Onze oorlog


Hanneke/Hannes

Twee zusjes die veel samen waren,
ook de dag dat die splinterbom daar viel.
Het Ene kon nadien slechts staren;
't and're ontvlood smart'lijk huilend de ziel.

Ze had bij vertrek de moeder bezworen:
"hij vindt m'alleen als mijn naam erop staat",
terwijl de jongste goed dacht te scoren
met de uitspraak dat onkruid niet vergaat.

Zij stonden zo overmoedig in het leven
vol hoop op veel moois in het verschiet.
Wat heeft zij gemist, is haar bespaard gebleven?
zij die achterbleef, zij weet het niet.


Mijn vader was beroepsmilitair en werkzaam op het Ministerie, toen op 10 mei 1940 de oorlog uitbrak. Het was stralend weer en ik was die ochtend in de duinen nog zand gaan halen voor de kattenbak. Wij woonden op Scheveningen-Duindorp. 'Wij' waren mijn ouders, oudste zus Riet, middelste zusje Hanneke en ik, door moeder aangeduid met Dreimädlhaus of ook wel haar 'rij-tuig'.

Na de overgave op 14 mei was onze school op het IJsvogelplein in beslag genomen. Zolang dit duurde moesten wij naar het Nachtegaalplein en die school met de eigen leerlingen delen door afwisselend wekelijks 's morgens en 's middags les te krijgen. De weg daarheen voerde voor de Duindorpers door de Bosjes van Poot. Ik vond dat wel fijn. Ik herinner mij voornamelijk de keren dat ik er in m'n eentje liep. Zo heb ik er eens heel lang over gedaan om te proberen een lelietje der dalen uit te graven zonder één enkel haarworteltje af te breken. Dan die wintermorgen dat er in de sneeuw de voetsporen van één volwassen voorganger te zien waren en ik van de ene voetafdruk in de volgende ben gesprongen om het sneeuwdek niet verder te
verstoren tot er vanuit een zijpad een tweede spoor bijkwam.
En als ik die meneer zag lopen die zeven Schotse terriertjes had, liep ik naarstig te tellen of ze er alle zeven wel waren, terwijl de baas zelf niet op- of omkeek.

momentopname uit 1940

Die dag dat ik op school na moest blijven
en dan alleen naar huis toe gaan,
dat 'k in het bos - 't liep al tegen vijven -
toch even bij een boom bleef staan.

Ik liep altijd al wel rond te kijken,
naar bloemen en wat maar bewoog,
wolkenmassa's die gletschers gelijken;
nu keek ik langs die boom omhoog.

Zo stond ik daar een tijdje te turen
in die hoge kruin van dicht groen
en 't heeft best wel even kunnen duren
eer ik iets ontwaarde, maar toen

ontdekte ik een wereld van kleuren;
het leek net een caleidoscoop:
een wonderbaarlijk flitsend gebeuren
in die boomkruinenbiotoop.

'K zag ál vogeltjes heen en weer schieten,
in de weer met wat al hen drijft.
'K heb er stilletjes staan te genieten;
het soort herinnering dat blijft.


Toen wij op een dag voor een etmaal een jong hondje te logeren kregen en ik op straat daarmee opeens veel aanhang kreeg, heb ik Robbie onder mijn arm genomen, ben ermee naar de Bosjes gegaan en wist toen heel zeker dat ik een hondje wilde hebben: Dan kon ik maling hebben aan wisselende sympathieën van buurtkinderen en zou ik verder niemand nodig hebben. Het hele huis lag nadien vol met de fraaist uitgevoerde verlanglijstjes voor mijn tiende verjaardag met als enige wens: een hondje.
Riet had op de MULO niet erg haar best gedaan en moest voor straf in de zomervakantie van '41 een baantje nemen bij een mevrouw. Die mevrouw had een teefje en dat teefje had zich vergaloppeerd en zodoende kreeg ik in augustus Tommy, een soort pincertje: bruin met zwart, halfhangende oortjes en een links omkrullende staart. Moeder zei dat ik hem zelf moest
verzorgen en ik deed niets liever. Ik ruimde zijn uitwerpselen op en had hem best wel snel zindelijk. Het was heerlijk hem te zien komen aanhollen, blij blaffend, als moeder hem aan het begin van de straat losliet zodra ik er uit school aan het andere einde inkwam. En dan elk vrij moment met mijn Tommy naar de Bosjes, waar hij het ook fijn vond: spelen met mij en met verschillende hondenvriendjes. Eens was hij aan het snuffelen en stond ik stil te kijken, toen ik een eekhoorntje zag zitten op een knoestkromming van een boom op gezichtshoogte. Hij zat met zijn rug naar mij toe en ik sloop dichterbij. Ik ben hem tot op een 3 m kunnen naderen. Toen kwam Tommy ook en schoot hij aan de achterkant van de boom omhoog en gluurde van veel hoger naar die nare verstoorders.

Van speciaal hondenvoer hadden wij nooit gehoord en dat was er vermoedelijk ook niet. Ik was geen grote eter en deed makkelijk afstand van mijn boterhammen. Maar Riet keek wel met scheve ogen naar wat er in Tommy verdween. De rantsoenering was gekomen en uiteindelijk kwamen mijn ouders tot het besluit dat Tommy weg moest. Moeder vond een echtpaar zonder kinderen dat aan de rand van Rijswijk praktisch buiten woonde. Zij hadden boerenfamilie en genoeg te eten, dus daar kon Tommy het goed hebben. Als kind ben je fatalistisch en onderga je zulke zogenoemde onvermijdelijkheden. Hanneke en ik zijn nog een keer bij hem op bezoek geweest en Tommy is ook nog een dagje bij ons gebracht, inclusief een groot blik met voer, omdat dat echtpaar naar een bruiloft moest, en Tommy vond alles best.

Nadat de Duitsers met de aanleg van de Atlantikwall waren begonnen, wat voor ons zichtbaar werd door het afbreken van een groot deel van de bloemenbuurt en het graven van de tankgracht, moesten wij steeds verder omlopen om nog onderwijs te krijgen; wij moesten daarvoor al naar De Mient.
Uiteindelijk werd in de loop van 1943 het hele gebied achter de tankgracht geëvacueerd.
Voor het zover was, zijn Hannes en ik op een dag door de politie opgebracht. Wij moesten voor moeder een blikje schoensmeer halen in de Goudenregenstraat, dus achter de tankgracht. Die was al gegraven maar stond nog droog. Dan ga je natuurlijk niet omlopen. Op de terugweg werden wij tegengehouden door een politieagent met een meeloper (iemand met een band om zijn arm en voor zover wij wisten een NSB-er): Wij mochten niet door de tankgracht. "O". Wij liepen een stukje langs de gracht een zijstraat in en hielden ons een tijdje op in een portiek. Toen wij dachten dat die lui wel weg zouden zijn, doken wij alsnog de tankgracht in. Wij waren nog bezig er aan de andere kant uit te klauteren, toen die twee manhafte mannen er weer aankwamen; zij hadden ook staan wachten. Wij hollen en zij achter ons aan en de agent op zijn fluitje blazen. Hannes kreeg pijn in haar zij, dus moesten wij wel langzaam gaan lopen. Dat maakte niet echt uit, want van diverse kanten kwamen agenten aanspurten. Tjongejonge, wat een vangst. Wij werden naar een noodpolitiebureautje op de hoek van het Nachtegaalplein gebracht. Boven werden wij voorgeleid voor de baas: iemand met een Mussertgezicht. Wij moesten onze namen opgeven en de man schreef alles verkeerd, althans de naam van mijn vader en de tweede naam van Hannes: Hij schreef Meindertje met een lange ij, dus moest Hannes hem verbeteren. Toen ik aan de beurt was, zei ik er maar gelijk bij dat er achter Edith een 'h' moest en toen stonden wij te boek.
"Wat nu", werd gevraagd. "U wilt zeker dat wij ons excuus aanbieden en dat doen we niet", zei ik. En toen werd Hannes naar huis gestuurd en moest ik blijven. Dat vond ik niet echt leuk, maar ik wist dat Hannes op mij zou wachten en heb geen krimp gegeven. Toen zij mij uiteindelijk lieten gaan, trof ik Hannes op de trap gezellig grapjes zitten maken met een paar aardige agenten en bezig aan hen uit te leggen dat het merk van de schoensmeer 'Darling' het Engels voor schat was.
Bij het horen van ons avontuur werd moeder erg verontrust; zij was toch al steeds bang dat er huiszoeking zou komen en Siki had een zakpistooltje min of meer open en bloot op een schapje onder een tafelblad liggen. Huiszoekingen waren erop gericht verborgen radio's en koper en zilver te vinden. Ons koper en zilver plus dat van onze buren had ik verstopt in het zand onder onze vloer. Met een schemerlamp zonder kap aan een lang snoer door het kruipgat was ik als 'stopnaald' de aangewezen persoon voor zo'n klusje.
Begin oktober moest ik het allemaal weer opgraven, toen ons werd aangezegd dat wij binnen 2 maal 24 uur Duindorp uit moesten.
Aangezien een aantal Duindorpers nergens heen konden, mochten die tijdelijk een huis in het reeds door de oorspronkelijke bewoners verlaten Belgisch Park betrekken. Wij kregen als verhuiswagen een paard en wagen toegewezen en dat arme dier moest drie keer op en neer om onze bullen over te brengen; daar was ook een zware piano bij. Met de laatste rit mocht ik meerijden op de bok, met Loekie, ons jonge poesje, in mijn armen. Het was een heel groot huis en wij vonden het wel chique, maar de volgende morgen was Loekie heel raar. Hij liep overal tegenop en poepte bloed. Vermoedelijk had er ergens rattengif gelegen dat hij had opgegeten; 's avonds was arme Loekie dood.

Hanneke werd meestentijds Hannes genoemd. Zij vond dat waarschijnlijk niet fijn; dacht misschien dat Hanneke te lang was en had zich, toen zij naar de Mulo ging, als Hannie voorgesteld. Dat heeft één dag geduurd. Toen zij uit school kwam, stond ik haar aan het eind van het schoolplein op te wachten en gilde 'Han-nus".
Zo noemden wij onze vader Siki. Hij heette Sytse, maar als klein meisje had ik daar Siki van gebakken en dat is zijn verdere leven zo gebleven.

