Herinneringen aan Lady Linda


door Edith van der Meulen

Omslagtekst


Als kind van een jaar of vijf, zes zag schrijfster een film waarin Shirley Temple op een pony reed. Dat was het moment waarop in haar het verlangen kiemde zelf paard te rijden. Voorlopig werd dat verlangen echter niet in daden omgezet. De kans dat dit nog ooit zou gebeuren, werd wel heel klein, toen schrijfster op dertienjarige leeftijd door een bomscherf haar gezichtsvermogen verloor.
Het oude verlangen werd weer wakker, toen schrijfster (inmiddels achttien) tijdens een verblijf in Engeland hoorde vertellen over een blind meisje dat paard reed. Wat dat meisje kon, kon zij wellicht ook ....

In dit boekje doet schrijfster verslag van de wijze waarop zij van een droom werkelijkheid heeft gemaakt. Het leest als een spannend verhaal.
Blindheid maakt je in veel situaties behoorlijk afhankelijk van andere mensen of materiële voorzieningen. Bij schrijfster ontwikkelde dit een sterke behoefte aan zelfstandigheid op terreinen waar dit maar enigszins mogelijk was. Het voorzag haar van een flinke dosis moed of moeten we zeggen: vermetelheid?

Je hoeft niet van de ruitersport te houden om door het relaas van schrijfster onder de indruk te raken.

Afbeelding van Linda in lengtesprong

Opdracht


Voor Siki, mijn vader

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 - Een eigen paard


"Hoe heet ze?" vroeg ik aan boer Rodenburg, die ons had meegenomen naar de kleine stal om het nieuw aangekomen paard te bezichtigen. "Lady", zei hij en tot mijn begeleiders "Kijk es, kristalheldere beentjes en kuikenmak". Hij gaf haar een tikje tegen een voorbeen waarop ze in de 'joli-stand' ging staan. Dit scheen wel iets te zijn want er werd goedkeurend gebromd.

Mijn ervaring met paarden ging niet verder dan een half jaar rijlessen, wat letterlijk en figuurlijk met vallen en opstaan was verlopen. Van jongsaf had ik de wens gekoesterd paard te rijden, maar dat zat er toen niet in. Uiteraard tijdens de oorlog ook niet en daarna bood mijn blind worden weinig uitzicht in die richting.
In mijn 25ste levensjaar verdiende ik genoeg om rijlessen te kunnen bekostigen en een collega-vriend zei: "Als je dat wil, moet je nu een manege bellen, anders komt er nooit wat van." Dat deed ik toen en kreeg een mijnheer Kleyn aan de lijn. Ik begon ermee dat ik graag wilde paardrijden, maar dat ik nog nooit op een paard had gezeten. Hij zei dat er meer zo waren en dat daar wel iets aan te doen was. Toen vertelde ik hem dat er nog een kleinigheid bij kwam, namelijk dat ik blind was. "Blind?", vroeg hij. "Ja", zei ik, "U weet wel, zo iemand die niet kan zien". "O". Toen zei hij dat dat wat hem betrof geen beletsel was; hij had ook al een leerling met polio. Nou fijn, wanneer kon ik komen. De donderdagavond. Dat was handig want dan kon ik rechtstreeks vanuit kantoor daar met mijn geleidehond Vincent heen lopen, zo'n 15 minuten gaans.
Die donderdag toog ik er vol verwachting heen.
Het was feitelijk geen manege want er was alleen een stal zonder binnen- of buitenbak. Dus moest je gelijk de weg op en het bos in. Vincent moest zolang in de box blijven van het paard waarop ik mocht plaats nemen. Ik kreeg de gebruikelijke instructies van rechtop zitten en zo. Mijnheer Kleyn reed mee en hield mijn paard aan een bijteugel. Nou, het was allemaal heel onwennig. Een drafje ging erg hortend en stotend, maar een paar keer had ik even gevoeld waar het heen moest en ik was laaiend enthousiast. Toen wij de stal weer binnenreden, was daar op hoofdhoogte een balk. Die had ik bij het uitrijden gemist doordat we buiten waren opgestegen. Nu knalde ik daar, netjes rechtop zittend, tegenaan. Ik zei natuurlijk dat het niet erg was, ik me echt niet had bezeerd; me wel vaker stootte, maar mijnheer Kleyn wist nu wat het betekende als je niets zag.
De volgende woensdag werd ik opgebeld door zijn vrouw: dat ik geen les kon krijgen omdat zijn vader op sterven lag. De week daarop had hij last van zijn knie. Ik was nogal ontgoocheld want ik verheugde mij er iedere week op dat ik les zou krijgen en dan ging het weer niet door. Smoesjes? Waarschijnlijk wel. Daarom belde ik hém en toen kon ik hem op de man af vragen of hij mij nog wel les wilde geven of dat hij bang geworden was. Daar draaide hij wat omheen, maar dat wilde hij zich toch ook weer niet laten zeggen. De uitkomst was dat ik die zaterdag kon komen en dan meegaan op een langere rit naar de boerderij/theetuin Meijendell samen met nog een oude dame. Dan hoefde hij er niet apart met mij uit. Ik kreeg het paard Jero dat er in halfpension stond. Jero's eigenaar, de heer Bouter, had zijn garage naast de stal en die kwam zich voorstellen. Hij was een erg enthousiaste, sportieve man en hij bood aan mij zondags mee te nemen. Iedereen blij: mijnheer Kleyn was van zijn taak ontheven, ik huurde een paard en mijnheer Bouter bleek zo'n halve circusclown voor wie het niet gek genoeg kon.
De eerste de beste keer dat we uitreden - ik op zijn Jero - gaf hij mij op een gegeven moment de opdracht mijn beugels uit te doen. Hè! Wat? Beugels uit? Deed hij dat ook? Hij wel. Nou, dan ik ook maar en toen draven. Dat werd te veel. Ik kon nog net roepen: "Ik gaha", zodat hij kon omkijken om mij eraf te zien glijden en aanminnig aan Jero's voeten neerzijgen. Mijnheer Bouter, later Leen, riep lovend dat ik mooi gevallen was. Ik had de teugels vastgehouden en goede, oude Jero was netjes blijven staan. Zo was het allemaal begonnen. En nu was het de bedoeling een geschikt paardje voor mij te vinden.
Het begrip 'geschikt' was wat beladen geraakt na een proefrit met een vosmerrie uit een manege. Mogelijk daardoor had zij een linkse afwijking waardoor ze aldoor linksom wilde het ruiterpad uit. Dat was wel lastig. Vooraan in het bos achter de Waalsdorpervlakte lag een boom over het pad waar Jero altijd overheen sprong. Leen wilde zien of en hoe het vosje zou springen en liet mij voor gaan. Nou, ze raamde erover en rende toen door met haar hoofd laag langs de grond. Dit was wel het omgekeerde van wat ik van Jero gewend was, bij wie ik in rengalop fijn achter zijn meer opstaande nek kon wegduiken. Bij wijze van tegenwicht was ik gaan staan tot het even later pats en krak ging en ping in mijn hoofd op het punt waar mijn neus in mijn voorhoofd overgaat. In het vuur van het gevecht was ik vergeten dat je dit op een bospad beter niet kon doen, zo het rijtechnisch al doeltreffend mocht heten. De dwarse tak was in elk geval afgebroken en mijn neus? Het was niet best, besefte ik en ik weet niet hoe, maar ik heb mijn rechterbeen opgezwaaid en het paard zo onder mij vandaan laten lopen. Leen was direct bij mij, maar ik stond alweer. Hij was erg ontdaan en probeerde met mijn zakdoek de boomschors uit mijn wenkbrauwen te vegen. Toen heeft hij het vosje opgevist en zijn we nog heel rustig naar de boerderij doorgereden, waar de dochter des huizes mijn gezicht met lauw water wat beter kon fatsoeneren. We hadden maar van paard gewisseld want het vosje was hiermee iets minder geschikt bevonden. Maar wat wil je met een paard dat "Force Majeure" heet.

