De vreugde van havermout


Door Willemijn

"wat doen we?"
Met een deel van mijn schaatsminnende schoonfamilie sta ik op een sloot achter de boerderij van mijn schoonouders. De jongste generatie schaatsers hebben we zojuist bij oma in de keuken afgeleverd. We hadden enorm plezier gehad met hun verwoede pogingen een grondslag te leggen voor een schaatscarrière, maar nu was het onze beurt. Het anders zo roerig volkje zou oma weinig problemen bezorgen, uitgeteld als het was door zon, kou en volhardende oefening.
"zullen we nog een klein rondje waterland?" Stelt zwager Harm voor. "Dat redden we nog makkelijk voor donker."
"ik ook?" Aarzel ik, wetend dat mijn kunstschaatsen het zullen afleggen tegen de Noren van de rest van het gezelschap.
"Tuurlijk," roepen ze in koor en om verdere discussie te verijdelen pakt mijn lief me bij de hand.

Voor iemand die, zoals ik, niets ziet is enige begeleiding op het ijs onontbeerlijk. Ze doet de eerste slagen. Automatisch ga ik mee in haar ritme. Heerlijk! Links, rechts, links, rechts. "Let op, scheur." Even houd ik mijn voeten stil. Moeiteloos glijd ik over de oneffenheid. Ze hebben gelijk; natuurlijk ga ik dit redden. De zon maakt mijn gezicht warm; van wind is nauwelijks iets te bespeuren.

Links, rechts, links rechts ....
"Remmen, er komt een brug."
Harm rijdt vooruit om te kijken of we er langs kunnen.
"Onder de brug ligt het half open, we moeten er overheen."
De brug is tamelijk hoog. Het vereist dus enige lenigheid om er op te komen. Of ik het leuk vind of niet, mijn wanten moeten uit om meer grip te krijgen op de constructie. Zwager kees geeft me een kontje. Op mijn billen schuif ik naar de overkant en laat me daar voorzichtig weer op het ijs zakken. Gelukt.

Links, rechts, links, rechts ....
"kijk, daar moeten we rechts." Wijst kees. Mijn kunstschaatsen draaien moeiteloos mee op de manoeuvre van Eva. Tegelijkertijd echter bijt een nijdige oostenwind in mijn rechterwang en mijn slagen willen niet meer zo mooi lang worden. Deze nieuwe wind vraagt om een nieuwe balans. Nauwelijks heb ik die gevonden of de sloot zorgt met een eigen kromming voor een nieuwe draai naar rechts. Nu blaast de brenger van de vorstperiode ons vol in het gezicht. Mijn slagen worden korte pasjes, mijn ademhaling versnelt.
"je moet langer profiteren van de kracht die je bij elke slag zet," instrueert Harm. Ik doe mijn best.
"Bij het volgende dorp is een koek en zoopie," moedigt Kees aan. "Daar kunnen we wel even uitrusten."

Het gevecht met de wind duurt echter voort. Af en toe is er de luwte van een wat hoger opgeschoten rietkraag of een groepje bomen langs de slootkant, maar voor het overige is er geen enkele clementie.

Dan maakt de sloot een kronkel naar links. Gelukkig, zijwind.
"andere jaren had je hier een chocotent," vertelt Harm, "maar kennelijk vinden ze het nog te vroeg om die neer te zetten."
Ik begrijp de hint: doorrijden.
"Kijk uit, scheur!"
Te laat. Pijnlijk word ik eraan herinnerd hoe hard dat ook alweer viel, ijs. Ik schuif nog enkele meters door en kom tot stilstand. Moeizaam sta ik op. Even wrijf ik knie en elleboog. Dan gaan we verder. Het ijs blijkt hier niet zo mooi als op het eerste stuk. Een tweede valpartij blijft dan ook niet uit.

Harm neemt de begeleiding over.
"je moet je voeten wat verder uit elkaar zetten als je over een scheur heen glijdt," onderwijst hij terwijl we weer een bocht richting tegenwind ingaan. "En als je wat meer voorover leunt vang je minder wind."
Dat doen we ook doordat Kees en Eva voor ons uitgaan, maar omdat hun tempo hoger ligt dan dat van ons, duurt dat genoegen niet lang.
"Als we deze sloot uit zijn krijgen we een koek en zoopie," verzekert Harm me alsof hij gedachten kan lezen. Ik vroeg me namelijk net af of er op de hele route maar ťťn zo'n lavenistent zou zijn.

