik haar klankvolle stem heb gehoord, sterker dan een week geleden. Zou het betasten toen een nauwkeurig onderzoeken, een weetgierig bestuderen zijn geweest, gepaard aan een genieten van schoonheid, op dit ogenblik is er het verlangen om te strelen. Dit maakt de zaak er niet gemakkelijker op.

Het schiet me ineens te binnen dat ik mijn bezoekster al die tijd op een droogje heb laten zitten. Dankbaar gebruik makend van deze inval vraag ik:
"Heb je soms zin om iets te drinken? Het spijt me dat ik er niet eerder aan heb gedacht je iets aan te bieden."
"Ach, gekke jongen, hoe kom je op het idee! Ik kan toch niet drinken!"
Zo'n gek idee vind ik het zelf niet. Ik zeg:
"Je praat immers ook, nietwaar? Waarom zou je dan niet kunnen drinken?"
Daar heeft ze niet van terug. Het duurt even eer ze antwoord geeft.
"Nou ja, ik weet zelf nauwelijks wat ik wel en niet kan. Weet je dat dit de eerste keer is dat ik praat? Ik begrijp niet hoe het kan, maar je zou zeggen dat ik nooit anders heb gedaan! Lopen en zitten heb ik evenmin eerder gedaan. Vreemd, dat ik er nu pas bij stilsta. Nu ik er goed over nadenk, moet ik ...."
"Laat maar," val ik haar in de rede; "je moet er niet langer over piekeren. We doen eenvoudig of het gewoon is. Zullen we het daarop houden? Zoals wij hier zitten maakt het voor mij ook werkelijk geen verschil. Op afstand zijn mensen voor mij weinig meer dan de klank van hun stem. Alleen hun geur kan er iets aan toevoegen."
Ik heb luid gesproken om onze twijfel te overstemmen. Ik herhaal de woorden in mezelf; voel me daardoor rustiger worden. Dat effect verdwijnt echter zodra Esmiralda weer het woord neemt.
"Niettemin blijft de vraag waarom ik hier zit. Jij zult daar opheldering over moeten verschaffen, want jij hebt me laten komen."
Uit de toon waarop ze dit zegt, blijkt niets van onzekerheid omtrent haar rol in onze samenkomst. De spot die ze laat horen geeft me het gevoel dat zij het antwoord kent en dat ze weet dat ik er slechts naar kan gissen. Ik tracht tijd te winnen; zeg:
"Inderdaad, dat is de vraag die ons behoort bezig te houden."