Boer Rodenburg had door een handelaar een merrie laten brengen. Voor de beoordeling daarvan moest ik mij dus op anderen verlaten. De merrie stond in een stand en ik schoof voorzichtig langs de wand om haar op mijn manier te bekijken, onderwijl vragend hoe zij er uitzag. Ze was niet groot, zwart met vier witte voetjes, een kolletje tussen de ogen en een snipje wat lager op de neus en, volgens mijn vader, zulke mooie ogen als hij bij geen ander paard ooit had gezien: gazelleogen met iets van blauw erin en die nooit enig wit lieten zien.
Intussen stond ik bij haar hoofd, praatte wat tegen haar en opeens gaf ze mij met haar neus een peut in mijn buik. Dat was even schrikken want dat kende ik niet. Het bleek een vorm van vragen te zijn, meestal om iets lekkers. Ze probeerde mij ook nog tegen de wand zo'n beetje plat te drukken, doch dat nam ik ook maar op de koop toe. Dat was speelsigheid, werd mij verzekerd. Ik vroeg hoe oud ze was. De boer zei: zes jaar, maar Leen meende niet ouder dan vijf. "Geloof mij maar, die is nog piepjong". Iemand anders die erbij was komen staan zei: "Het lijkt wel een Poolse hit. Je moet eens proberen of ie halt houdt als je "prrr" zegt". Nou, later bleek dat ze dat niet deed, en vijf jaar was ze ook niet. Ze moet toen al wel zo'n tien jaar geweest zijn. Op zichzelf was dit zo gek nog niet voor mij als beginneling, maar ik heb in de loop der jaren wel geleerd dat de uitspraken van paardenmensen niet alleen onderling sterk verschillen, maar ook nooit al te letterlijk genomen moeten worden. Maar ja, als je zelf niets weet, geloof je alles.
Wij zouden naar de gelagkamer terugkeren en liepen al naar de deur, toen die kleine haar hoofd omdraaide en ons zacht, diep in haar keel klokkend achterna hinnikte, als wilde zij zeggen: "Laat mij hier nu niet weer alleen" en toen was ik verkocht. Ze had het natuurlijk helemaal niet tegen mij, maar het had mij geraakt en ik had haar zo wel willen meenemen. Dat kan echter zomaar niet. In de paardenhandel mag je niet op je gevoel afgaan; eerst moest zij op haar gangen en gedrag worden beoordeeld. Binnen vertelde boer Rodenburg ons dat de merrie voor een bakkerswagentje had gelopen en misschien niet gewend was onder de man te gaan. Na een kop koffie zou Leen een ritje op haar maken. Ze liet zich braaf een zadel opleggen en een hoofdstel aandoen en toen Leen goed en wel in het zadel zat, ging het dribbelend van start het erf af en het ruiterpad in. Ze waren richting strand gegaan en ik wachtte vol spanning op hun terugkomst. Toen ze het erf weer opreden, had Leen haar netjes in stap. Op de heenreis was ze voor elk bosje blijven staan, had 'ieiet' geroepen en gebokt. Ja, het beestje leek toch nog wel erg groen.
Een koddebeier van de Duinwaterleiding, die vroeger veel gereden had, beloofde haar die week wat in te rijden. Toen we de zondag daarop op Meyendell kwamen, vertelde hij ons dat hij zich tot zijn spijt niet had kunnen vrijmaken en daarbij dat ik toch beter deed van dit paard af te zien omdat het kuren had. Kuren? Hoe kon dat nou? En wat voor kuren dan? Ik kon wel huilen. Later kwam mij ter ore dat een oude stalknecht haar die week een keer bereden had en eraf gevallen was, dat zij ook met haar staart had gedraaid en dat zou op kuren duiden. Ze heeft daarna nog dikwijls met haar staart gezwiept, zo niet om vliegen te verjagen, dan wel om mij te laten weten dat wat ik aan haar aan 't doen was niet op prijs werd gesteld en dat was haar goed recht vond ik. Bovendien wist ik het dan en kon ik er rekening mee houden. Is dit een pleidooi voor mijn Linda? Nee, dat is niet nodig, maar destijds zocht ik verwoed naar verzachtende omstandigheden en één daarvan was dat haar gedrag mogelijk een reactie op al het vreemde was. Het was voor mij al ondenkbaar geworden dat de koop niet zou
doorgaan en ik had ook al besloten dat "Lady" niet voldeed. Een titel die haar volkomen toekwam. Best, maar dan moest daar nog wel een eigennaam achter. Lady Linda moest het worden.

Die zondag nu zou Leen het nog eens proberen, dit keer in de springwei. Lady Linda was aanmerkelijk rustiger. Vermoedelijk had ze dus toch tijd nodig gehad om aan haar nieuwe omgeving te wennen.
Ik stond intussen te popelen om haar ook eens te mogen berijden. De boer en Leen durfden het wel aan en ik erop. Het ging wel wat schots en scheef want Lady Linda liep telkens uit de hoefslag. Dan riepen mijn vier toeschouwers aanwijzingen: soms drie "rechts, rechts" met één alvast "links, links" erdoorheen. Ik hield mij maar aan het meeste
stemmen gelden en stuurde ijverig naar rechts. Te veel natuurlijk, waarop er dan prompt weer een voltallig "links" weerklonk. En zo stapten en draafden wij rond, heel rustig met één keer een bokje, maar het ging en ik straalde van trots en blijdschap.
Op de daaropvolgende woensdagavond gingen Leen en ik er weer heen en die keer heeft Linda ook gegaloppeerd. Dat ging nog niet eens zo vanzelf, misschien door haar venterverleden. Leen heeft haar toen weer eerst bereden en hem lukte het uiteraard wel en hij galmde: "fauteuiltje".

Twee dagen later was het Goede Vrijdag en gingen wij met Jero naar Meyendell. Jero en Lady Linda werden in de grote stal naast elkaar gezet om kennis te maken en een half uur later reden wij uit. Jero en ik voorop en Leen op de merrie erachter. Een tijdje later wisselden de paarden van plaats en nog wat verder ook de berijders. Alles ging goed.
Bij het wisselen hadden wij ze even laten grazen, waarbij Lady Linda al dra het gras voor Jero's neus weghapte. Toen Lady Linda voor moest gaan, hield ze wel steeds even in om achterom te kijken of Jero wel volgde, maar overigens deed ze het fantastisch. Daarmee was de zaak beklonken.
De volgende dag, zaterdag 20 april 1957, gingen wij haar halen. De beslissing was gevallen, eindelijk, en ik was dubbel blij omdat het nu met deskundige goedkeuring ging.
Ik had wat appeltjes voor Lady Linda meegepakt. Maar voor ik van huis was gegaan had ik Vincent, die thuis moest blijven en daarover een beetje zielig deed, bij wijze van troost nog gauw een stukje lever gegeven. En daar bleek al meteen de kieskeurigheid van Milady. Toen ik haar een appel aanbood, wendde zij het hoofd af. Grote teleurstelling mijnerzijds tot ik bedacht dat mijn hand wellicht nog naar lever rook. En ja hoor, gauw mijn handen gewassen en het appeltje werd zonder verdere plichtpleging geaccepteerd en met smaak verorberd.
Na de betaling en een dronk ter bezegeling van de koop ging ik op weg naar Scheveningen op mijn eigen paard. Leen begeleidde ons op de fiets en onderweg kreeg Linda nog de sensatie van een paar duikers langs het ruiterpad waarvoor zij nogal
benauwd deed met opzij springen en blazen en even verder een 'NP' op straat, wat zij las als 'niet voor paarden' zodat ze er stokstijf voor bleef staan.
In de stal waar Linda de eerste maanden heeft gestaan alvorens met Jero in een klein stalletje haar vaste domicilie te krijgen, stond zij aanvankelijk naast een merrie die door de tralies naar haar beet. Toen die bij een gezamenlijk uitrijden naar haar sloeg, liet Linda zich ook niet onbetuigd en nadien is zij nooit al te vriendelijk tegen vreemde paarden geweest. Alleen Jero mocht doodgemoedereerd met zijn neus op haar staart lopen. Hem had zij als makker aanvaard en hij haar.