Siki had zijn baan verspeeld als gevolg van een meningsverschil met een stelletje W.A-mannen die waren komen paraderen op het sportveld waar hij met zijn clubgenoten had willen kaatsen. Een groepje van een man of 7 kwamen bij de kaatsers vragen of zij een Volk en Vaderland wilden kopen. Mijn vader antwoordde dat hij liever gewoon dood ging. De W.A-man vroeg hem of hij weleens een klap op zijn gezicht had gehad. "Nooit als eerste", zei Siki en voegde de daad bij het woord toen de man zijn vuist ophief. Die riep 'Kameraden!' en toen was het tot een handgemeen gekomen van mijn vader in zijn polohemd, maillot en gymschoenen, tegen zeven belaarsde mannen met gummistokken.
Flink gehavend was hij naar het politiebureau gebracht waar de dienstdoende agent hem een teken gaf zich in te houden tot 'de anderen' weg waren. Deze goede man had voor de oorlog vaak op wacht gestaan voor de residentie van de Koningin en had dan mijn vader op zijn fietsje voorbij zien peddelen als die tussen de middag naar huis ging om te eten.
Siki werd bij verstek tot een boete van f 75 veroordeeld, maar bovendien door zijn met de NSB sympathiserende chef op straat gezet. Hij was al te oud om nog als gijzelaar naar Duitsland te worden gestuurd en ging solliciteren naar een baan bij de Rijksbrandweer.
In het sollicitatiegesprek werd hem onder meer gevraagd naar zijn politieke overtuiging. Nu had hij vlak voor hij aan de beurt kwam gehoord dat deze topman een NSB-er was, dus had Siki al zoiets van: Deze baan kan ik afschrijven. Hij antwoordde dat hij beroepsmilitair was, trouw had gezworen aan de Koningin en ergo de Duitsers als zijn vijanden beschouwde. Laat hij nou worden aangenomen!
Dit heeft Siki altijd erg moeilijk gevonden, dat er twee soorten NSB-ers zouden zijn: hufters en de toch menselijke. Deze meneer was achteraf meer slachtoffer van een bazige en hebberige echtgenote en in wezen geen slechte kerel.
In de jaren die volgden heeft mijn vader het wel klaargespeeld om in één dag een 300 sollicitaties voor de positie van spuitgast te verwerken. Op kantoor al gooide hij die met 'sympathiserend met de Nieuwe Orde' eruit en de rest nam hij mee naar huis.
Wij droegen ook ons steentje bij. Hannes had hetzelfde mooie handschrift als Siki en hielp met het schrijfwerk en ik legde alles op alfabetische volgorde.
Zo'n sollicitatiegolf deed zich voor als een Razzia dreigde, waarbij mannen van een bepaalde leeftijd voor de Arbeitseinsatz in Duitsland zouden worden opgepakt. Spuitgasten waren daarvan vrijgesteld en al deze aanstellingen werden door voornoemde topman ondertekend.

In de loop van 1943 waren de Rijkspolitie, Rijksbrandweer en Luchtbescherming naar Nijmegen verhuisd.
Siki was meegegaan. Wij zouden volgen zodra er een woning voor ons beschikbaar kwam. De weekeinden kwam Siki naar huis.
Toen wij in die tussentijd zo ineens naar het Belgisch Park verhuisden en de afstand naar school wel erg buitensporig werd, gingen Hanneke en ik over naar een nog in de nieuwe buurt draaiende school. Nog geen week later hoorden wij dat er in Nijmegen voor ons een huis was gerequireerd en prompt de volgende dag gingen Hannes en ik dit de schooldirecteur vertellen, bedankten hem voor het genoten onderwijs en gaven onszelf zo een paar weken vrij, omdat we pas eind oktober daadwerkelijk vertrokken. Wij hebben in die tijd wel nog iets educatiefs ondernomen; zijn naar de Gevangen Poort gegaan;. Ja, stel je voor dat ons in Nijmegen daarnaar gevraagd zou worden en wij dan moesten zeggen dat wij er niets van wisten. De entreeprijs was een dubbeltje. We hebben er martelwerktuigen gezien. Verder is mij alleen bijgebleven dat Cornelis de Witt gezegd zou hebben dat wat er niet in zit, er niet uit kan komen.

Wij waren tot dan toe kustbewoners geweest, 's zomers bij goed weer dagelijks naar het strand gegaan en een paar keer naar Harlingen, waar onze grootouders woonden; dus altijd uitzicht op zee. Toen wij naar Nijmegen zouden, vroeg ik Siki of je over de Waal kon heenkijken.
Op school had ik geleerd dat de Rijn bij Lobith in ons land kwam; dat die zich bij Pannerden verdeelde in Rijn en Waal en bij Westervoort de IJssel erbij kwam en dat zij deel van onze grote rivieren uitmaakten. Nou, ik moest snel kijken om de Waal te zien terwijl wij er overheen tuften. De Waalbrug vond ik wel indrukwekkend en dat was ook de reis langs de Veluwezoom met die steil oplopende bebossing. In Scheveningen hadden wij wel de duinen en De Bosjes van Poot gehad, maar die waren vertrouwd en dus gewoon. Vanaf een topje in de Bosjes van Poot kon je de zee zien en daar had ik meermalen de zonsondergang bewonderd. Daar hadden we evenwel al vrij vroeg in de oorlog niet meer op gemogen, nadat wij een keer een brandend oorlogsschip hadden gezien.

Nijmegen was overwegend katholiek en in onze straat werden wij aanvankelijk met de nek aangekeken omdat er voor ons een alleenstaande mevrouw uit haar huis had gemoeten, wij niet Katholiek waren en Siki in een brandweeruniform liep: zwart met rood, de NSB-kleuren. Gelukkig trok die achterdocht gauw bij en toen het had gesneeuwd, namen Hannes en ik vol overgave deel aan sneeuwbalgevechten. Ik presteerde het van vrij grote afstand een bal pal tegen het oor van een van de jongens te mikken.
Ik kon best goed en ver gooien. Niet zo goed als Hannes natuurlijk, maar goed genoeg om ook al in Duindorp met Hannes en de grote jongens te mogen meedoen. Daar kwam misschien bij dat ik makkelijk op daken klauterde om, zo nodig, de bal terug te halen. Ik kon ook met drie ballen ballen; voor vier waren mijn handen te klein.

Onze nieuwe school op de Driehuizerweg was een behoorlijk stief kwartierke gaans en onderweg vormde zich dagelijks een groepje van zo'n zes scholieren uit mijn klas, de eerste Mulo. Hannes zat in de tweede. Zij had het jaar ervoor praktisch uitsluitend boeken gelezen en was blijven zitten. Zij was met haar 14 jaar (op 18 januari werd zij 15) behoorlijk flink en voelde zich in haar klas met de jongere en overwegend tengerder bezetting, niet prettig.
Zij bewerkte Siki met het argument dat zij met een opleiding bij Schoevers en een naaicursus veel beter op de praktijk zou worden voorbereid. Siki redeneerde dat een kind dat met tegenzin naar school gaat, niet veel zal opnemen en stemde toe.
Hannes maakte zich ook nog nuttig door na de naailes in de Broerestraat naar een invalide mevrouw dichtbij de Waalbrug te gaan en haar met van alles te helpen. Zij kreeg daar wat broodbonnen voor, waarmee wij samen namaaktaartjes kochten. Ik bracht het geld in dat ik verdiende met voor moeder aardappels te halen: 1 cent voor elk thuisgebracht kilo. Daar aardappelen wel ons hoofdvoedsel uitmaakte en er zo'n 7 kilo per dag doorging, vergaarde ik zo best wat. Grootste afnemer van de piepers was Riet, die een baan had gekregen bij de Luchtbescherming die, samen met de Rijkspolitie en -brandweer was ondergebracht in de St. Annastichting aan de Groesbeekseweg.