links, rechts, links, rechts, Alsof er geen tegenwind bestaat en doend alsof ik soepel naast hem voortschaats, beklimt Harm zijn stokpaardje: de discussie over allerlei aspecten van het Christelijk geloof.
"waarom," zo vraagt hij zich vandaag hardop af, "houden veel mensen die met God zijn opgevoed toch zo hardnekkig vast aan dat geloof? Als je naar de wereld om je heen kijkt krijg je niet de indruk dat een liefdevolle vaderhand deze vormgeeft. Ik bedoel: een liefdevolle vader laat mijn beste vriend toch niet verongelukken, bezorgt mijn buurvrouw toch geen twee ernstig gehandicapte kinderen en laat mensen elkaar toch niet doodmaken om een verkeerd woord? En veel van die gelovigen zien in die God dan ook nog een goede reden zich over van alles druk te maken, zich in te zetten voor een rechtvaardiger wereld, een minder vervuild milieu en dat soort dingen. Snap jij dat nou?" Zo redeneert hij nog even verder, maar het lukt me niet serieus over een antwoord na te denken. "De-ze-sloot-uit," zingt het op het ritme van mijn slag door mijn hoofd. Maar wanneer is dat, vraag ik me kriegel af. Had ik toch niet beter bij de kleintjes kunnen blijven?

Links, rechts, links, rechts ....
"Kijk, daar ... Hoewel... Volgens mij is hij dicht."
Ik voel hoe mijn spieren trillen.
"Kunnen we toch niet heel even blijven staan?" Vraag ik voorzichtig.
"Nog even, verderop is het luw; dus daar staan we beter."

Gelukkig hebben we weer een bocht gemaakt; voor de verandering waait de wind nu van links. Toch rijdt dit een stuk beter dan het stuk van daarnet. We stoppen.
"Gaat het?" Vraagt Eva.
"Jawel," antwoord ik strijdvaardig, "het is hard werken, maar het lukt. Bovendien heeft je moeder met een beetje geluk de havermout klaar als we terugkomen, toch? Daar verheug ik me op."

Nu we hier zo staan, in de luwte en in het zonnetje, weet ik weer hoe heerlijk ijspret is. Intussen sta ik me te bezinnen op hetgeen Harm zojuist betoogde. Kees is echter onverbiddelijk.
"Als we hier te lang blijven staan worden we koud. Kom op. Voor het begin van de dieŽn staat een koek en zoopie."
Zou het deze keer waar zijn? Driemaal is wel scheepsrecht, maar die andere twee waren er ook niet.

Vrouwmoedig ga ik weer van start. Links, rechts, links, rechts .... Mijn schaatsen zingen over het ijs. Ik geniet.
"Kijk uit, hier kunnen we niet verder. Er ligt een enorm wak. Klunen."
Er liggen geen matten, dus mijn wanten moeten opnieuw uit, ditmaal om de beschermers om mijn schaatsen te doen. Wat zijn die ijzers allemachtig koud. Mijn handen worden er niet warmer op als ik ze ook nog nodig blijk te hebben om mijn kluuntocht te vergemakkelijken.

"Krijgen we die koek en zoopie al in zicht?" Vraag ik maar eens als we weer een stuk gevorderd zijn. Mijn handen smeken erom zich rond een warme beker te mogen vlijen.
"Eh ... nee," bekent Kees. "We zijn bijna bij het begin van de dieŽn, maar ik zie nog niets."

Links, rechts, links, rechts ...
Terwijl de anderen het mooie landschap bespreken en de steeds verder dalende zon bewonderen, probeer ik niet aan een stoel en een bak hete koffie te denken.

Ratatatata, ratatatata.
Mijn schaatsen maken een raar, tikkend geluid; mijn voeten trillen; ik struikel en beland op de knie die toch al blauw zou worden.
"Het die is in golfjes opgevroren," legt Harm geduldig uit terwijl ik mijn knie wrijf. "Nu zitten er een beetje ribbels in."
Een beetje? Het lijkt wel een wasbord.
"Kunnen we niet afsnijden?" Vraag ik hoopvol.
"Welnee. Als we dit eenmaal gehad hebben komt er een café'tje waar je zo vanaf het ijs naar binnen kunt. Dan krijg je koffie."
"weet je het zeker?" Ik geloofde er intussen niets meer van.
"Ja, natuurlijk. café de Scheepskameel staat er al sinds jaar en dag; dus dat kan geen probleem zijn."