Afbeelding - Jero loopt los achter Linda aan

Hoofdstuk 2 - Samen op pad


Zo begon een tijd vol belevenissen. Veel van wat er gebeurde was misschien niet zo bijzonder, maar het leefde en het was leven. Bij het uitrijden liepen Jero en Linda waar mogelijk naast elkaar. Nu had Jero langere benen, en ofschoon Linda in draf en galop niet voor hem onderdeed, kon zij hem in stap niet goed bijbenen. Dan dribbeldanste zij als een verend gummiballetje naast hem voort. Dit gaf haar een jeugdig aanzien en kinderen vroegen wel of zij een veulen van Jero was. Ze wilde niet achterop raken, vermoedelijk omdat ze nog steun bij hem zocht. In de dingen die nog zo volkomen nieuw voor haar waren ging hij haar voor en zo kon zij veel van hem afkijken. Toen zij zelfstandiger werd, vond ze dat bijblijven niet meer zo nodig. Terwijl Jero doorstapte, hield Linda rustig haar eigen tempo. Heerlijk op haar gemakje kuierend, in de wetenschap dat zij bij actie hem zo weer had ingehaald. Waar de paden te smal voor twee werden, liet Leen zoveel mogelijk Linda voorop lopen. "Dan krijgt ze eergevoel", meende hij. Bovendien kon hij beter oog op ons houden en mij op het juiste moment waarschuwen voor bochten of laaghangende takken. Nu, Linda wilde best voorop en de diverse routes kende ze ook snel. Om haar te stimuleren na een stuk straatweg of kruising een volgend ruiterpad te nemen, gaf ik haar iets lekkers zodra zij in het pad stapte. 'Lijmen', noemde Leen dat en daarmee kun je veel gedaan krijgen. Linda was slim en op de vaste plaatsen bleef ze prompt staan om haar beloning in ontvangst te nemen.
Linda had zich op ons eerste rondje heel gewillig betoond, zij het met Jero als ruggensteun, maar ik had nog niet zoveel zelfvertrouwen op zo'n nieuw, vreemd paard. Het vraagt tijd om de eigenaardigheden van zo'n levend wezen te leren kennen en ook dan nog blijven verrassingen niet uit. Zo bleef Linda bijvoorbeeld voor iets vreemds als een blok staan of ze nu stapte, draafde of galoppeerde terwijl ik van Jero gewend was dat hij in zo'n situatie uitweek en doorging. Mede daarom oordeelde ik het wenselijk dat Leen haar zou berijden als wij met Linda onze eerste rengalop zouden ondernemen. Maar eer ik 't wist, waren we al in volle ren. Leen had Jero laten wegspringen en Linda er als een pijl uit een boog achteraan. Tjonge, wat ging dat hard. Ik kon het nauwelijks allemaal in mij opnemen. De sensatie van de snelheid, het geluid van de hoeven, de wind om mijn oren, maar het flitste wel nog door mijn brein: "Wat doet dat kleine ding haar best daar onder mij". Verhaalde ik een dergelijk hoogtepunt van een rit aan boer Rodenburg, dan zei hij glunderend: "Ja, ze heeft er zin in en dat moet je hebben". Ik kreeg van mijzelf de indruk dat ik stukken beter reed, want het ging allemaal zo goed. In galop had ik niet half zoveel moeite met het opvangen van onverwachte wendingen als eerst. Ik zat op Linda zogezegd met lijm aan mijn broek. Dat kwam echter minder door mijn verbeterde rijkunst dan wel doordat Linda zoveel soepeler wendde en zwenkte dan Jero met zijn langere lijf. Hij zette zich nogal hoekig om in bochten. Daarbij werd ik steeds min of meer uit balans gegooid die ik dan moest zien te herstellen. Niet dat ik van Linda nooit ben afgegaan. O jee ja. Ik weet nog goed dat ons een hond luid blaffend achterop kwam. Als zoveel rijpaarden had ook Linda daar niet van terug. Ik wist dat wel, maar bleef desondanks gezapig zitten afwachten. Linda nam een sprong naar voren, één opzij en bokte. Dat kon ik niet uitzitten en daar ging ik. Linda liep naar waar Jero was en begon doodleuk boomblaadjes te eten. Ondertussen keek ze eens om alsof ze zeggen wou: ”Hé, hoe kom jij daar?”Waarschijnlijker is dat ze wilde kijken waar die akelige hond was gebleven. Ja, Linda kon goed bokken, maar het waren meestal van die leuke bokjes, in die zin dat ik er niet veel last van had en dan kun je er schik over hebben. Tijdens een galop bokte zij soms van pure levenslust zo'n vier, vijf keer achter elkaar, dat je je afvroeg hoe ze haar benen bijtijds aan de grond kreeg voor de volgende galopsprong. Soms bokte ze ook wel uit kwaadheid, voornamelijk als Jero weer eens werd aangezet en onverwachts wegschoot. Dan stoof ze er achteraan en voorbij, al bokkend bij het passeren zonder overigens naar Jero uit te halen. Eens begon ze een partijtje weg te geven toen wij een eindweegs op onze schreden wilden terugkeren om een ander pad door het bos te nemen. Oei, wat was ze verontwaardigd. Ze bleef staan en bokte op de plaats, een beetje als een hobbelpaard zonder onderstel. Die wappertjes kon ik ook voor een praktisch doel aanwenden. Mijn rijkunst ging niet zover dat ik Linda op haar rechterbeen kon laten aanspringen. Wilde ik nu dat ze voor de afwisseling toch eens rechts zou galopperen, dan liet ik haar links beginnen, gaf haar dan een klap met mijn vlakke hand op haar bil waarop zij een bokje gaf, wat haar op het andere been zette. Wie niet sterk is moet slim wezen.

Dat onverwachts in galop zetten van Jero deed Leen, volgens zijn zeggen, om mij het wegspringen van Linda te leren opvangen. Dat zou zich kunnen voordoen als een ander paard ons in de mist achterop zou galopperen. Hij verzon meer grappen om mij vrijer in het zadel of zadelvast te maken. Zo moest ik tijdens draf in de beugels gaan staan en zo mijn evenwicht bewaren is wel erg moeilijk voor mij. Ook gymnastiekoefeningen moest ik doen en dan nog 'scharen': je rechterbeen over de nek van het paard zwaaien, tussen je linkerbeen en zadel doorwringen en dan over de achterhand heen de cirkel voltooien en dat dan in galop. We deden dat in het mulle strandpad waar Linda niet echt hard kon gaan. Nu had Linda een rug waarop het zadel niet zo heel vast lag. Daar denk je natuurlijk niet aan als je al je aandacht nodig hebt om dat 'scharen' voor elkaar te krijgen. Ik had het al wel eerder gedaan en daarom begon ik bij deze gelegenheid met een bravoure van 'dat doe ik wel even'. Maar in het stadium dat ik met mijn hele gewicht in de linkerbeugel stond, begon het zadel weg te zakken. Schielijk zwaaide ik mijn been over, maar in mijn haast schoot ik door en kwam opzij van Linda te hangen met mijn linkerbeen ergens boven op het half weggezakte zadel. Ik hing nu langs Linda's rechterflank in een soort vraagteken, de teugels stevig vasthoudend. Leen achter ons galopperend gierde van de pret en kwam niet op de gedachte Jero terug te nemen. Linda galoppeerde dus ook door. Het gekke was dat die galopbeweging het mogelijk maakte te blijven hangen. Pas toen Leen eindelijk in stap overging en Linda terugviel in draf, hotste ik eraf.
Ook moest ik zonder zadel rijden; dit vond plaats op het strand. Leen hielp mij op Linda's blote ruggetje plaatsnemen en nam mijn zadel op z'n arm. Het viel me niet mee; je glijdt zo. Stappen ging nog wel, maar draven werd hachelijk. Galopperen was makkelijker, zei Leen. Mooi, in galop dan. Nou..., ja en nee. Het nee was meer het gevolg van Linda's reactie, die ging protesteren met gelukkig niet al te grote bokken. Leen beweerde dat dit kwam doordat ik met het naar voren schuiven tegen haar haarvleug in streek. Misschien had hij gelijk. Het was dat zij in een rechte lijn liep waardoor ik bij elke bok boven haar bleef zweven, anders was ik er bij de eerste al naast beland. Dat hadden we dus ook weer beproefd. Ik vond één keer wel genoeg en daar was Linda het stellig mee eens.