Nog even terug naar Duindorp.
Wij hadden vroeger nooit vlees gegeten, omdat moeder meende begrepen te hebben dat er in vlees ook minder goede bestanddelen zitten. Wij kregen wel vis: drie keer in de week, ook in de vorm van zure haring met uitjes die Siki netjes op mijn boterham drappeerde: een stukje haring op elk stukje gesneden boterham.
Ook moesten wij spinaziewater drinken. In die tijd werd de groente in volop water gekookt en moeder vond het zonde dat de daarin verzeilde vitaminen verloren zouden gaan. Het smaakte afschuwelijk en voor troost legde moeder een cent naast elke beker. Niet dat wij die cent mochten versnoepen; die ging regelrecht onze spaarpot in.
Toen de rantsoenering van voedsel begon, benutten wij wel alles waarop de bonnen recht gaven.
Ik weet niet hoe het is ontstaan, maar er kwam een tijd waarin ik de nieuw geldige bonnen uitzocht en de boodschappen deed. Hannes en ik gingen ook wel samen, maar ik ging over de bonnen en ik kan nu niet meer vragen hoe het zich heeft ontwikkeld dat moeder mij dit alles toevertrouwde - Ik was per slot de jongste. Misschien heb ik het zelf steeds aangeboden; zoals ik er ook een tijdlang een eer in stelde 's winters elke ochtend het fornuis op te porren of opnieuw aan te maken en Siki's havermout erop klaar te maken. En ik vond 't heel erg als het aan de gang krijgen van het vuur niet wilde lukken en moeder naar beneden kwam om het over te nemen. Verder stond ik niet zo te dringen om huishoudelijk werk te doen. Wel moesten Hannes en ik de aardappelen schrappen of schillen naar gelang van het seizoen of het soort aardappelen.
Hannes en ik hadden ook een jaar een schooltuintje aan de Tholensestraat. Wij haalden daar 9 kilo aardappelen af, tuinbonen, inclusief zwarte luis, sperzieboontjes, snijbiet, rabarber, radijs en bloemen: slaapmutsjes. Hannes en ik hadden een arbeidsverdeling. Zij was goed in mooie paadjes tussen de bedden maken. Als zij de mijne deed, ging ik de gieters water halen: Ons vak was wel het verste van de waterbak verwijderd, maar mooie paadjes leverden meer punten op.
In de zomer van '43 begonnen wij ook met zo nu en dan naar het Westland te gaan om aardappelen zonder bon te kopen. De eerste keer gingen Hannes en ik met een buurjongen mee. Daarna zijn wij samen gegaan en ook ben ik wel alleen gegaan en een keer met Geertje uit mijn klas. Geertje was een jaar ouder dan ik. Eigenlijk waren alle klasgenoten ouder omdat je op 1 september 6 jaar moest zijn om naar de Lagere School te mogen en, zo niet, een jaar moest wachten.
Het lukte niet altijd al aardappelen te kopen op adressen waar wij eerder geslaagd waren; dan moesten wij verder doorlopen, die keer met Geertje tot in de buurt van 's-Gravenzande. Daar was een boer die de piepers met handen afwoog. Wij betaalden voor 10 kilo en liepen flink te sjouwen met onze zak op de rug. Onderweg moesten wij goed oppassen geen politie of marechaussee tegen te komen, want die loerden erop ons vrachtje in beslag en dan waarschijnlijk zelf mee naar huis te nemen. Juist die keer waarschuwde een fietser ons dat verderop marechaussees onze kant uitkwamen en wij smeten onze zak ijlings langs de kant van de weg. Ze kwamen, keken en gingen voorbij. Toen wij onze zakkenwilden pakken, was die van Geertje zoek: in de sloot gegleden. Ik vond het touw en sjorde de zak uit het water. Geertje jammeren. Ik bood aan haar zak te dragen. Wij gingen door het park van het toenmalige Gesticht Ockenburg, verder door weilanden waarin wij over sloten moesten, hetzij via een plank als het een brede sloot betrof, hetzij door er overheen te springen.
Voor wij bij die slootjes kwamen, waren wij een boerderij gepasseerd en de boer zag ons zeulen en riep ons. Hij meende dat die zakken veel te zwaar voor ons waren; het was duidelijk meer dan 10 kilo geworden. Hij bood aan de hoeveelheid in twee porties te delen. Wij konden dan de volgende dag de rest komen ophalen. Fijn. Welgemoed togen wij weer op pad. Ik liep vrolijk te deinen op de smalle plank en toen wij weer een slootje moesten 'nemen', sprong ik er eerst over en zou de zakken van Geertje aanpakken. De kanten van die slootjes waren nogal ongelijk en ik moest ver reiken om de zak beet te krijgen. Mijn zak stond al naast mij, Toen die van Geertje. Zij wiebelde, ik kon niet goed houvast krijgen en stond op het punt voorover mijn evenwicht te verliezen als ik de zak vasthield, dus liet ik los: plons! Nu voelde ik mij wel verplicht weer haar natte zak te dragen en toen ik thuiskwam, was ik niet alleen tot op mijn huid toe nat maar ook was alles blauw van mijn jas. Enfin, wij hadden aardappelen en de volgen de avond zijn wij lekker luxe achterop de fiets geklommen, Geertje bij haar grote broer Piet en ik bij Siki, om de rest van ons vrachtje op te halen.

Wij hadden twee fietsen. Tegen de tijd dat wij in Nijmegen kwamen hadden die achter nog een luchtband, die je dan ook wel om de haverklap moest plakken, en om het voorwiel zaten stukken buitenband rond een tuinslang met rotanvulling. Siki was een paar keer rond Malden op speurtocht gegaan naar boeren die rogge verkochten. Die rogge lieten wij bij de molen aan de Hazekampseweg malen en het meel brachten wij bij de bakker op de hoek die er twee broodjes per dag van bakte, voor beide gezinnen elk één, zolang de voorraad strekte. Dit was Gelders, lichtbruin roggebrood.
Ik had Siki gevraagd of ik ook eens meemocht en was op moeders fiets meegereden. Die keer hadden wij 10 kilo rogge bemachtigd. Wij waren weer zowat door de voorraad heen en er moest een nieuwe poging ondernomen worden om die aan te vullen, maar het was vies weer. Siki had niet veel zin om te gaan. Ik vroeg of ik alleen mocht. Moeder keek bedenkelijk, maar gaf toe nadat ik Siki's hulp had ingeroepen. Ik weg. Het lukte niet bij de eerste adresjes, maar uiteindelijk had ik beet en wel 10 kilo! Toen ik nat maar opgetogen thuiskwam, besloot ik moeder te verrassen. Wij hadden een overdekte doorgang naast het huis en ik was gebukt voor het raam langsgegaan met de fiets schuin om die met de zak rogge daarin weg te zetten. Toen ging ik met een uitgestreken gezicht naar binnen. Ik hoefde niet echt toneel te spelen, want ik zag er verpieterd genoeg uit. Moeder was ontdaan, keek verwijtend naar Siki en zei dat je een kind daar in haar eentje ook niet op af kon sturen en tegen mij dat ik een kwartje kreeg voor mijn moeite. Mooi! Ik nog even wachten en toen stilletjes naar de poort mijn kostbare lading ophalen; niemand lette meer op mij. Ik droeg de zak in mijn armen toen ik binnenkwam en
presteerde het nog een beetje rond de tafel te huppelen. Allemaal blijde gezichten. Moeder liep mij achterna en riep dat ik voor straf nog een kwartje erbij kreeg.
Ik had 70 cent bij elkaar toen ik naar de Alberdinck Thijmstraat toog, waar een paar draai- en zweefmolens stonden. Het was somber weer en er was niemand. Ik vraag mij nu af of die exploitant blij was mij te zien, want hij moest de zweefmolen 7 keer laten draaien voor zegge en schrijve één betalende klant, maar hij liet hem draaien en echt een hele poos. Ik was in een buitenstoeltje gaan zitten en door het voorliggende stoeltje beet te pakken en daar flink aan te trekken, maakte ik nog extra buitenwaartse slingers: heerlijk!

Siki is ook wel heel vroeg in de morgen naar Beuningen gefietst waar hij een hele kist goudreinetten had kunnen kopen; die hadden wij keurig gescheiden van elkaar in de kelder op de grond gelegd en zo aten wij praktisch altijd in enigerlei vorm appel: uit 't handje, op brood, als appelmoes en in hete bliksem.
Wij hadden bonnen voor elke 14 dagen een pakje margarine per persoon. Wij kregen elk ons eigen pakje. Ik maakte 14 krasjes in het mijne. Zo had ik elke dag een afgemeten hoeveelheid voor op brood en wat door mijn middageten, en nog een extra plakje voor als wij hutspot aten. Dan steeds een klontje boter bij de laatste zoveel happen vond ik toen het summum van lekker.
Hannes en ik zijn ook een paar keer 's morgens vroeg naar een markt in de Mariënburg gegaan om daar groenten te kopen. En die zomer ben ik ook nog een keer op de fiets naar Bemmel in de Betuwe gegaan en met een mand vol kersen en een biezen koffer met aalbessen thuisgekomen. Uit de mand op de bagagedrager heb ik onderweg heerlijk kersen zitten smikkelen en het sap van de verdrukte bessen liep langs mijn benen, maar dat mocht allemaal niethinderen.

Eerder dat jaar was er de 22ste februari geweest.
Hannes was 's morgens naar haar naaicursus geweest en daarna naar mevrouw Van Dijk. Zij was op weg naar de tramhalte bij de Stevinnkerk toen het luchtalarm afging. Daar wilde zij eigenlijk niet voor gaan schuilen. Zij herinnerde zich evenwel dat zij voor onze kanarie zand moest halen en liep naar die winkel halverwege de Stikke Hezestraat, een steil aflopende straat richting Korenbeurs. De winkelier hield haar aan de praat tot het veilig weerklonk. Toen zij buiten kwam, zag zij de tram de helling afkomen en liep rustig de straat af omdat ze die toch niet kon halen. Maar onderaan de helling bleef de tram staan, achteraf doordat de stroom was uitgevallen en hij op eigen kracht de helling nog was afgereden. Hannes stapte in en keek achterom om op de Stevintoren te kijken hoe laat het was... Weg toren!
Amerikaanse vliegtuigen waren door harde wind uit de koers geraakt en misschien om niet helemaal onverrichterzake terug te keren of om van de bommenlast af te zijn, had de
gezagvoerder opdracht gegeven de lading te lossen. Bij de 50-jarige herdenking hoorde ik op de radio een piloot vertellen dat hij zich op het moment van de opdracht realiseerde dat zij zich niet meer boven Duits grondgebied bevonden, maar toen was het al te laat. Zij vlogen in een rechte lijn van het Waagplein naar het station, waardoor de Korenbeurs, gelegen in een uitwaartse lus van de tramlijn buiten schot bleef. Hannes was uit de tram gesprongen en die kant uitgehold en vandaar naar huis gelopen. Onderweg zag zij losse ledematen liggen en op een huisstoep zaten twee meisjes dicht tegen elkaar aan, die waarschijnlijk door de luchtdruk gedood waren. Van de Broerestraat met vooraan rechts V&D was niets over.

Toen het sein 'veilig' was gegeven, had onze schooldirecteur ons geraden naar huis te gaan. Ik liep al op het viaduct van de St. Annastraat toen de herrie achter mij losbarstte. Ik rende voorovergebogen (alsof dat zou helpen) het viaduct over en volgde anderen de Garage Mol in waaronder zich een grote kelder bevond. Eenmaal beneden bedacht ik dat ze misschien juist die garage wilden treffen en liep er weer even hard aan de andere kant uit en door naar huis, richting De Goffert.
Later die middag zijn Hannes en ik de stad ingegaan en hebben nog geholpen bakfietsen vol te laden met huisraad uit huizen die dreigden vlam te vatten. Boven de stad was één lange vuurbaan, verderop overgaand in een brede zwarte. Op de achtergrond van de straat waarin wij doende waren, zag ik één grote vuurzee van een of ander gebouw, met boven onze hoofden vonken die overwaaiden van een in de wind wapperend vitragegordijntje.

Mijn vader was met een brandweerauto meegereden en concludeerde, toen zij langs Schoevers reden dat op de Kronenburgersingel bijna als enig gebouw nog overeind stond, dat Hanneke veilig was. Zij was daar die dag helemaal niet geweest, maar ze was toen wel de dans ontsprongen.