Na deze theatraal uitgesproken woorden sta ik op en begin heen en weer te lopen. Ik verklaar:
"IJsberen pleegt bij mij het denken te vergemakkelijken; de beweging van het lopen houdt mijn gedachten gaande. Ze voorkomt dat mijn gedachten hun gerichte loop verliezen en zijwegen inslaan."
Allemaal huichelarij, beken ik mezelf. Ik weet wel wat het antwoord is. Esmiralda heb ik geroepen om haar hier op mijn gemak, zonder pottenkijkers, te kunnen betasten. Als een model heb ik haar willen bestuderen, net zo lang tot ik het gevoel zou hebben gehad dat ik haar feilloos uit klei zou kunnen namaken. Maar de koelheid die daarvoor nodig is, is niet meer in me. Haar stem en haar manier van praten hebben haar tot leven gewekt.
Op de maat van mijn voetstap hamert het in mijn hoofd: Zal ik dit, zal ik dat; zal ik dit, zal ik dat. Maar waarom zou ik me insnoeren met banden die mij in het verkeer met mensen moeten vrijwaren van misdragingen, als zij een bronzen beeld is, zo klinkt het tussen het gehamer in mijn hoofd door. Ze laat er zelf immers geen twijfel over bestaan dat ze beeld is gebleven.
Terwijl ik langs haar loop probeer ik te bespeuren of ze te ruiken is. Als ze naar brons ruikt, zo redeneer ik, kan ik mijn terughoudendheid afleggen. Ruikt ze anders, ... Ja, dan moet ik de zaak opnieuw bezien. Hoe ik ook mijn best doe de haar omringende lucht op te snuiven - waarbij ik overigens elk geluid met zorg voorkom -, niets word ik van haar gewaar. Geen geur van brons; in het geheel geen geur. Wat nu? Er moet iets gezegd worden; het zwijgen wordt onhoudbaar en maakt me het denken vrijwel onmogelijk. Ik houd mijn pas in. Met een laatste krachtsinspanning probeer ik tot een beredeneerd besluit te komen. De poging faalt. Dan maar het toeval zijn werk laten doen? Ja, ik geef me gewonnen; het toeval mag voor de zoveelste keer mijn gedrag bepalen. Mijn hersenen gaan razendsnel aan de gang. Lang behoeft dat niet te duren, want mijn werkwijze staat weldra vast. Het aantal voetstappen tot de verst verwijderde muur moet uitkomst bieden. De eerste stap zal betekenen dat ik zus doe; de tweede dat ik zo en de derde weer dat ik zus doe; enzovoorts. Zus zal inhouden dat ik Esmiralda als een beeld beschouw, terwijl zo me de opvatting zal laten aanhangen dat Esmiralda een mens is.
Aarzelend zet ik mijn linkervoet naar voren, maar dan laat ik vastbesloten de volgende stappen volgen, totdat ik mijn linkervoet tegen de plint stoot. Met schrik besef ik wat dat betekent. Geërgerd knijp ik me in de bovenarm; nu niet terugkrabbelen, lafaard! Ik draai me om en ga achter haar staan. Schijnheilig vraag ik:
"Ben je soms in slaap gevallen? Ik heb je al een tijd niets horen zeggen."
"O nee," kaatst ze meteen terug, "ik zat geduldig te wachten op wat jouw denkwerk zou opleveren."
O, die spot!, kerm ik inwendig. Als ik niet oppas, begint het getwijfel van voren af aan. Steun zoekend leg ik mijn handen op de rugleuning van haar stoel. Dan stamel ik:
"Je weet, hoe onvrij ik me voelde, toen ik jou en je vriendinnen vorige week eh ... bekeek. Hier, in mijn kamer, zou dat anders zijn. Zou je ... Vind je het goed als ik je hier ..., of zou mijn aanraking afkeer bij je oproepen, want dan zou ik ...."
Ik kan mijn zin niet afmaken. Ik kan mezelf wel voor mijn kop slaan! Wat moet ze niet van me denken! Zo spreek je toch niet tegen een beeld? Ik sta verdomme te stotteren, alsof ik .... Zo is het ook. Hoezeer ik me ook heb proberen wijs te maken dat ik enkel met een beeld en dus met een dood ding te doen heb, Esmiralda is voor mij een wezen van vlees en bloed geworden en gebleven. Terwijl ik bij haar sta, stroelt mijn bloed van opwinding en ik moet me uit alle macht bedwingen om niet tomeloos begerig mijn handen naar haar uit te strekken, teneinde haar overeind te tillen en tegen me aan te drukken. Ik veeg mijn klamme handen aan mijn broekspijpen af. Dan zegt ze:
"Ik begrijp het. Ik wist trouwens waarom je me liet komen. Dat is te zeggen ... Ik verwachtte dat je me als een kunstwerk zou gaan bezichtigen. Daar ben ik nu niet zo zeker meer van."
Ik hoor dat ze haar hoofd naar me heeft toegedraaid. Een groot vuur doorgloeit mijn lichaam. Ze vervolgt:
"Ik had er niet op gerekend dat jij je door mij zou laten opwinden, alsof ik een echt meisje was."
"Maar," breng ik bijna stemloos in het midden, "ik hoor je toch praten? Ik word je gewaar, zoals ik ieder ander gewaar word. Is het dan zo gek dat ik door jouw stem eh ... wordt beroerd?"
Het is niet helemaal waar, verwijt ik mezelf, want in haar geval kennen mijn handen de vormen en lijnen van het lichaam.
"Ik neem het je niet kwalijk," zegt ze dan, "zo moet je het niet opvatten. Ik stelde alleen maar een feit vast. Verbaast het je trouwens dat ik geen raad weet met je opwinding?"
"Nee, dat kan ik me wel voorstellen," geef ik toe. "Maar misschien valt het allemaal wel mee," vervolg ik schijnbaar luchtig. "Als ik voel dat je werkelijk van brons bent, verdwijnt mijn eh ... onrust vanzelf en behoef jij je geen zorgen meer te maken. Dan ben jij gewoon het uitgebeelde danseresje dat ik - gevoelig voor kunst als ik ben - op mijn manier bezichtig. Wat denk je daarvan?"
"Goed, kom dan maar."

Bijna misselijk van de spanning schuif ik met wankele benen in haar richting, mijn handen vooruitgestoken om niet pardoes tegen het op haar tenen staande meisje op te botsen. Voetje voor voetje nader ik haar en mijn handen ronden zich om haar hoofdje in een koesterend gebaar te kunnen omvatten. Maar juist op het ogenblik dat ik denk de laatste voorwaartse beweging te zullen maken, snerpt er een gil door mijn oren en voel ik me met een smak teruggeworpen. In een machteloos gebaar druk ik mijn handen tegen elkaar om de vleug van aanraking die erlangs is gestreken vast te houden.

***
terug naar de beginpagina van teksten van Loek Meijer
terug naar de beginpagina van de website