Leen kon alleen de zondagen met Jero uitrijden. 's Woensdags reed een zekere Moortje en de andere dagen liep Jero in de les. Door de week moest Linda dus alleen uit. Er reed dan altijd iemand op de fiets mee want alleen kon natuurlijk niet. Maar op de vaste routes waren ook gedeelten waar het ruiterpad en het fietspad uiteenliepen en zulke stukjes namen wij dan alleen. Dit gold onder andere voor bepaalde paden door het bos, waarbij dan mijn begeleider buitenom reed en ons aan het andere eind weer opving. Linda hield keurig het pad en ik voelde mij dan heerlijk vrij en verrukt met mijn Linda. Als iets ogenschijnlijk gewaagds goed gaat, worden sommige mensen overmoedig en daar hoor ik ook bij en zo ging ik al spoedig hele einden zonder begeleiding. Maar was het wel overmoed? Het begon met die stukjes waar geen fietspad naast het ruiterpad liep. Het kon daar dus niet anders. Bovendien deed Linda het zo lief dat elke gedachte aan risico vervaagde en ik alleen maar trots op haar was. De volgende stap was weer een kwestie van geen keus hebben. We waren al zover dat er alleen nog iemand meereed van de stal tot over de drukke verkeersweg langs het duingebied, want van daaraf konden Linda en ik het naar Meyendell alleen redden. Op een afgesproken tijd zou er dan iemand ons op diezelfde plek opwachten.
Zo kwam ik op een zaterdag met koud, regenachtig weer terug en stond er niemand. Ik steeg maar zolang af en wachtte. Nog steeds niemand. Ik begon mij ongerust te maken over Linda want voor een warmgelopen paard is het niet goed in weer en wind stil te staan. Daar hoorde ik iemand lopen. Terwijl ik hem aanriep of hij mij even zou willen helpen, liep ik op hem toe met mijn linkerarm uitgestoken. Laat ik nu pardoes mijn hand in zijn leren jaszak steken. Ik verontschuldigde mij en vroeg of hij ons naar de overkant wilde helpen omdat ik niet zo goed kon zien. (Dit eufemistisch gezegd om de man niet nog meer de stuipen op het lijf te jagen.) Ik pakte hem bij zijn arm want ik was bang dat ik in die wind niet goed zou kunnen horen waar hij liep en zo staken wij gedrieën de weg over. Hij bracht ons heel lief tot in het ruiterpad. Ik bedankte hem uitbundig, steeg op en toen ging Linda, naar haar gewoonte op dat pad, er in galop vandoor. Ik moest inwendig lachen want het moet die meneer wel een heel vreemde vertoning geleken hebben. Enfin, de rest van de weg was naar verhouding niet zo gevaarlijk en Linda liep vanzelfsprekend naar de stal.
Een volgende keer dat mij hetzelfde overkwam en er ook geen wandelaar kwam opdagen, heb ik eerst heel goed geluisterd of er niets aankwam en ben toen met Linda aan de hand overgestoken. Een beetje griezelig was het wel, maar wat moest ik? Ik kon Linda toch geen kou laten vatten?
Zo zou ik op een avond een ritje maken. Tonnie, een collegaatje had beloofd met mij mee te fietsen. Ik stond startklaar, Linda gepoetst en gezadeld, maar wie er kwam, geen Tonnie. Dit gaf mij een ellendig, machteloos gevoel tot ik er zo de smoor over in kreeg dat ik ineens mijn witte stok pakte, Linda naar buiten leidde, opsteeg en ging. Ik besloot een klein rondje te proberen. Eerst de Kanaalweg langs, dan de Wagenaarweg, daar de Nieuwe Parklaan oversteken en linksaf het ruiterpad in. Het weinige verkeer dat er om die tijd nog was, hielp mij zelfs mijn richting te bepalen en zo slaagde ik erin Linda naar het ruiterpad te koersen. En vanaf het eind daarvan ging het weer op huis aan. Het was gelukt en mijn hart bonsde van trots en de nawerking van de spanning. Ik had bij het oversteken van de weg wel mijn stok opgestoken voor het geval er nog iets aan kwam. Dus nou ja, dan was het toch in orde? Dit experiment was het begin van een nieuwe fase: de grote stap naar onafhankelijkheid en het was Linda, mijn Linda, die dat mogelijk maakte. Net zoals ik in het gewone verkeer Vincent had om mij zelfstandig te bewegen. Met mijn Vinsje en mijn Lindy was ik vrij mens en dat is veel waard, heel veel.

Hoofdstuk 3 - Linda leren kennen


Ik hoorde onderweg een amazone tegen een andere zeggen: "Heb je een nieuw paard? Nou, reken er maar op dat je wel een jaar nodig hebt om hem goed te leren kennen". Ik was daar al achter gekomen. Linda is er in onze begintijd twee keer met mij vandoor gegaan. Niet dat ze echt op hol sloeg want haar hoofd verliezen deed Linda niet. Nee, zij wilde er zo maar vandoor; er was tenminste geen aanwijsbare aanleiding. De eerste keer was op het strand. Opeens ging ze knoerthard aan de haal. Er was geen houden aan en sturen was er ook niet meer bij. Of ik nu al probeerde haar naar het mulle zand of richting zee te krijgen, Linda rende met een scheef hoofd rechtdoor. Dan zeggen ze wel: "Flink je benen eraan en zwaar zitten". Zwaar zitten! Op een paard in rengalop dat jouw gewicht heel niet schijnt te voelen. Ik heb haar uiteindelijk resoluut een zwiep met de karwats tegen haar snoet gegeven, waarop ze omsprong en recht de zee in liep. Toen was de strijd gauw beslecht, want hoe dieper zij kwam hoe meer ze door het water geremd werd en daarmee had ik haar terug. Op het strand was zo'n escapade niet zo erg. Daar hadden we de ruimte en het was er stil geweest.
De tweede keer was griezeliger. Toen nam ze het rit op het betrekkelijk korte pad langs de gevangenis. Aan het eind daarvan moesten we een straat oversteken om in de Nieuwe Scheveningse Bosjes te komen en die straat was geplaveid met van die mooie, blauwe, gladde steentjes. Ik zette alle zeilen bij om haar te stoppen met als enig gevolg, dat zij in plaats van naar voren omhoog ging. Liet ik de teugels iets vieren zodat ze weer vier benen aan de grond kreeg, dan schoot ze weer weg. Dit herhaalde zich enige malen, ondanks dat Leen Jero bij zich hield. Tot overmaat van ramp ging ze aan het bospad voorbij en bleef op de weg en daar durfde ik het niet aan zelfs maar te proberen haar in een volte te trekken uit angst voor uitglijden. Op het asfalt van de aansluitende weg lukte het mij haar te keren en eenmaal omgedraaid was het over en bleef ze poeslief op Jero staan wachten.
Gesteigerd had zij ook al een keer eerder tijdens die ene rit met andere paarden uit die eerste stal toen haar buurvrouw naar haar had uitgehaald. Ze was dus al aardig roerig en op het verschijnen van een draaiorgel om een hoek stond zij meteen op haar achterste benen. Ik had toen niet het benul de teugels te vieren. Integendeel, ik hield ze kort waardoor Linda bleef ronddraaien en je reinste pirouettes uitvoerde. Ach, al doende leert men.

Toen ik Linda nog maar pas had, was zij eens nogal stuntelig over een balkje gestapt. Leen had zich afgevraagd of zij wel goed uitkeek. Linda niet goed uitkijken? Of die uitkeek! Linda zag alles en juist daardoor kreeg zij zoveel te verwerken. Zo kon zij al voor een half dozijn spetters op het wegdek inhouden om er vervolgens omzichtig langs te lopen. Hiermee gaf zij misschien ook blijk van een voorkeur voor droge voeten, ofschoon ... Als het wat langer geregend had, bleven er op de Waalsdorpervlakte plassen staan en dan mochten Jero en Linda op weg naar huis daar soms even drinken. Nadien liep ze de diepste plassen in in de hoop een slokje te mogen nemen. Dat mocht veelal wel en dan volgde de strijd van het wederzijds trekken omdat we van mening verschilden over het aantal slokken.
Maar o, als je haar die eerste keer aan het strand had gezien! Voor elk schelpje, stokje, elke kleurschakering van het zand bleef ze staan en voor de eerste aanrollende zeerimpeltjes maakte zij razendsnel de mooiste zijgangen. Zo heb ik ze haar later bij wijze van dressuuroefening niet kunnen laten maken.
Na haar eerste confrontatie met de zee was Linda ook daaraan gauw genoeg gewend geraakt en onder aanvoering van Jero leerde zij haar schroom overwinnen en ging mee pootje baden.
Als het goed warm en het strand goed hard was, galoppeerden wij ook wel door de ondiepe muitjes dat het water ons om de oren spatte.

In haar manier van afremmen had Linda meer weg van een rendier dan een paard met haar voorbenen stijf vooruit gestoken en haar hoofd daar vlak boven. Deze wijze van doen had overigens ook een goede kant. Dat bleek toen Jero en Linda op het golvende gedeelte van de Waalsdorpervlakte liepen. Daar ondernamen wij vaak een soort cross. Leen bleef het leuk vinden om onverwachts weg te schieten en als Linda Jero zag gaan, dan was zij er, zogezegd, als de kippen bij om hem achterna en voorbij te rennen. In dit geval zaten Linda en ik een meter of 15 meer naar links. Geen beletsel, gerend werd er. Totdat plotseling - ik schoot bijna over haar hoofd heen - Linda als een blok bleef staan. Leen draaide bij en zag toen dat er de uitloper van een verderop gelegen rol prikkeldraad over de grond liep die heel lelijk omhoog en terugkrulde. Ondanks haar haast om Jero in te halen, had Linda het bijtijds gezien en haar maatregelen genomen.

Op het strand gaf zij nog zo'n staaltje weg. We hielden ervan kleine wedstrijdjes te houden. Jero kreeg altijd een voorsprong omdat hij al zoveel ouder was. Hij werd die dag bereden door mijn vader die, door mijn enthousiasme aangestoken, op zijn 61ste op Jero was geklommen en door kijken en vele, toch wat bezorgde aanwijzingen van mijn kant, zichzelf had leren rijden. Zij gingen van start terwijl ik Linda achterstevoren gekeerd terughield, opdat zij niet te vroeg zou wegspringen en dan: "Ja, ga maar". Linda had nu een stuk in te lopen en juist op dat gedeelte was een hengelaar doende. Hij had zijn haak in zee geworpen en stond zelf met de stok verticaal een eind terug op het zand. Linda stierde recht op 's mans lijntje af dat daar op een hoogte van zo'n 30 tot 40 cm over het strand liep. Mijn vader zag dit alles terwijl hij in volle vaart achter de man langs stuurde, te laat om mij nog te kunnen waarschuwen. Het ging allemaal zo snel. De man zwaaide naar mij, maar daar pleeg ik niet op te reageren. Nu, wij haalden Jero in en goed en wel weer in stap zei ik tegen mijn vader: "Linda maakte nog een sprongetje, zeker over een greppel". Toen vertelde hij van de vislijn. Zijn schrik was al gezakt toen hij zag hoe schitterend Linda eroverheen zeilde. Ik schrok nog tweedehands achteraf. Als Linda het nu eens niet had gezien, wat helemaal niet ondenkbaar was met zo'n dun nylon lijntje, dan hadden wij over de kop kunnen slaan met Linda hoogstwaarschijnlijk een diepe snijwond in haar voorbenen, brrr. Nou ja, eind goed, al goed, en je kunt maar beter niet te lang stilstaan bij wat er allemaal zou kunnen gebeuren. Ik draaide het liever om: Linda was mijn knappe, kleine meiske, mijn heldin en haar ster rees.