Nadien volgden wij onze schoollessen bij mensen aan huis, onder andere in het huis van Tootje de Haan en dat van een van de leraren. Zo brak de zomervakantie aan: ik was over.

In die zomer van '44 was ik getuige van het in beslag nemen van akelig veel honden. Dit vond plaats op het oude N.E.C.-terrein aan de Hazekampseweg. Veel geblaf en gejank en allemaal huilende vrouwen en kinderen, uitgezonderd die van wie de hond werd afgekeurd. Ik ben er niet achtergekomen waarom sommige honden als onbruikbaar werden afgewezen; er werd gemompeld dat de dieren zouden worden ingezet om vermeende mijnenvelden te doorkruisen. Het was allemaal heel triest en het was nog wel zulk mooi weer.

Dat wij een kanarie hadden kwam doordat er eentje in de evacuatieperiode bij ons was komen binnenvliegen. Van een kennis kregen wij een kooitje waarin Piet zich goed voelde, want hij floot naar hartelust. Piet verhuisde mee naar Nijmegen en daar heeft Siki hem opgerookt. Siki was een verstokte roker en je kon hem geen groter plezier doen dan een sigaret voor hem te versieren. Ik kan mij herinneren dat ik er voor zijn verjaardag eentje 'zwart' voor 3 dubbeltjes heb kunnen kopen.
Tijdens zijn omzwervingen op zoek naar rogge kwam hij bij iemand die kanaries kweekte en onze Piet had niet lang daarvoor ondanks zijn mooie zingen een ei gelegd. In ruil voor Pietje kreeg Siki tabak en tabaksplantjes.
De tuinen achter ons blok van drie huizen onder één dak waren niet zo diep als de andere vanwege een loods. In ons tuintje stond naast een schuurtje een mooie kastanjeboom. Op het resterende deel heb ik toen tabak verbouwd omringd door tomatenplanten. Alles deed het goed en toen er kon worden geoogst, heb ik de tabaksbladeren allemaal keurig aan touwtjes geregen en op zolder te drogen gehangen. Op deskundige aanwijzing heb ik ook een deel van de gesneden tabak op een laag gaspitje met aardappelschillen geprobeerd te 'fermenteren'. En ik heb een min of meer ronde sigaar gefabriceerd. Geen idee hoe het smaakte, maar Siki was blij met alles op rookgebied.
In die vakantie ben ik ook ettelijke malen helemaal naar het sanatorium Dekkerswald in Groesbeek gelopen om er in het omliggende bos bosbessen te plukken. Ik moest daarvoor een kaart van f.1 kopen. Er waren Groesbeekse meisjes die mij onvriendelijk aankeken, vermoedelijk omdat zij in mij een concurrent zagen. Nou, nauwelijks. Zij plukten razendsnel; hadden steeds beet zonder ogenschijnlijk de bessen te hoeven zien, terwijl ik moeizaam er een ik weet niet hoe lang over deed om een beschuitbus vol te krijgen. Op weg naar huis hipte een keer een eekhoorntje in de boomtoppen langs de Groesbeekseweg een heel eind met mij mee. Ik wipte dan ook bij Siki binnen; dat mocht zomaar. De lol daarvan was ook dat ik dan Hannes thuis kon opbellen. Die verdreven mevrouw had haar telefoon aangehouden, in afwachting van betere tijden: nr. 21131. Wij mochten die natuurlijk niet gebruiken, maar opgebeld worden kon wel. Het toestel stond opgeborgen op de eerste plank in de kamerkast en ik zie Hannes voor mij zoals zij dan voor de kast op haar hurken met mij zat te praten.

Samen zijn Hannes en ik meermalen ook helemaal naar Berg en Dal gelopen. Het was daar erg mooi met die glooiende rogge- en havervelden tussen bosgedeelten. Ik vond het zo machtig mooi dat ik eens de opwelling niet kon weerstaan er met uitgespreide armen in te rennen en mij in de rijpe rogge te laten vallen. Eén keer konden wij ons het trammetje erheen veroorloven dat rond de 'berg' reed. Dan ga je eerst onder de spoorbrug door waar je een ronde later overheen rijdt. Het was ook in Berg en Dal dat Hannes een afspraakje had met een jongen van school; ze wou wel dat ik meeging. Die Jan had een aardig gezicht en heeft een soort bergstok voor mij gesneden met een spiraal van verwijderde bast.
Ik moest natuurlijk aan de grens wel even één voet door het prikkeldraad steken om te kunnen zeggen dat ik voet op Duitse bodem had gezet.

In Duindorp gingen wij 's zomers altijd naar het strand en speelden veel in de voorzeetjes. Ik liep dan op mijn handen met mijn benen drijvend achter mij aan; dat noemde ik zwemmen.
In Nijmegen heb ik leren zwemmen in het Sportfondsenbad. Ik was met Joke, een meisje van school, meegegaan en zij hield in het ondiepe een paar keer haar hand onder mijn kin, zei mij wat ik doen moest en liet 't mij toen verder maar uitzoeken. Met afkijken en elkaar nazitten leert het best snel.
Op een mooie dag ben ik toen in m'n eentje naar het Maas/Waalkanaal gelopen. Ik had mijn badpak onder mijn kleren aangetrokken en toen ik het had gevonden en langs de kant ging zwemmen, ontdekte ik aan de overkant kinderen uit mijn straat. Zij spoorden mij aan over te komen en dat heb ik toen maar gewaagd. Toen was ik wel volleerd.
Een volgende keer troonde ik Hannes mee. Die vroeg steeds of het nog ver was. Het was ook best wel een eind, maar uiteindelijk zei ik dat we al over de helft waren terwijl we er in feite al bijna waren: nog een pad langs een kerk volgen en daar lag het Kanaal voor ons.
Ik heb daar toen enorm genoten. De sport was om op voorbijvarende sleepaken te klauteren en daar dan vanaf te duiken. De eerste keer schrok ik even. In het Bad had ik altijd ook onder water mijn ogen open. Toen ik dat in het Kanaalwater deed, was dat groen.

September kwam. Op weer een stralende zondag, de 17e september 1944, zagen wij de vliegtuigen komen. Ze vlogen ten zuiden van de stad richting Groesbeek. Hannes zat op het balkon op de eerste verdieping een briefaan haar vriendinnetje Tini te schrijven en ik klom uit het zolderraam en zat vanuit de dakgoot alles te bekijken. Op een gegeven moment raakte één toestel in brand en nadat het een neusduik had genomen, zag ik een paar kleine figuurtjes aan parachutes naar beneden dwarrelen. Op die dag landden de Amerikanen in Groesbeek en de Engelsen bij Arnhem-Oosterbeek.
Wij wisten niet precies wat er gebeurde; toch viste ik alvast onze vlag uit de kast en hing die buiten. Buren waarschuwden mij dat het daarvoor nog te vroeg was en dat vond ik wel jammer. De strijd om Nijmegen duurde vier dagen, voornamelijk in de buurt van de Waalbrug. Een verzetsman, Jan van Hoof, heeft de lontdraden van de dynamietlading onder de brug kunnen doorknippen en daarmee de brug gered. Zelf heeft hij de oorlog niet overleefd.
Er hadden zich tot het laatst nog Duitse soldaten in de Valkhof verschanst. Nadat die waren overmeesterd, waren wij bevrijd!
Vanuit Brabant volgden Canadeze en Britseeenheden, welke laatste hun artilleriegeschut op de Goffert opstelde. Dat was feest. Hannes en ik konden op de jongens ons school-Engels uitproberen. Wij accepteerden aangeboden sigaretten en rookten die - net als zij - half op. Alleen stopten wij de overgebleven helften in onze zak voor Siki. Ja, want iets vragen mochten wij niet van moeder.
Wij zijn er ook op een avond bijgeweest dat de luchtafweer in actie kwam. Eerst de zoeklichten die zigzagden tot zij in een kruispunt een glinstering vingen en dan het afweergeschut, de 'ac-ac', (zoals zij dat noemden. Het gaf een ontzettend lawaai en je zag de granaten als het ware als een baan sterretjes de lucht in gaan. Ik weet het niet zeker meer, maar er staat mij bij dat het rode en witte lichtpuntjes waren; dat kan niet kloppen, lijkt mij. Zij hebben het doel toen niet geraakt.
Ik was helemaal niet bang, terwijl wij het in voorgaande jaren in Duindorp altijd wel eng hadden gevonden als de Duitse zoeklichten probeerden de Tommy-bommenwerpers te vinden als die op weg naar en van Duitsland overkwamen. Er is toen op een nacht een bom bij de zendmasten in de duinen neergekomen.