Ratatata, ratatata. Mijn schaatsen rammelen over het ijs, mijn voeten doen pijn van het krampachtig in balans blijven.
"Met Noren gaat dit makkelijker," merkt Kees op.
"Ja," hijg ik chagrijnig, "dat zal wel, maar die heb ik nu niet."
"Misschien zou je het eens op Noren moeten proberen. Je hebt tegenwoordig ...."
Kees doet zijn best op een afleidend praatje, maar intussen blijft het in mijn hoofd hameren: "waarom doe ik dit? Ik kan niet meer verder. Mijn voeten doen zeer." Maar dan is er dat andere stemmetje. "als je dit gehad hebt, is er koffie. En misschien is er als we thuiskomen havermout. Lekker, met veel bruine suiker." Dan moet ik grinniken om mijzelf. Alle tegenvallers ten spijt blijf ik kennelijk geloven in de woorden van mijn tochtgenoten die stug volhouden dat er ergens onderweg een koek en zoopie moet staan en dat mijn schoonmoeder zeker een pan havermout op het vuur zal hebben als we thuiskomen.
Ratatata, ratatata ...

"Jongens, even stoppen".
Gelukkig, kennelijk wil ook een ander wel even uitblazen. Harm prutst aan zijn schaats. Eva komt naast me.
"Je hebt rode wangen en ik zie glimoogjes," zegt ze blij.
"Nou, ik moet je zeggen ... Het is omdat ons zo warme havermout wacht," geef ik haar kritisch terug.
"We kunnen".

Met Eva ga ik verder. Ratatata, ratatata, en dan ineens lopen mijn schaatsen weer nagenoeg geluidloos verder. Links, rechts, links, rechts ... Het schaatsen voelt meteen weer als een klein feestje.
"Zijn we aan het eind van de dieŽn?"
"Ja hoor, je hebt het gehaald."
"En de Scheepskameel?"
"Tja, die is dicht".
De moed zakt tot ver onder mijn schaatsen. Mijn rug protesteert. Moet ik echt zonder rust verder?
"Maar," vervolgt Eva, "we schieten mooi op en bij moe krijg je zeker koffie. En havermout. Ze was al bezig een pan te koken voor de kleintjes en daar zal het vast niet bij gebleven zijn."
Alleen die wetenschap motiveert mij om verder te gaan.
Links, rechts, links, rechts ...

"kijk uit, scheur!"
Dat ik mijn voeten in de gewenste stand zet verhindert niet dat ik languit op het ijs smak. De tranen schieten me in de ogen. Klaarblijkelijk zijn de concentratie en de flexibiliteit van mijn spieren niet meer wat ze in het begin waren.
"Zie je wel, ik kan dit niet," denk ik kwaad. Maar zonder me te laten kennen krabbel ik overeind.
Kees neemt het begeleiden van Eva over. Links, rechts, links, rechts ...
"Nog effe tegen wind in om het af te leren," zegt hij monter.
Ik vecht, ik worstel. Nog driemaal struikel ik over een scheur. Slechts eenmaal leidt dit tot een echte valpartij dankzij de stevige arm van Kees. En dan zijn daar de verlossende woorden: "stoppen maar, we zijn er. Of wou je nog een rondje?" Die Kees! Altijd in voor een geintje.
We wurmen onze hoezen om de schaatsen. De achterdeuur van de boerderij is zo dichtbij dat je het klunend af kunt.

Helemaal kapot, maar ook zielstevreden en hartstikke trots op mijzelf plof ik op een keukenstoel neer. Ik heb mijn eerste echte schaatstocht volbracht.
"Heb je zin in een bordje havermout?" Vraagt mijn schoonmoeder die druk bezig is bij het gasstel.
"Graag," antwoord ik uit de grond van mijn hart.
Ook de anderen zijn wel in voor zo'n bord warm lekkers. Harm schuift naast me. We blazen op de gloeiend hete pap.
"Eigenlijk zijn jullie met z'n allen nog erger dan een dominee," zeg ik met een grijns.
"Hoezo?" Vraagt Harm.
"Of ik ben een echte die-hard gelovige," vervolg ik met de nodige zelfspot. "Jullie bleven het me voorhouden. Een plek om te rusten, koffie, havermout. Vooral de eerste twee bleken lang een illusie. Maar ondertussen hield ik hoop, bleef ik er blind in geloven en motiveerde het me mijn schaatstocht redelijk monter voort te zetten. Zo hardnekkig kunnen geloof en vertrouwen dus zijn. Kun je nagaan hoeveel er nodig is om je af te brengen van het Geloof met hoofdletters dat je van jongsaf is voorgehouden en voorgeleefd. En wat een kracht dat kan geven om door te gaan en vol te houden op een eenmaal ingeslagen weg.
"Tja," antwoordt Harm bedachtzaam. "Misschien ..." Hij neemt een flinke hap van zijn pap.
We zullen nog heel wat afdiscussiŽren over dit en aanverwante onderwerpen.

***
terug naar de beginpagina van podium
terug naar de beginpagina van de website