Linda was niet dol op trams, maar daar vond ze iets op. Zodra zij er één zag aankomen, ging haar hoofd even neerwaarts om naar de stoeprand te kijken; dan plaatste zij delicaat haar voetje erop en vervolgde haar weg op het trottoir, kijkende alsof er een aantrekkelijke winkeletalage in het verschiet lag en er geen tram bestond. Was die tram voorbij, dan stapte zij eigener beweging weer even nauwgezet van de stoep af. Dat het niet helemaal langs haar koude kleren ging bleek wel uit het feit dat zij juist dan zo nodig haar staart moest optillen om enkele ponden lichter te worden: een duidelijk bewijs van agitatie. Ik schaamde mij dan wel een beetje want ik hoorde de plof achter ons of anders waren er wel kinderen die heel hard "oh, kijk" en "bah, vies" riepen. Ik deed dan net of ik niets zag; ik kon het toch niet wegruimen. Trouwens, wie ziet er nu wat er achter je gebeurt?
Met dit natuurlijk gebeuren heb ik ook iets grappigs meegemaakt. Op een zondagochtend moest ik een weg oversteken. Het was stil, dus het kon. Linda was al halverwege, hield toen in, iets wat zij altijd deed voor haar achteruitgangproductie. Een mevrouw op de stoep riep hulpvaardig: "U kunt overstee..", zag toen wat er gaande was en zei toen heel begripvol voor zichzelf alleen nog: "O".

Uitgesproken bangelijk was Linda niet. Ze had weleens zin om zich aan te stellen en net te doen alsof, bijvoorbeeld als zij zin had in een renpartij. Goed, trams vond ze niet daverend en met draaiorgels had ze niet veel op. Ook liep zij bij voorkeur met een wijde boog om vreemde objecten heen of ze ging, eenmaal op gelijke hoogte met het nare gekomen, even dribbelen om het gauw achter zich te laten.
Op het Lange Pad door de duinen, waar normaal geen auto's mogen komen, vond zij het nodig op het verschijnen van zo'n vehikel razendsnel om haar as te draaien en terug te rennen. "Kinderachtig hoor", zei ik tegen haar. Maar de volgende keer deed zij het weer en begon ze er een spelletje van te maken. Na drie opvoeringen van die grappenmakerij vond ik het welletjes en de keer daarop was ik er klaar voor, hield haar tegen en was het ook voorgoed over.
Een echt spelletje was het ook om wedstrijdjes te houden met de brommer van mijn vader. Aan het begin van het Lange Pad zette hij zijn motor af en liet ons eerst een eind doorstappen alvorens ons achterop te komen. Linda liep erop: zodra hij zijn motor startte, was zij weg. Wat kon zij er dan ook aan trekken!
Op korte avondritten kon Vincent ook nog mee en in haar vaart hield Linda dan toch haar hoofd iets scheef om te luisteren of om achteruit te kijken waar hij bleef. Ja, ze wist altijd precies wie erbij hoorde.

Ik herinner mij een voorval waarbij Linda en ik allebei echt schrokken, zij het om verschillende redenen. Op het moment dat een motorrijder ons passeerde, verloor hij zijn knalpijp die met veel gekletter op ons toe kwam rollen. Dat was te veel voor Linda. Zij nam een zijsprong waardoor zij op het tegelpad belandde en begon te glijden en juist daarvan schrok ík. Linda had onderuit kunnen gaan, erger nog, er had daar net iemand kunnen lopen en daar doe je dan niets tegen. Gelukkig bleef zij op de been en liep er niemand.

Er wordt wel beweerd dat het bang zijn van een paard wordt beïnvloed door de mentaliteit van zijn berijder; dat diens angst overslaat op het paard. Daar zou wel iets van waar kunnen zijn getuige het volgende.
Wij zouden weer over de Vlakte naar Meyendell. Jero werd door Moortje bereden en ik prijkte uiteraard op mijn Lady Linda. Nu werden er die dag verderop op de Vlakte schietoefeningen gehouden en ik houd niet van dat lawaai; dan krimp ik bij iedere knal ineen. Nou, opschieten maar, gauw de Vlakte over. Zijn me die paarden toch aan het rennen gegaan en toen het al lang niet meer nodig was, wij al een heel eind in het bosgedeelte waren, bleven zij doorgaan. Ze staken elkaar natuurlijk ook over en weer aan. Het leek wel wild west. We zijn nooit zo snel op Meyendell aangekomen of zo bezweet, alle vier. Zou het door mij gekomen zijn? Had Linda mijn reactie overgenomen of had zij het zelf ook beangstigend gevonden? Bij volgende schietoefeningen liet zij zich niet meer overdonderen, waarbij zij opgemerkt dat ik mijn best deed mijn innerlijke kalmte te bewaren. Ik vond het nog steeds benauwend, maar Linda trok er zich niets meer van aan. Ach, misschien hadden zij die dag alleen extra goede zin gehad, hadden zij ons waargenomen en is er nog niets bewezen.

Geleidelijk aan had ik onze verschillende routes in mijn hoofd in kaart gebracht aan de hand van herkenningspunten als voetpadoversteekjes, kruisingen, bochten en zelfs laaghangende takken waarvan het bestaan mij door eerder contact was bijgebleven. Daardoor wist ik ook waar wij vrijelijk konden draven en galopperen. Mijn Linda kende ze ook en wilde steeds eerder vast op eigen houtje het tempo verhogen. Inwendig grinnikend hield ik haar terug en zei: "Nee, nog niet". Tot zij acuut haar staart introk, "ieiet" zei en wegsprong; ik mocht wel mee. Ik had dan pret voor tien. 'Foei toch, dat is toch geen rijden. De ruiter behoort te allen tijde het paard elke pas aan te geven.' Linda wist natuurlijk best wel dat ik haar optreden leuk vond. Als zodanig ging het dus met mijn goedvinden en deed zij alleen maar wat ik wou.

Anders was het wanneer Linda iets ondernam dat niet met mijn wensen strookte. Zo kwam het voor dat zij niet van huis wilde; vermoedelijk trok haar hart dan meer naar Jero die haar hartverscheurend nahinnikte. Zij liep dan wel braaf de straat uit, liet zich de hoek om sturen, maar beneden aan die straat waar we een pleintje half om en een brug over moesten, draaide zij rond dat pleintje een slagje verder door zodat zij weer met haar neus richting huis kwam. Ze deed dit zo subtiel dat ik dat niet direct gemerkt zou hebben, ware het niet dat zij zichzelf verraadde door dan kwieker te gaan stappen.
Ook wanneer ik rechtdoor langs onze straat wilde gaan, heeft zij het mij geleverd op diezelfde stiekeme manier de summier zich rondende zijweg in te slaan die met een boog naar het uitgangspunt terugvoert. Ik werd dan al achterdochtig wanneer de overgang van steentjes naar asfalt lang uitbleef en de bevestiging gaf zij dan weer door er de pas in te zetten. Foei, Ik voelde mij dan echt genomen en vond haar niet lief; wel uitgekookt, niet lief. Maar ik vond er iets op. Als ik gemerkt had dat zij wat mij betrof verkeerd ging, dan moest ik haar eerst wel naar huis laten gaan en opnieuw beginnen. Vóór het kritieke punt steeg ik dan af en leidde haar met mijn stok langs de trottoirrand en recht overstekend tot voorbij de uitwijkmogelijkheid en dan gaf zij zich gewonnen. Zelfs op termijn want later probeerde zij het, daar althans, niet meer.