Drie soldaten kwamen 's avonds bij ons thuis. Dat was erg gezellig. Een buurmeisje speelde banjo en de soldaten bespeelden papier over kammetjes en dan zongen en leerden zij ons hun liedjes en wij zongen de onze. Er was een Schotse Douglas, een Douglas uit Wales en een kleine Bertie uit Cornwal. Zij waren het gekst op ons 'Tabé nonja'.
Er was geen sprake van naar school gaan en daarom gingen Hannes en ik 's morgens naar de Goffert om ons geluk op iets lekkers of sigaretten te beproeven en ons Engels te oefenen. Hannes was verliefd geworden op de Welsh Dougy (hij was 19 jaar), maar Riet moest dat zo nodig verzieken door haar te vertellen dat hij in Wales al een meisje had. Dit was op 27 september.
Op de morgen van donderdag de 28ste gingen Hannes en ik eerst nieuwe bonkaarten halen. Op weg daarheen viel er plotseling ergens een bom. Twee nonnen die voor ons liepen, gingen langs een voortuinmuurtje op de grond liggen; dat vonden wij erg grappig. Eenmaal weer thuis, haalden wij een goudreinet uit de kelder en vertrokken naar de Goffert. Moeder keek zorgelijk; wilde ons liever thuis houden, maar Hannes zei dat een bom haar alleen zou vinden als haar naam erop stond en ik deed een duit in 't zakje door, achteruit huppelend, haar te verzekeren dat onkruid niet vergaat. Zo gingen wij heen. Hannes bewaarde haar appel voor Dougy, maar ik liep lekker van de mijne te happen. Wij waren op de Hazekampseweg net de Wolfstraat overgestoken, toen het gebeurde. Ik geloof dat ik eigenlijk geen geluid heb gehoord, maar op slag zag ik niets meer en voelde een hevige pijn in mijn ogen. Ik bleef staan en voelde met mijn lege hand mijn gezicht: Mijn linkeroog was hol en kleverig nat; mijn rechteroog was zo bol dat ik er mijn hand amper overheen kon leggen. Onderwijl had ik Hannes horen vallen. Ik draaide mij om en wilde naar huis, maar besefte dat dit niet kon. Toen ben ik maar gaan liggen. Ik steunde zo'n beetje op mijn rechteronderarm, nog steeds mijn goudreinet in mijn linkerhand houdend. Toen kwamen er soldatenkistjes aanhollen.
Op het N.E.C.-terrein stonden Rode Kruis-auto's, dus hulp was nabij. Iemand bond een dik verband over mijn ogen, waarmee mijn neus ook werd bedekt. Toen werd ik opgetild en weggedragen. Juist toen begon Hannes te huilen en het werd rauwer en akeliger naarmate ik verder bij haar vandaan raakte. Het geluid is mij nog lang bijgebleven. Mijn aandacht werd intussen opgeëist door het schokkende lopen van de soldaat over het gras. Ik overwoog wat ik met mijn restant appel zou doen: laten vallen? Zou die soldaat er dan niet over struikelen? Toch maar loslaten.
Ik werd in een grote auto geschoven, waarin nog iemand heel erg lag te reutelen. Dat was heel naar om aan te horen. Daarom stak ik één vinger in mijn oor aan de kant waar hij lag en Met mijn rechtervingers duwde ik het verband wat omhoog om beter te kunnen ademen. Met dat ik daar zo lag en de auto was gaan rijden, voelde ik dat ze mijn linkersok overlangs gingen doorknippen. Wat nou! Mijn mooie sokken! Die had moeder gebreid: wit met oranje sterretjes erop. Ik begreep niet waarom ze dat deden. Het rijden verliep hortend en na een voor mijn gevoel lange tijd stopten zij en werd ik een hol klinkend gebouw in gedragen. Ik nam zomaar aan dat het de school beneden aan onze straat zou zijn; achteraf heb ik gehoord dat het het Jonkerbos was dat als militair hospitaal was ingericht. De reutelende man werd ook binnengebracht, maar die lag nu gelukkig verder bij mij vandaan. Er kwam iemand mijn pols voelen. Hij boog zich over mij heen en vroeg: "Catholic?" Nou had ik toch pijn in mijn hoofd en in plaats dat ik dan 'no' of 'nee' zei, schudde ik mijn hoofd. Hij weg. Lag ik daar weer alleen. Toen kwam er een Nederlands meisje met een koele hand ook mijn pols voelen. Ik greep haar hand en wilde die niet loslaten. Dat hielp niet; het moest toch. Op een gegeven ogenblik reed ik weer in een truck en werd ik naar het Caniciusziekenhuis gebracht, naar later bleek. Ik werd op een karretje overgeladen en door een jongen met de lift naar boven gebracht. Amper in een kamertje begon een zuster mij uit te kleden, terwijl ik dacht dat die jongen er nog was. Dit moet 's middags rond 4 uur geweest zijn en de bom was even na elven neergekomen. Ik bleek ook een gipsverband om mijn linkeronderbeen te hebben. Ik ben dus voor een deel van de tijd niet bij geweest.
Weer later kwamen mijn ouders. Ik vroeg moeder hoe het met Hannes was. Zij antwoordde dat zij ook in het ziekenhuis lag. Ik vroeg niet verder. De volgende dag kwamen zij en opnieuw vroeg ik hoe het met Hannes was. Toen vertelde moeder dat Hannes dood was. Ik schrok daar niet van en zei dat ik dat wel gedacht had.

Die bewuste donderdag zijn er in heel de stad een groot aantal van die splinterbommen afgeworpen. Zij werden aangevoerd in motorloze vliegtuigjes die net over de grens waren opgestegen.
Net voor of na die die bij ons was neergekomen,
waren er twee in onze straat gevallen.
Moeder stond in de achterkamer en zag de ruiten in de voorkamer zich bollen en barsten. Er kwam ook een scherf op één van de stoelen terecht. Eén van de bommen was op een tuinhekje terechtgekomen waarnaast de bewoonster het straatje aan het vegen was en haar man, die voor het raam had staan toekijken, was dermate gewond dat hij later op de dag ook overleed. Moeder heeft nog hun overstuur nichtje naar haar klooster in de Groenestraat teruggebracht. Toen zat zij te wachten op onze thuiskomst voor het middageten; wij kwamen niet opdagen. Zij wist niet goed of zij boos moest worden of zich zorgen maken over ons wegblijven. Wel groeide haar onrust naarmate de tijd verstreek. Siki kwam vroeg thuis. Hij was met collega Willem meegereden. Siki stond nogal jolig de kapotte ruiten te bekijken. Moeder kwam erbij en vertelde dat wij er nog steeds niet waren. Op dat moment kwam een overbuurman naar hen toe. Hij had een scherf in zijn arm gekregen en was naar het Caniciusziekenhuis gegaan en nu meende hij - hij wist het niet zeker - dat hij daar Hanneke had gezien. Willem reed mijn ouders erheen en daar vonden zij inderdaad Hanneke. Zij lag onder een deken met alleen haar gezicht zichtbaar. Dat was gaaf met enkel een klein bloedvlekje. Mijn ouders hebben nooit officieel te horen gekregen waaraan zij is overleden. In onze straat werd verteld dat ik dood was en dat Hanneke blind was en een been kwijt. In feite was ik blind en was er een scherf door mijn enkel gegaan. Bij Hannes schijnt een knie te zijn verbrijzeld en had zij een wond in haar zij. Ik had ook een scherf op mijn heupbot gekregen; er zat een gat van aflopende grootte in mijn jas, jurk en ondergoed. Bij mij was de scherf afgeketst, maar voor Hanneke was een en ander fataal geweest. Ik weet dat zij niet op slag dood was. Over hoe lang zij nog bij bewustzijn is gebleven en in welk stadium zij naar het ziekenhuis is vervoerd, tasten wij in het duister.

Nadat mijn ouders Hanneke zo hadden aangetroffen, rees de vraag waar ik was. Men adviseerde hun naar de Garage Mol te gaan; daar werden de verminkte lijkenheengebracht. Willem reed hen ook daarheen. - Wat een zegen bij alle ellende dat hij er was. Mijn ouders liepen langs de rijen, op zoek naar een meisje met een blauwe jas en een zalmkleurige jurk eronder (Die had Hanneke voor mij gemaakt). Toen ze al zo'n driekwart hadden afgelegd, kwamen er twee padvindertjes aanhollen. Hijgend vertelden zij dat ik in het ziekenhuis was binnengebracht. Daar troffen zij mij toen aan met ingepakte ogen.

Toen ik pas in het ziekenhuis lag, moest ik op zeker moment naar de WC en ik probeerde mij in de geest te oriënteren hoe ik zou moeten lopen om daar te komen, alsof ik thuis was. Ik liet mij uit bed zakken; verder ben ik niet gekomen. Ik voelde dat ik niet goed op mijn linkervoet kon staan en voordat ik daar een oplossing voor had kunnen bedenken, werd ik in mijn bed teruggeduwd. Ik moest dus op de po. Op een avond zat ik op zo'n ding en wilde eraf. Op mijn roepen kwam niemand. Mijn twee kamergenoten zeiden niets. Ik hoorde op de gang wel een belletje klingelen, maar had geen notie wat dat betekende. Het belletje kwam dichterbij. Ik had besloten mijzelf te helpen; nam de po in mijn handen en wilde die op de grond zetten. Ik hing voorover uit bed, wat een onaangename druk achter mijn ogen veroorzaakte, maar ik moest nu wel doorzetten. Alleen, er kwam maar geen vloer. Op dat moment kwam het belletje binnen, gaf mij een duw en toen heb ik de po maar losgelaten. Bleek dat er een priester in aantocht was om aan mijn mede-patiënten de communie uit te reiken. Dat moet je maar weten.

Elke avond als het tegen bezoekuur liep en ik beneden de mensen op het grind hoorde lopen, weerklonken praktisch gelijktijdig Siki's voetstappen op de trap, om even later altijd als eerste binnen te komen. Op de zondagen kwamen de boys mee op bezoek. Maar op de zondagen was het ook vaak prijs dat er ergens een zware bom neerkwam. Ik had mijn ouders bezworen dat zij in de kelder moesten gaan slapen, want ik was goed bang geworden.
Op één zo'n zondag was er 's morgens weer een bom in de buurt gevallen en daarna lag ik vol angstig ongeduld het bezoekuur af te wachten. Toen het bezoek al binnenkwam, was Siki er nog niet. Mijn zenuwen waren tot het uiterste gespannen. Toen kwam hij er, tot mijn onmetelijke opluchting, hijgend en wel aan. Door het wachten op de boys werd het later dan anders, tot Siki besefte dat hij niet op tijd zou komen en toen vooruitgesneld was.

Naast die wekelijkse bommen gierden er ook elke nacht granaten vanuit Duitsland over ons heen. Ik vermoed dat daarmee mijn slechte slapen is begonnen, want ik kon geen rust vinden. Als ik dan van pure vermoeidheid na tweeën in slaap viel, werden wij al om 4 uur weer gewekt door de nachtzuster om ons gereed te maken voor de dagzuster kwam.
Na een week of wat zijn de patiënten van boven toch maar naar beneden verkast. Ik lag toen op een gang niet ver van de hoofdingang. Op een nacht sloegen drie granaten in. Men zei dat de hoofdingang half was weggeslagen. Ik wist niet wat er allemaal gebeurde en was doodsbang.
Er stond zo'n leesplank op wielen over mijn voeteneind geparkeerd, wist ik, en dat trok ik naar mij toe om het boven mijn hoofd te plaatsen. Daarmee zwiepte ik een vaas bloemen van het kastje tussen twee bedden: nog meer scherven; ik had 't niet meer. Toen begon Jansje in het bed naast mij te grinniken: "Joh, Edith, het is om je rot te lachen. Daar kwam net Dr. De Rooi voorbij in zijn pyjama en zuster Immaculata ziet er zo zot uit!" Van pure zenuwen begon ik ook te lachen. Mijn eenzaamheid was doorbroken en er kwamen geen granaten meer.