Linda ontpopte zich als een kleine individualiste. Ze had wel belangstelling voor haar soortgenoten, maar dit beheerste geenszins haar gedrag. Halverwege de route naar Meyendell mochten Jero en zij bij een open plek naast het ruiterpad een poosje grazen als de weersomstandigheden dit toelieten. Wij lieten hen gewoon loslopen met opgebonden teugels en opgestoken beugels. Ze bleven lief bij elkaar en liepen niet weg; allicht niet, zolang zij maar konden eten. Later, met mij alleen, mocht Linda dat ook en geloof maar niet dat zij wegliep. Ik heb vaak in het zonnetje gelegen terwijl Linda gras of eikenblaadjes stond te peuzelen en er paarden voorbij kwamen. Die konden in draf of zelfs galop zijn, ze keek amper. Soms riepen de berijders mij omdat ze mij niet zagen en Linda daar ogenschijnlijk in haar eentje stond te grazen. Ik richtte mij dan even op en zwaaide naar hen. Gerustgesteld draafden zij dan door en Linda bleef bij mij! Was dit trouw jegens mij? Onverschilligheid voor die andere paarden of de allesoverheersende eetlust? Maar hoe dan het volgende te duiden?
Ik zat in het zonnetje tegen een boom geleund en Leen stond een eindje verder een sigaret te roken. Nu had Jero de hebbelijkheid zo nu en dan een zanderig plekje te willen zoeken om daarin te gaan rollen. Fijn, maar natuurlijk niet met zijn zadel op. Die bewuste dag was Jero iets afgedwaald en ineens zag Leen hem door de knieën gaan en gaf een brul om Jero ervan te weerhouden zijn snode plan uit te voeren. Jero schrok zo dat hij niet alleen weer overeind schoot maar ook weg galoppeerde en Linda er achteraan. Een typische kuddevluchtreactie en Jero was per slot haar maatje. Zij was niet eens bij Jero in de buurt geweest, maar ook niet veel dichter bij waar ik zat. Ik dacht half in paniek: hemel, daar gaan ze. Om toch iets te doen riep ik haar na: "Lindy, Lindy, peentje". Even later klonk er gekraak tussen de bomen en laat ze nou echt naar mij toekomen, in volle draf, tot vlak voor mijn voeten. Ik had al een worteltje in m'n hand en zij nam het nog snuivend van agitatie van mij aan. Ik was diep vertederd. Het was net of zij ook opgelucht was naar mij toe te hebben kunnen gaan als een veilig, vast punt. Jero was uiteraard ook niet ver gegaan en voegde zich niet veel later weer bij ons.

Linda was zeker geen klever. Liepen er andere paarden voor haar uit, dan trok zij daar niet achteraan. Dat haar soortgenoten haar niet helemaal onverschillig lieten, bleek wel als zij op een smal pad een paard tegenkwam. Dan liep ze soms recht op die tegenligger toe om even te neuzelen. Ook wilde zij weleens extra langzaam gaan lopen als om te weten te komen wat er achter haar aankwam. Als die berijders verzochten ons te mogen passeren, liet zij hen voorbij draven zonder verder notitie van hen te nemen. Haar eergevoel werkte dus ogenschijnlijk niet ten aanzien van vreemde paarden. Ze mochten gaan draven, eventueel galopperen, zij bleef onverstoorbaar doorstappen.

Afbeelding van Linda met de tong uit
haar mond


Alleen als een paard haar in galop achterop kwam, zou de vluchtreactie in werking kunnen treden. Of als zij toch al zin had in actie, dan vormde het natuurlijk een mooi excuus om ervan door te gaan. Voor dit doel dienden trouwens de meest onwaarschijnlijke dingen. Ze ging dan wel schrikken voor iets waar ze anders geen acht op sloeg.
Er was één uitzondering op die afwezige rivaliteit met andere paarden. Leen liet Jero altijd het laatste stuk naar de boerderij galopperen. Dichtbij het eind en vlak voor de laatste bocht lag een boom over het pad. Het was Leen z'n shownummer daaroverheen te springen en dan nog even door te zetten die bocht door en dan dravende het erf op te komen. Linda had die slechte gewoonte natuurlijk overgenomen. In m'n eentje deed ik het kalmer aan, probeerde dat althans te doen. Maar o wee, als zij op de verharde weg een harddraver met sulky hoorde, dan was er geen houden aan. Dan vloog ze door tot op het erf om toch vooral als eerste aan te komen. Zeer tot misnoegen, en terecht, van de boer die daar soms net zijn paard stond te poetsen. "Foei, stoute meid", zei ik dan, "nou hebben we 't verbruid". Gelukkig was dat altijd maar van korte duur.

Eens heeft Linda gezelschap gezocht. Op de Vlakte merkte ik toen dat zij haaks afsloeg en doelbewust ergens op afstevende. Even later stapten wij naast een ander paard met een meneer erop. Ik haastte mij uit te leggen dat Linda enkel maar wilde kennismaken. Even hebben de paarden toen geneuzeld en daarna heb ik Linda gewend en, met toestemming, in draf gezet om onze oorspronkelijke koers te hernemen. Die meneer waarschuwde dat er langs het pad waarop wij ons toen bevonden hekjes waren geplaatst. Ik bedankte hem, doch meende dat Linda dat maar moest uitzoeken; zij was per slot van het rechte pad afgeweken. Linda had geen problemen met die hekjes en wij arriveerden weer veilig en wel op Meyendell. Het was natuurlijk onzin de verantwoordelijkheid voor alles wat niet goed ging Linda in de schoenen te schuiven, maar mijn vertrouwen in haar was wel degelijk gerechtvaardigd. Was dit alles dan niet gevaarlijk? Welnee, Linda kon immers lezen en schrijven. Dat had ze laten zien toen zij abrupt had afgeremd voor een wit bord opzij van het pad, waarop 'Verboden toegang' bleek te staan.

Op een mistige zondagochtend beleefden wij evenwel iets heel anders. We waren bijna boven op een duintop toen Linda bleef staan. "Wat ziet ze nou weer?", vroeg ik aan Leen achter mij. Die zag niets. Maar toen doemden uit de nevel twee forse Franse herdershonden op en op hetzelfde moment draaide Linda om haar as en stoof de helling af. Na haar te hebben gestopt, keerde ik en stuurde haar achter Jero aan. Leen veronderstelde dat het een oerinstinct was om voor wolven op de vlucht te slaan. Of het een primaire reactie was, zij die honden voor wolven had aangezien, werd niet duidelijk. Ze had die honden daar wel vaker gezien, zij het bij helder weer. Het waren juist bijzonder rustige dieren die paarden altijd ongemoeid lieten. Het plotselinge zal wel een rol gespeeld hebben. Hoe dan ook, Linda ging wel rechts van Jero lopen, waarmee ze hem tussen zich en de honden hield. Toen deze
herkenbaar waren geworden, liep zij weer vooruit en opzettelijk vlak langs hen heen, als om ons te tonen dat zij niet bang was. Ik heb haar desondanks voor held op sokken uitgemaakt.

Naast zijn leerzame begeleiding gaf Leen mij ook steeds mooie beschrijvingen van wat er rondom te zien was. Voor hem zag de Waalsdorpervlakte er elke zondag weer anders uit, afhankelijk van het seizoen en het weer. Ik genoot daarvan. Als kind was ik met mijn moeder en zusje daar bramen wezen plukken en had zo jong als ik was oog gehad voor wat er allemaal te zien was. Mijn moeder was nog achter een hagedisje aangegaan, dat gelukkig had kunnen ontkomen met behoud van staart.
Een soort uitschieter in dit verband voltrok zich op een morgen op weg naar huis. Het was nevelig. Linda en ik kwamen het laatste topje voor de Vlakte op en toen voelde ik op mijn gezicht de zon voorzichtig doorbreken. In mijn geestesoog zag ik het voor mij: de zon die steeds sterker doorkwam. Op een kronkelige manier deed het mij denken aan zonsondergangen aan zee die ik vóór de oorlog nog gezien had. Het wegzinken van die gloeiende bol achter de kim met die uitlopende baan verkleurend van oranje naar rood. Zo had ik mij in mijn kindergeest ook de Rode Zee voorgesteld, waardoorheen Mozes zijn volk leidde. Linda had daar oog noch tijd voor. Zij zag die uitnodigende vlakte voor zich en dook de helling af.

Op weer eens een stralende zondagochtend kwam mij langs De Ruygenhoek een jongetje tegemoet fietsen. Hij riep: "Mevrouw, bent u miljonair?" "Nee", zei ik. Hij weer: "Wat dan?" En toen kwam er spontaan bij mij boven: "Gewoon, rijk". En zo voelde ik 't ook: Daar had ik me toch maar even een paard, een hond en mooi weer om samen van te genieten. Het jongetje was kennelijk met mijn antwoord tevreden want hij vroeg niet verder. En och, hij hoefde zich zo vrij daarbuiten op zijn stalen ros niet minder rijk gevoeld te hebben.