Na een week in het ziekenhuis hoorde ik op een morgen dat ik naar de polykliniek moest. Ik wist niet wat dat was. Daar kreeg ik toen drie afschuwelijke prikken in mijn linkeroogkas en werd die 'getoiletteerd' of geschikt gemaakt voor een prothese.
Na nog een week moest ik weer ergens heen. Een aardige meneer schoof mij in een grote stellage en liet het bovenstuk langzaam op mijn neus zakken. Ik vroeg hem of dat de bedoeling was en hij zei van niet en bracht het ding iets omhoog. Hij vroeg hoe oud ik was. Ik zei 13 en hij vond mij erg flink en ik snapte niet waar dat nou weer op sloeg. Hij moest een Röntgenfoto van mijn rechteroog maken. Toen dat klaar was, heb ik heel lang op de gang gelegen: Zuster Angelberta was mij vergeten.
Een dag of wat later had ik 's avonds een boterham met stroop gekregen en die wou er wel in. Tot dan toe had ik niets lekker gevonden en al helemaal niet die vieze tappiocapap. De volgende morgen kreeg ik zowaar weer een boterham met stroop. Die werd in stukjes gesneden op een bord op mijn borst gezet en dan kon ik het zelf opeten. Net had ik het eerste stukje in mijn mond gestopt, toen Zuster Krijna (het enige nare mens in het ziekenhuis) op mij afstoof met "Foei Edith, je weet dat je nuchter moet blijven". Nou ik wist van niks, Ik was zo verontwaardigd dat ik het stukje brood weer uit mijn mond nam en op het bord teruglegde, dat ogenblikkelijk, met lekkere boterham, werd weggegrist. Toen hoorde ik op de gang zeggen dat ik weer naar de polykliniek moest, en deze keer wist ik maar al te goed wat datinhield. Zuster Krijne kwam mij een prik in mijn been geven en ik vroeg waarom. "Je hebt een scherf achter je oog en die moet eruit."
Zo, dat wist ik dan. In die afgelopen tijd had ik weleens zachtjes liggen huilen. Als een zuster dit merkte, zei ze: "Je mag niet huilen; dat is slecht voor je ogen".
Ik had ook wel gevraagd wanneer ik weer zou kunnen zien en dan had men gezegd dat mijn ene oog niet meer goed kon komen, maar het andere wel. Ik vond dat best. En nu dit. Ik kreeg een doekje om mijn hoofd gebonden en een sok aan mijn goede been; dat was de eerste keer allemaal niet geweest. Ik ben zo'n beetje door het lint gegaan, want de hele rit naar de Operatiekamer ging ik tekeer. Zuster Donders bracht mij erheen en zij was juist wel aardig, maar dat hielp toen niet. Zij was het die steeds kwam vragen hoe de toestand rond Tilburg was, waar haar ouders woonden, omdat ik een koptelefoontje had gekregen waarmee ik naar de radio kon luisteren.
De operatiezuster vroeg ik of ik iets mocht drinken omdat ik zo'n dorst had, maar nuchter blijven houdt ook in niets drinken. Bovendien was die droge mond het gevolg van die dikke-naaldprik in mijn been, opdat ik tijdens de operatie geen last van speeksel in mijn keel zou krijgen. Ik werd op de operatietafel getild en toen werden mijn polsen vastgebonden en een band strak over mijn bovenbenen getrokken. Met die verankerde polzen had ik geen probleem, maar vanwege mijn holle rug houd ik het niet lang vol zo met gestrekte benen te liggen. Ik schijn nogal stellig gezegd te hebben dat die band eraf moest, want dat deden ze.
Toen kwam het schrikbeeld van die verdovingsprikken weer in volle hevigheid op mij af en ik vroeg of ik dan niet helemaal weggemaakt kon worden. Dat mocht en ik kreeg een kapje op. Dan moet je diep ademhalen en tellen. Nu was ik erg gespannen - en toch al een praatsigaar - dat ik onderbrak steeds mijn tellen met vragen over wat er stond te gebeuren. Op een gegeven moment kreeg ik pijn in mijn borst en een heel zwaar hoofd: ik kon mijn hoofd geen centimetertje optillen. Ik riep dat ik dood ging en prompt werd het kapje afgenomen. De pijn trok weg, en toen kreeg ik 't weer benauwd over die prikken en wilde het kapje terughebben. Dat kreeg ik en ik begon weer dapper te tellen. "Wat is de dokter aan het doen?, vroeg ik. "Zijn handen wassen, maar je moet tellen". O ja. Nou, ik was intussen al drie keer bij 29 begonnen, dus ging ik nu maar vanaf 39 verder. Toen werd het kapje weer afgenomen en ik protesteren dat ik nog niet sliep en dat ik nu toch die prikken zou voelen. "Nee hoor", zei de dokter, "De naald zit er al in en daar voel je niets van". Maar hij zat er nog niet in en toen hij kwam, voelde ik het wel degelijk en het werden er vier! Het waren van die prikken die tot in je hersens lijken door te dringen.
Ik wist nu dat er een scherf achter mijn oog zat die de dokter eruit moest halen. Dat dit een lastige operatie zou worden wist ik uiteraard niet en je ligt daar maar te liggen. Dan vroeg ik: "Dokter, hebt u 'm al?" "Nee, maar je moet wel stil zijn". Dan lag ik een tijdje stil te zijn en steeg de spanning weer. Dan kwam de operatiezuster met "Edith, je moet wel doorgaan met ademhalen". O ja. Dan lag ik een poosje met de gedachte dat het mij allemaal niet kon schelen, maar ook dat hield ik niet lang vol. "Ziet u die scherf al, dokter?" "Nog even stil zijn". Dan weer die cyclus van gespannen mijn adem inhouden en proberen overal lak aan te hebben. Toen vroeg ik de dokter of hij 'hoera' wilde roepen als hij hem had. Dat beloofde hij. Ik heb geen idee hoe lang de operatie heeft geduurd, maar net tijdens zo'n terugtrekfase weerklonk uiteindelijk het 'hoera' en na afloop kreeg ik zowaar een glas limonade.

Wanneer het gips van mijn enkel is verwijderd kan ik mij niet meer herinneren, maar op 25 oktober ben ik overgebracht naar een ex-Duitse bunker in de binnenstad, die tot een soort herstellingsdépendance was verheven. Daar heb ik nog zo'n vier weken vertoefd en in die tijd heb ik geoefend mij zonder zien te bewegen. Er waren kamertjes en meerdere gangen met rijen kooibedden, twee boven elkaar. Ik lag op de Prinses Margrietboulevard. Ik mocht weer lopen en leerde er de weg kennen door 'stiekem' met mijn pink langs de muur te lopen. Ik ben niet overal geweest, want er waren ook mannenafdelingen en daar mocht ik natuurlijk niet komen. Ik kon wel 's nachts soms voor de andere patiënten een po halen. Mijn bovenbuurvrouw wilde 't liefst zo'n platte, maar die was er niet altijd en dan moest zij het met een 'troon' doen. Als er nog iemand moest, deed ik net als ik één van de zusters wel had horen doen, even de po in het
fonteintje aan het eind van de gang leeggieten, omspoelen, en ... volgende patiënt.

Nu moesten mijn ouders dus naar de binnenstad om mij te bezoeken en dat was gevaarlijker dan in onze woonwijk, omdat de granaatregens voornamelijk op de brug gericht waren en die dat doel nooit hebben getroffen, geloof ik. Dus zat ik weer vaak in angst. Een van de deuren die toegang tot de bunker gaven, sloot niet goed en die werd 's nachts gebarricadeerd met een zware bank. En of er toch nog Duitsers in de stad verborgen zaten, weten we niet, maar er is op een nacht een poging gedaan om binnen te dringen. Gelukkig tevergeefs.
Op een goede dag werden er door de Geallieerden een 50 eenden gebracht en toen kreeg elke patiënt een halve gebraden eend. Ik at niet zoveel en vroeg de anderen om zakjes om wat voor Siki te bewaren: moeder en Riet waren dik genoeg, maar Siki had van die ingevallen wangen.
Er was ook een jongen van 17 jaar in de bunker die steekvlammen in zijn ogen had gekregen en daardoor een tijdje blind was geweest, doch dagelijks beter ging zien. Hij kwam bij mij buurten onder het mom van 'lotgenoten', waarop ik direct aanvoerde dat bij hem alles weer goed kwam en dat dit bij mij niet zou gebeuren. Dit had niemand mij verteld. Waarschijnlijk zei ik dat omdat ik graag de dingen wat minder gunstig voorstel zodat ze dan achteraf meevallen.
Intussen had mijn moeder de oogarts gevraagd hoe mijn vooruitzichten waren. Hij had een raar verhaal, dat mijn lichtzenuw was doorgesneden, maar als - en dat was een grote 'als' - de uiteinden van die zenuw elkaar zouden vinden, aangroeien en weer bloedtoevoer doorlaten, ik wel weer iets zou kunnen zien, maar niet genoeg om te lezen, .... nou ja, dat is toch wel heel erg hypotetisch. Volgende vraag: Wie moest mij dit vertellen? De oogarts wilde dat liever niet doen en mijn ouders zagen er natuurlijk erg tegenop. Het is niet nodig geweest: Ik had diep in mijzelf de stand van zaken aangevoeld en mij de uiterste consequentie al aangepraat in die neiging mij de dingen niet mooier voor te stellen dan ze konden zijn.
Moeder daarentegen klampte zich aan elk sprankje hoop vast. Zo vertelde zij mij eens dat zij zich erop betrapte te verwachten dat Hanneke op zekere dag gewoon zou komen binnenstappen. Haar heengaan was te abrupt geweest.