Dit herinnert mij aan een eerdere, bijzondere beleving tijdens een rit die ik al alleen met Linda kon maken. Op een zonnige dag waren wij op weg naar huis. Onze route liep over de Hubertushoogte waarbij wij dan achter het vroegere KLM gebouw een vrij steile helling af moesten. Dit deden wij stapvoets en daardoor kon ik volop genieten van de weldadige warmte van de zon. Op zeker moment trok deze zo door mijn hele lichaam dat dit mij een fysiek doorvoelde gewaarwording van intens geluk gaf. Deze sensatie werd even later overschaduwd door een zich aan mij opdringend beeld van de ramp, ik meen een aardbeving, die zich pas in Akadir had voltrokken. Daarbij waren vele doden en gewonden gevallen; kortom veel mensenleed. Gedurende mijn verdere afdaling zat ik toen te prakkizeren over of ik wel gerechtigd was mij zo blij te voelen terwijl er elders in de wereld zoveel ellende was, direct gevolgd door een aaneenschakeling van gedachten over de vraag of de slachtoffers in Akadir erbij gebaat waren dat mijn blijdschap verdrongen werd vanwege hun leed.
Ik onderging nog steeds de zonnewarmte en was nog steeds of eens te meer doordrongen van het fenomeen daar zo samen met mijn Linda te Kunnen voortgaan. Het gevoel van opperste gelukzaligheid was voorbij, vervangen door of beter overgegaan in een bewust zijn van een anderszins beleefde intensiteit.

Hoofdstuk 4 - In en om de stal


Al tijdens mijn rijlessen op Jero had ik zaken geleerd als beugels opsteken en teugels opbinden voor als we onderweg de paarden een poosje los lieten grazen. Verder ook zadelen en het hoofdstel aandoen. Dat ging allemaal best. Maar karweitjes als poetsen, voeten uitkrabben en wassen vielen daar buiten naar ieders mening. Hoewel poetsen? Het was te proberen. Met aanwijzingen van Leen en goede, oude Jero als oefenobject toog ik aan het werk. Het was niet moeilijk en zo bleek veel helemaal niet zo ondoenlijk. Alleen het opstrooien van de box moest je echt wel kunnen bekijken. Dat leek mij ook wel, tot er een keer niemand was om dat te doen en ik het toch maar moest zien op te knappen. Ik redeneerde: zal ik het niet zo goed doen, het gaat erom dat het paard een droog bed krijgt en dat kwam dik voor elkaar.

Tegen de tijd dat ik Linda kreeg was het dan ook vanzelfsprekend dat ik haar zelf zou verzorgen: haar poetsen, haar gezicht, achterste en voeten wassen als dat nodig was enzovoorts en ik moet zeggen dat ik het liever doe dan vaatwassen. Toch lag het met de behandeling van Linda even anders dan bij Jero. Waar Jero alles goed vond, kon dat van Linda niet worden gezegd. Jero was een lobbes, Linda een vinnig klein ding met gebruiksaanwijzing. Ze was zelfs wat bijterig. Misschien kwam dat voor een deel doordat kinderen haar in haar bakkerswagenperiode nu eens wat te eten hadden gegeven en dan weer lege grijphandjes naar haar hadden uitgestoken, wat haar ietwat kopschuw en kribbig had gemaakt. Ze was ook niet vrij van jaloezie. Zo beet ze eens een vriendin in haar schouder, ogenschijnlijk omdat die met de rug naar Linda gekeerd haar aandacht aan een ander paard schonk. Naar mijn Vinsje probeerde zij ook te happen, maar die was wijs genoeg om afstand te houden. Bovenal wilde zij zich als een echte merrie zo maar niet alles aan haar lijf laten welgevallen. Ik mocht haar wel borstelen als ik maar van haar borst en buik afbleef. Nu moesten die toch ook een beurt hebben. Een paar keer al was ze mij te vlug af geweest en had ik een flinke knauw gekregen. Dat kon ik niet waarderen en dus hebben we spelregels ingevoerd. Ik heb haar toen één keer met mijn middelvinger vanaf mijn duim tegen haar oor geschoten. Nadien keek ze altijd eerst voorzichtig om en hoefde ik enkel mijn vinger op te steken om haar het hoofd te doen rechtdraaien. Nog later kon ik volstaan met slechts naar haar te kijken, haar onderwijl verzekerend dat ik haar in de gaten hield. Begon ik haar buik te poetsen of moest ik haar buikriem aansingelen, dan keek zij of ik keek en wendde dan schielijk het hoofd weer af. Was haar borst aan de beurt, dan ging ik eenvoudig onder haar hals staan. Dan kon zij naar hartelust over mijn schouder heen in het niets bijten, dat deerde niemand. Ze was ook niet kwaad; het was zuiver een reactie op een voor haar onaangename prikkel, die overigens bij meer paarden voorkomt. Haar modderige voeten laten wassen was ook nieuw voor haar en daartegen maakte zij bezwaar door met haar achterbeen zo lekker zijwaarts uit te halen. Toen vriendelijke woorden niet baatten, moest ik haar wel een stevige tik tegen dat been geven op het moment van uithalen en dat bleek afdoende. Het zogenoemde sponzen vond ze ook geen succes, behalve 's winters als ik warm water gebruikte. Maar laten we wel wezen, zo'n spons koud water onder je staart geduwd te krijgen was geen pretje en niet in overeenstemming met Milady's waardigheid. In dat geval sloeg zij recht naar achteren. Nu ja, daar ging ik niet staan, dus toe maar.
Rancune kende Linda niet; was alles achter de rug, dan was zij weer het vriendelijke beestje, altijd bereid mijn zakken te plunderen of mij een lik in m'n gezicht te geven. Zij kon uiterst voorzichtig met haar stevige lippen een suikerklontje van tussen mijn lippen wegnemen.
Ik heb Linda waarschijnlijk nogal verwend met veel beloningen voor als zij deed wat ik van haar vroeg, maar werkte ze niet mee, dan kon ik ook tegen haar uitpakken. Als ik weleens op haar mopperde voor het een of andere vergrijp, dan toonde madame zich beledigd. Lang duurde dat nooit. Ik verdenk haar ervan dat zij dacht: "Klets maar een end weg; straks moet je toch weer bijdraaien". Een paar maal had zij 't zo bont gemaakt dat ik hartgrondig op haar stond te schelden. Dan snurkte ze door haar neusgaten met haar hoofd hoog opgeheven. Hield ik op bij gebrek aan woorden of adem, dan kwam haar hoofd weer naar omlaag met een groeiend air van "Zo, klaar? Geef mij dan nou maar wat lekkers om het goed te maken."
Aan de andere kant leek Linda zich er terdege van bewust dat ik bepaalde dingen niet met opzet deed. Zo ben ik menigmaal tegen haar opgebotst doordat ik scheef liep, dacht dat zij anders in de ruimte stond of helemaal niet dacht. Soms liep ik met een behoorlijke vaart tegen haar staart op, met een schop tegen haar enkel op de koop toe en nooit heeft zij naar me geslagen. Als het erg hard aankwam, ging ze op z'n hoogst een pasje opzij. Bij iemand anders zou ze misschien net zo gereageerd hebben, maar een ander liep uiteraard niet tegen haar op. Wel zag boer Rodenburg eens dat ik per ongeluk met mijn karwats in haar lies kriebelde, waar zij niet op reageerde. Hij vroeg zich af of Linda werkelijk zo mak was, maar toen hij zijn hand naar haar lies uitstak, kwam zij ogenblikkelijk met zo'n zijwaartse uithaal. Dat waren zo de voordelen naast soms de nadelen die ik ondervond van haar mogelijk besef van mijn handicap. Het kan ook altijd nog zo zijn dat zij van mij meer nam of kon hebben.
Overigens bleek algauw dat ik Linda rustig kon poetsen en zo terwijl zij at. Eten maakt voor paarden wel het belangrijkste deel van hun leven uit en Linda vormde daarop geen uitzondering. Zij at zogezegd graag, veel en dikwijls. Ze ging er zo geheel in op dat ik ondertussen alles aan haar kon doen, terwijl je veel paarden dan juist liever met rust moet laten. Met voertijd liet ik Linda gewoonlijk uit de box komen en aan de haverkist eten. Een plastic bakje dat in een metalen frame paste, hing ik met de afgemeten hoeveelheid voer erin aan de rand van de kist. Onderwijl kon ik dan gemakkelijker haar bed rechttrekken en vervolgens haar hoeven uitkrabben en invetten. Ze wist precies wat er van haar verwacht werd en tilde uit zichzelf het voetje op waar ik bij kwam om na te kijken. Was ik met dat alles klaar, dan nam ik de voerbak onder haar neus vandaan en liep ermee naar haar box met Linda op mijn hielen. Als de bak intussen leeg was, ging zij wel aan het hooi verder. Meestal kwam zij als ik haar riep of ik pakte haar even bij haar manen om haar op weg te helpen. Eenmaal weer in haar fris opgemaakte bed kreeg zij een emmer vers water bij zich en een plak hooi die ik voor haar uiteentrok en dan was ze weer verzorgd. Dit ritueel was mogelijk doordat Linda zo geconcentreerd at met haar mond onafgebroken in haar voerbakje. In tegenstelling tot Jero die - overigens als veel paarden - zijn toet niet boven zijn veel grotere trog hield en met zijn volle mond zo nodig moest rondkijken en de helft morsen.
Vanwege Linda's geabsorbeerdheid in eten meen ik in het volgende voorval een bewijs van aanhankelijkheid te mogen zien.
Op een avond zou ik na kantoor nog een ritje maken. Mijn vader was gekomen om ons op zijn brommertje te vergezellen. Terwijl ik mij verkleedde, ging hij alvast naar de stal om Linda een voorafje te geven van haar latere avondmaal. Toen ik de stal in kwam, stond Linda dus met haar neus in de haver. En toen gebeurde het dat zij haar hoofd ophief, uit haar etensbak die nog niet leeg was wel te verstaan, achterom keek en mij zachtjes toehinnikte. Ik kreeg toen zo'n overweldigend gevoel van geluk en ontroering dat de tranen mij in m'n ogen sprongen.