Toen ik nog in het Canicius lag en ik toch eens klaagde dat het zo lang duurde, had moeder mij willen troosten door te beloven dat ik later weer een hond zou krijgen. Ik reageerde daarop met: "Hmm, zeker een geleidehond". Ook nu nog weet ik niet waar ik die wijsheid over het bestaan van geleidehonden vandaan had. Ik heb er nooit één gezien en desondanks. En dat terwijl er nu nog wel mensen zijn die vragen waarom mijn hond zo'n ding om heeft. Aansluitend droeg ik een nogal tweeslachtig lichtpuntje aan. Het laatste jaar was het mijn taak geweest mijn en Siki's sokken te stoppen en dagelijks die 7 kilo aardappelen te schillen, en dun te schillen; anders mocht ik niet buiten spelen. Nu kwam ik op de proppen met de gevolgtrekking dat ik nooit meer aardappelen zou hoeven te schillen of sokken te stoppen. Mijn ouders zeiden hier niets op.
Niettemin heb ik mijzelf later toch ook wel willens en wetens voor de gek gehouden. Toen ik op het Blindeninstituut in Huizen was, riep ik in mijn herinnering een in bloei staande wilde wingerd op die ik vroeger langs de muur van de Julianakerk op Scheveningen had gezien en waarvan ik wist dat er ook een tegen de muur van het Woonhuis groeide. Dan hield ik mijzelf voor dat het toch te zot was dat ik die nooit meer te zien zou krijgen en daar kon ik dan een poos op verder.

Toen ik nog niet zo lang in de bunker lag, fluisterde ik mijn moeder toe dat ik zo'n jeuk op mijn hoofd had. Moeder schaamde zich diep en ging met haar hoofd dicht bij het mijne zitten in de hoop dat die luis/luizen op haar zou(den) overlopen en zij die thuis kon verwijderen, maar zo werkt dat niet. Dus sprak zij Schroomvallig Zuster Tuinstra erover aan. Die begon te lachen en verzekerde moeder dat mensen die kriebels voelden, geen luizen gewend waren; dat er in de volgende gang iemand lag die nooit krabde en bij wie de luizen ongehinderd over haar kussen liepen. Dit betekende wel dat ik behandeld moest worden. Dat gebeurde uitgerekend tijdens het rustuur en juist nu dat ik zou hebben kunnen slapen. Zo onder de grond hoorde ik 's nachts de granaten niet en ik voelde mij er vermoedelijk veiliger en dat gevoegd bij een flinke slaapachterstand had het fijn geweest als ik tijdens het rustuur met rust gelaten had kunnen worden. Maar ja, anders hadden de zusters er weer geen tijd voor. Dus zat ik een x aantal dagen soezerig op een stoel met een in petroleum gedrenkte tulband op. Het heeft wel geholpen.
Buiten mijn ouders en Riet kwamen ondanks alle oorlogsrisico's op een dag Tootje en haar moeder op bezoek. Zij hadden van niets geweten. Moeder was hun het gebeurde gaan
vertellen en toen waren zij de daaropvolgende dag gekomen.
De boys waren vertrokken, maar wel kwam zo nu en dan een Ierse aalmoezenier die in het Caniciusziekenhuis bij mijn kamergenootje Bicky (Beatrix) op bezoek was gekomen. Bicky was 12 jaar en had een gebroken been en haar oudere zusje werkte als hulpverpleegster in het Jonkerbos waar ze mij in eerste instantie naar toe gebracht hadden. Bicky was allang weer naar huis, maar Father Cain kwam mij apart, ook in de bunker, nog een paar keer opzoeken en dat vond ik erg aardig. Ik herkende hem altijd al op afstand doordat hij al van ver zijn gulle lach liet horen en hij bracht altijd biscuitjes mee.
Ik kreeg ook een vriendin in de persoon van Trees die op bezoek kwam bij haar aanstaande schoonmoeder die boven mij lag. En Trees bracht weleens een Engelse soldaat Dixy mee, die mij de woorden van Engelse liedjes leerde. Iemand heeft mij ook geleerd te haken en dat lukte nog ook; gek genoeg nu niet meer.

Eind november mocht ik naar huis. Ik kan mij niet herinneren wie mij gebracht heeft. Wel weet ik dat ik voor de opstap van het paadje langs ons voortuintje stond en moeder naar buiten kwam gesneld om mij naar binnen te dragen. Ik verzekerde haar dat ik echt wel de weg in mijn eigen huis kende en liep langs haar heen naar binnen. 's Middags kwam een buurmeisje om mij wat afleiding te bezorgen. Zij wist niet goed wat te zeggen en ik had ineens enorme slaap. Op de vraag wat ik zou willen doen, zei ik steeds: slapen. Het was een zaterdag en ik ging vroeg naar bed en sliep. Een paar keer werd ik gewekt of ik niet iets moest eten; dan mompelde ik enkel dat slapen ook eten was en sliep verder. Het 2-persoonsbed van mijn ouders stond in de kelder, althans de spiraalbak met de matrassen. Daar sliep ik nu met moeder. Siki en Riet sliepen 'weer?' boven. Op zondagochtend sliep ik ook nog lekker door tot er weer een harde klap kwam en er een bom in de Groenestraat viel.
Overdag voelde ik mij het veiligst in de kamer waar de kachel brandde en zat dan ook overwegend in de grote groene stoel naast de kachel of rolde mij daarin op. Als ik overeind kwam omdat ik dorst had en een glas water uit de keuken wilde gaan halen, vroeg of mijn vader of mijn moeder wat ik ging doen. "Water drinken". Als zij dan aanboden het voor mij te gaan halen, wilde ik maar al te graag van hun aanbod gebruikmaken, omdat de kraan dichtbij de achterdeur in die koude keuken zat, en dat onderging ik als gevaarlijk. Dit had tot gevolg dat ik algauw niet meer opstond maar gewoon vroeg wie mij een glas water wilde halen. Er was er altijd wel één die vloog. Mettertijd, als moeder even weg was en Siki ergens mee bezig wat hij niet direct kon onderbreken, werd ik ongeduldig: Waar mijn water bleef. Gelukkig heb ik dit verwende gedrag later onderkend en afgebouwd.
Al met al kon ik heel handig met mijn blindheid omgaan. Wel was er iets bijgekomen. In mijn 'donkerte' werd ik een soort lichtpuntjes gewaar en ik meende daar iets als paren ogen in te zien. Dit was verontrustend en desoriënterend. Het begon zo ongeveer in de tijd dat ik nog weer naar de oogarts moest om een glazen oog te passen. Toen ik hem erover vertelde, zei hij dat dit vaker voorkwam bij mensen die later blind werden: een soort autonome werking van de kapotte lichtzenuw vanuit de hersenen, dat wist hij ook niet precies. Ik zie er nu geen ogen meer in, maar er dwarrelen nog altijd spikkeltjes voor mijn ogen en ik had daar o.a. veel last van toen ik probeerde braille te lezen: Ik voelde meer puntjes dan er waren. Enfin, mettertijd went alles, al nam dat vele jaren.
Nog voordat ik van de oogarts die uitleg had gekregen, gebeurde er thuis iets dat ietwat dramatisch had kunnen worden. Ik stond in de kamer en moeder probeerde een zaklantaarn. "Hij doet 't nog", zei zij en op dat moment dacht ik het te zien: niet scherp de hele zaklantaarn, die ik natuurlijk kende, maar zo vagelijk het ronde glasgedeelte met daarachter zo'n fietslampje. Te midden van mijn 'sterretjes' was een 'maantje' komen te staan en ik dacht echt even dat het die zaklantaarn kon zijn. Ik wou mijn mond al open doen, maar bedacht mij: Even niks zeggen. En toen realiseerde ik mij dat het onmogelijk was het ding te zien omdat moeder achter mij stond. Het was puur het lichtzenuwfenomeen met een uit mijn herinnering opgeroepen beeld. Ik was dankbaar dat ik nog niets gezegd had, want voor moeder zou het hard zijn aangekomen als zij geloofd had dat haar hoop vervuld was en die dan weer de grond was ingeboord.

Doordat de Engelse actie bij Arnhem was mislukt, bleef Nijmegen in de frontlinie met de Betuwe als niemandsland. In januari hadden mijn ouders een slaapkamer ter beschikking gesteld voor soldaten die een week of 14 dagen verlof kregen om bij te komen. Ook onze voorkamer kregen zij als kantoortje. Dat gaf mij afleiding omdat er meestal wel iemand was die even tijd voor mij had. Aanvankelijk was geprobeerd of ik nog iets zou kunnen opsteken als ik toch naar school ging. Wim Bannink die nog zuidelijker woonde, kwam mij ophalen en liep dapper met mij aan de arm naar het huis van Tootje, waar de lessen plaats vonden. Dit werd geen succes: een recent vriendinnetje wist geen raad met mijn blindheid en zo waren er meer en ik zat uiteindelijk maar wat met een lineaaltje of zelfs met mijn glazen oog op tafel te tikken. Mijn schoolplicht werd dan ook opgeschort.
Thuis oefende ik mijn Engels met onze gasten en ik werd lelijk verwend met repen chocola.
Een zekere Arthur leerde mij liedjes op de piano spelen en toen heeft moeder mij ook de noten van het Bloemenlied van Gustav Lange voorgezegd: Het leek heel wat.
Ook kwam Trees mij soms een dagje ophalen; dan zat ik op een slee die zij en Fons trokken. Toch bleef het een angstige tijd. Elk ogenblik kon er weer ergens iets inslaan en de V1's kwamen daar ook nog bij. Zo kwam er eens een klap terwijl ik in het 'kantoortje' zat. Van pure schrik nam ik een schuiver de kamer uit, in mijn vaart het petroleumkacheltje omverlopend, schoot door naar de kelder en greep na een paar treden bukkend de stalen balk rechts en slingerde mijn lichaam opzij van de trap, waarmee ik op het 2-persoonsbed belandde.
Bij Trees stonden wij ook eens klaar om naar de kelder te gaan toen er dichtbij iets insloeg. Ik vond mijzelf terug helemaal in elkaar gedoken tegen de verste muur, nog net naast de open kelderdeur; ik weet niet hoe ik daar ben gekomen. Het heeft dan ook vele jaren geduurd voor ik niet meer ineenkromp bij het minste geluid: bijvoorbeeld dat van de stem van mijn begeleider als die bij mij terugkwam na even bij mij te zijn weggelopen om een brief op de bus te doen, en veel later nog het laten knallen van een papieren zak die ik toch had horen opblazen.

Juist door het gemeenschappelijk gevaar was de saamhorigheid onder de mensen hartverwarmend.
Ook heeft een soldaat Johnnie mij, misschien ongeweten, enorm geholpen door een spelletje te bedenken. Hij logeerde bij Trees en zat het liefst zonder schoenen bij de kachel. Dan ging hij op zijn sokken door de kamer sluipen en moest ik hem op mijn gehoor met mijn ogen volgen. Als ik hem 'kwijt' was, keek ik strak voor mij en luisterde ingespannen. Vroeg of laat ving ik wel iets op: zijn mouw langs zijn lichaam of zoiets en dan had ik hem weer in het visier.
Thuis kwamen er die wel probeerden mij voor de gek te houden, door stiekem van stoel te verwisselen en dan niks te zeggen, maar die sufferds hadden te laat door dat ik hen onderkende aan hun meer of minder behaarde armen. Zo had ik dus ook best plezier.

Een eerste domper kwam in de periode dat er nog sneeuw lag. Op een avond was Trees met haar moeder op bezoek en de bij ons ondergebrachte soldaten waren er ook, toen spontaan de hele meute naar buiten dromde om sneeuwballen te gooien. Ja, gezonde jonge kerels en twee jonge meiden, Riet en Trees, heel begrijpelijk. De moeder van Trees en mijn ouders waren meegegaan om te kijken. Ik bleef achter. Normaal zou ik gewoon lekker hebben meegedaan, maar dat kon niet meer. Dit was mijn eerste confrontatie met de consequenties van mijn blindzijn. Ik was alleen, buitengesloten.
Siki was de enige die het zich algauw realiseerde en weer binnenkwam, maar ik had de schok van het beseffen al ondergaan en wilde het liefste ver wegkruipen. Ik vluchtte naar de keuken, waar Siki mij kwam troosten. Een poosje later kwam Trees vragen wat er was; Siki stuurde haar gelukkig weg.

Onze grote groene stoel was ook favoriet bij de soldaten die wij in huis hadden. Op een avond stortte ik mij letterlijk met een vaart in die stoel om Freddie voor te zijn. Hij was toch sneller, dus plofte ik boven op hem en had dolle pret. Toen de volgende dag Trees mij kwam ophalen, wilde ik haar dan ook even laten zien hoe ik die mooie duikvlucht gemaakt had, nam een aanloop en belandde tussen stoel en kachel op de grond. Iedereen pijnlijk getroffen, maar ik voelde de meeste pijn van binnen: zo'n vernederende afgang.

Er waren nachten waarin ik droomde dat Hanneke er nog was, in een rolstoel, en dat ik die voortduwde en zij mij zei naar links of rechts te gaan. Verder kwam de droom niet, en ik vraag mij af of zij dat gewenst zou hebben. Zij was een knap, intelligent meisje. Wij waren van jongsaf altijd samen opgetrokken; hadden best weleens ruzie gemaakt, maar feitelijk was zij mijn enige, echte, altijd berekenbare vriendin geweest.

Tegen Kerst waren Venlo en Roermond twee dagen achtereen met artillerievuur bestookt, alleen om later te ontdekken dat er nauwelijks nog Duitsers waren. Toen de Geallieerde eenmaal de Rijn waren overgestoken, schoof het front op, maar toen waren de V1's er nog. Er is er eentje in Nijmegen neergekomen; de meeste gingen door naar België of werden boven Brabant neergehaald. Dit kon alleen bij goed weer en daarom werden ze alleen nog bij bewolkt weer gelanceerd.

Er lagen ook Engelsen in de school beneden aan de straat en voor hen werd op de Zaterdagavond een bal georganiseerd.
Ook al was het hele land nog niet bevrijd, wij hadden in de buurt alwel bevrijdingsfeesten gehouden. Riet had mij op straatfeestjes leren dansen en zo mocht ik met haar mee naar die dansavonden. Er waren altijd wel soldaten die mij een keer ten dans vroegen. Zo waren er ook spelletjes als de Stop wals: Dan hield de muziek plotseling op en moest elk danspaar blijven staan zoals het stond; je mocht geen spier bewegen, ook niet lachen. De ceremoniemeester liep dan heel potsierlijk te doen om iedereen maar uit balans te krijgen. Het paar dat won kreeg altijd iets als chocola of sigaretten. Riet of andere meisjes uit onze straat wilden die dans maar al te graag met mij dansen: Ik kon goed mijn lachen houden omdat ik die smoelen niet zag en ook mijn evenwicht bewaren zolang ik steun had aan mijn partner. Zo heb ik velen en mijzelf aan wat lekkers geholpen.
Riet en ik hadden bij ons straatbevrijdingsfeest ook ettelijke liedjes gezongen en dat ging heel leuk. Toen ik een keer in de balzaal zo voor mijzelf met de band zat mee te zingen, werd ik uitgenodigd op het toneel te komen. Ze tilden mij erop en toen heb ik Sentimental journey gezongen.
Een hoogtepunt op één zo'n dansavond was 't toen een voor mij onbekende soldaat mij ten dans vroeg. Ik had al wat variaties geleerd, maar wat die man kon! Hij moet wel zoiets als een dansleraar geweest zijn. In elk geval voerde hij mij mee in allerlei ingewikkelde variaties en ik ging zomaar goed mee. Wat ik niet in de gaten had - zozeer ook ging ik op in de heerlijke dynamiek van dit alles - was dat alle anderen waren opgehouden met dansen en naar ons stonden te kijken. Toen de muziek stopte en iedereen begon te klappen, kreeg ik dat pas door en voelde ik mij helemaal warm worden door een mengeling van verlegenheid en blijde trots.

Toen kwam de echte, algehele Bevrijding. Die zal vooral door mijn ouders met gemengde gevoelens beleefd zijn.
Op, ik meen, de vrijdagavond sprak op de radio Pater Henri de Greve. Hij kon de dingen mooi zeggen en er werd veel naar hem geluisterd. Eens zei hij dat gezinnen minstens drie kinderen moesten hebben om vooruitgang te boeken. "ja", zei Siki, "En dan heb je er drie en word je er één afgenomen".
Ik heb niet zo lang daarna een hele strijd met hem gevoerd over zijn haat jegens de Duitsers.
Hij was in 1936 met de Friese Club een week naar Duitsland geweest en had daarvan een heel mooi album met een dikke, stoffen omslag en als bladzijden van die leren labels, die je aan koffers hangt. Daar zaten mooie natuurfoto's in, maar ook opnamen van mensen van de Friese Club en enkele Duitsers in uniform met hakenkruis. Ik had dat album wel willen hebben, maar hij zei dat hij het hele album in de kachel had gegooid, vanwege die foto's. Ik zei dat hij toch alleen die foto's eruit had kunnen halen, maar nee, het zat hem allemaal te hoog.
Toen ben ik erover begonnen dat die haat die hij jegens de Duitsers koesterde, alleen op hemzelf terugsloeg. Die Duitsers die al het slechte hadden gedaan, zouden zich er niets van aantrekken hoe hij over hen dacht; dat ze dat ook niet waard waren. Dat er toch ook goede Duitsers waren. Verdriet hebben is iets waar je wel aan mag toegeven, maar ik bleef hameren op de energieverspilling van zich door die haatgevoelens te laten beheersen; dat hij het de echte hufters niet moest gunnen dit alles aan hem te laten vreten.
Dit is zo'n beetje de kern van wat ik betoogde, en het heeft gewerkt: voor hem en voor mij; kleine oplevinkjes daargelaten, hebben wij het leren loslaten. En daar komt uiteindelijk zoveel in het leven op neer.

Moeder had gehoopt dat mijn blindheid mij tot een berustend, lief meisje zou maken. Jammer, daar is niets van terechtgekomen. Als er voor mij weer eens aanleiding tot opstandigheid was en ik die niet kon onderdrukken, begon zij over 'aanvaarden'. Dan ontplofte ik echt.
Ik weet niet of ik mijn blindbheid heb aanvaard; ik heb mij aangepast en kan over het algemeen goed
functioneren. Er doen zich niettemin altijd wel weer situaties voor waarin je andere zintuigen ontoereikend zijn voor een cruciale waarneming en dan weet je weer even heel goed dat je blind bent.
Ook die momenten gaan voorbij, zoals uiteindelijk onze oorlog voorbij was.



Hoe selectief zijn herinneringen.
Toen de Engelsen bij hun luchtlanding bij Oosterbeek meer
Duitsers aantroffen dan waarop zij hadden gerekend, moesten zij Na een aantal dagen van ongelijke strijd zien de Rijn over te steken om zich in de Betuwe te kunnen terugtrekken. Tijdens de herdenkingen in 1994 hoorde ik dat zij daarbij met slecht weer te maken hadden gekregen, en daar herinner ik mij niets van. De 17e september was het mooi weer en dat het weer dan zo is omgeslagen. Misschien hielden wij ons zozeer bezig met het verloop van de strijd in onze naaste
omgeving dat er in onze aandacht, in de mijne althans, geen ruimte over was voor weersomstandigheden, maar geregendheeft het volgens mij niet. Of misschien heeft degene gelijk die mij verklaarde dat het weer boven de grote rivieren totaal anders kan zijn.
Feit is dat het regenweer heeft meegewerkt in een maximale terugtrekking van de Engelsen over de Rijn.

Verlichting

Verlichting brengt licht in het duister,
Al reikt het niet tot in elke hoek.
Maar ook door inzicht breekt een kluister
En dat komt niet alleen uit een boek.

Met aandacht voor het leed van and'ren
Vermindert de druk van eigen pijn.
De oorzaak mag dan niet verand'ren;
Toch zal die lichter te dragen zijn.

Wat je voert in de goede richting
Is vooral een loslatingsproces.
Je komt het naderst tot verlichting
Met die bevrijdende levensles.

Het licht zien suggereert onthulling,
een oplossen van schaduw en schijn;
met als de uiterste vervulling
het raken aan de kern van het zijn.


Edith van der Meulen, Mei 2003

***
terug naar de beginpagina van podium
terug naar de beginpagina van de website