De eerste jaren heeft Linda in de voorstal gestaan. Daarna is zij verkast naar de achterstal die door een schuifdeur van de voorstal was gescheiden. In de voorstal was het veel rumoeriger doordat die op de straat uitkwam en de deur vaak open stond. Met het in- en uitlopen van mensen die er al dan niet iets te maken hadden daar nog bij, was het niet zo verwonderlijk dat dit op de paarden zijn uitwerking had. Linda stond dan ook veel achterstevoren in haar box, maar als het tegen voertijd liep, wou zij zich wel omdraaien. Dan stond ze echt op de uitkijk en weerklonk er een luid gebulk al op het verschijnen van Vincent in de deuropening, waar ik nog een eindje achteraan kwam.

's Winters kreeg Linda ook wel pap te eten: een slobber van zemelen met een beetje lijnmeel in heet water aangemaakt. Dat gaf haar een min of meer kleverige baard die ik dan even wilde afwassen. Na één zo'n maaltijd kwam ik met een natte spons de box in en pakte Linda bij haar kin. Zij trok zich los en wendde zich af. Ik liep weer naar haar hoofd, maar het lukte mij niet haar één-twee-drie bij de kin te vatten of zelfs maar bij haar manen. Vóór ik zover kon komen, draaide zij zich helemaal om met haar achterhand naar mij toe. Tegen die tijd bevond ik mij achter in de box en kon geen kant uit. Ik dacht: nou komt de klap en gilde: "Lindy". Ik had mijn linkerhand uitgestoken en voelde haar hammen omhoog komen, evenwel niet om te slaan, enkel om onder mijn hand weg te deinen in draf de box uit de stal in. Ik weet echt niet meer wat zij daar toen deed; vermoedelijk gewoon van het hooi eten. Ik vond haar erg lief en zal haar dat zeker in haar mooie oortjes gefluisterd hebben, wat niet wegneemt dat ik haar snoet schoongemaakt zal hebben. Ondank is 's werelds loon.

Toch was dit nog niets vergeleken bij mijn benauwenis toen na een onschuldig begin een ramp dreigde. Ik liep in de stal heen en weer om de boel wat op te ruimen met Linda achter mij aan. Ik had haar even tevoren wat biksjes uit mijn zak gegeven en zij veronderstelde dat daar nog wel meer in zat. Als een hondje liep ze mij na tot zelfs in het donkere zadelkamertje, wat niet meer was dan een diepe kast. Ik vond het heel stoer van haar dat zij zich zo ver waagde en wilde haar nog iets geven. Ik voelde in mijn zak en dacht nog een paar brokjes te vinden. Linda gunde mij ook niet de tijd om dat even goed na te gaan. Met dat zij ermee achteruit stapte, schoot het door me heen dat ik in die zak een gevonden manchetknoop had gestopt. Als een snoek schoot ik achter haar aan, pakte haar bij haar kin en kneep haar mond open. Ik had nog nooit eerder een paardenmond hoeven openmaken en als ik tijd gehad had om erover na te denken, dan had ik mij wellicht wel twee keer bedacht. Maar door de schrik tot daadkracht aangezet, deed ik als bij mijn hond en dat werkte. Haar mond ging open en ik stak mijn andere hand erin; voelde een dikke tong en kiezen, doch een manchetknoop? Ho maar. Linda hield haar hoofd intussen niet stil en wrikte haar neus omhoog om los te komen. Zie dan maar eens een manchetknoop uit zo'n bewegende mond te vissen. Linda bleef urmen en ik kon haar niet langer vasthouden. Ik stond er verslagen bij en probeerde net te bedenken dat het geen scherp ding was en dat het er waarschijnlijk langs de natuurlijke weg weer zou uitkomen, toen ik merkte dat Linda heel raar stond te kauwen en een ogenblik later spuwde zij de knoop uit. Ik was zo opgelucht en verrukt over haar verstandige gedrag dat ik haar om de nek ben gevlogen en haar heb meegetroond naar de haverkist voor een handvol echt eetbare waar.

Een grappig incident was wat zich afspeelde op het werkterrein van Leen Bouter, waar Linda in het begin haar zaterdagse grote beurt kreeg. Leen stond bij Linda's hoofd, toen hem zijn middagthee gebracht werd. Hij hield het kopje in z'n hand, was net klaar met roeren, toen Linda haar neus naar voren en in het kopje stak. Leen verroerde zich niet en liet haar begaan. En daar stond Milady vol overgave uit het kopje te lebberen. Het suikergehalte zal haar wel het meest hebben aangetrokken. Het leek of er met het gesabbel van haar lange laptong meer speeksel in het kopje kwam dan dat zij er thee uit kreeg, maar ze scheen er toch erg van te genieten en liet niet af. Er werd zelfs een tweede kopje aangedragen met een extra hoeveelheid suiker erin. Linda ging ijverig door met slobberen want voor drinken was het kopje te klein. Ten leste duurde het haar toch te lang en wilde zij het hele kopje maar ophappen. Het theemeisje gilde om haar porselein, maar Leen had het kopje bijtijds teruggetrokken. Daarmee was dat feest voorbij. Voor wie de pret het grootst was, laat ik in het midden.

Het is wel duidelijk dat Linda's maag haar alles was. Als ik in de stal kwam, werd ik altijd luidkeels begroet. Ik vermoed dat zij wel vaker zo'n bulk gaf in de hoop dat er iemand op zou komen. Als het dan al tegen etenstijd liep, kwam er nog iemand ook. Toen Linda later in de achterstal kwam te staan, reageerde zij op het geluid van mijn vallende stok. Zodra ik binnenkwam, gooide ik die langs de muur op de grond en daarop brak van achter de schuifdeur haar gejubel los. Dan volgde de dagelijkse voorstelling. Vins ging op zijn plaatsje in het stro liggen. Ik liep door naar de achterstal, maakte de bovendeur van de box open en kreeg een lik op mijn hand. Dan deed ik de onderdeur van de grendel en liep terug naar voren, vanzelfsprekend gevolgd door mijn kleine hongerlijdster. Als ik de haverkist niet gauw genoeg open kreeg, begon Linda heel ladylike met haar voetje over de grond te schrapen. Zodra de deksel omhoog stond, doken wij er samen in: zij met haar eigenwijze snoet in de berg haver voor een eerste hap en ik met haar etensbakje. Dat hing ik dan na het vullen aan de rand van de kist, waarop zij meestal vanzelf daaruit verder ging eten. Zo niet, dan dreigde ik de deksel op haar hoofd te laten zakken; dan kwam ze er wel uit. Ook een doeltreffende methode was mijn hand gravend onder haar mond in de haver te steken en die dan omhoog te brengen. Dat deed ik ook als ik haar niet te veel achter elkaar wilde laten drinken. Aan haar manen of halster trekken, als ze dat al om had, had geen effect, maar zo met mijn hand onder haar mond gaf ze direct mee en was het een klein en vooral licht kunstje.

Hier dient nog vermeld dat Linda alleen uit haar eigen emmer dronk en uitsluitend vers water bliefde. Een nog half volle emmer in haar box was geen bewijs dat ze geen dorst had. Vulde ik hem met vers water, dan was de kans groot dat ze hem bijna helemaal leegdronk. Als ik met haar emmer bij de kraan bezig was en Linda had dorst, dan gaf ze dat te kennen met dat klokkende gehinnik, daarmee mij tot spoed manend. Ze ontdekte ook een manier om er zelf iets aan te doen. Met de bovendeur open presteerde zij het met haar kin het grendelknopje van de onderdeur eerst op te lichten en vervolgens opzij te schuiven; dan kon zij eruit. Ik moest altijd weer lachen om die gekke meid zo bezig te zien. Dan stiefelde ze naar de kraan, hapte in de waterstraal of probeerde in de zich vullende emmer te duiken. Kon ze nog niet bij het water, dan trok zij met haar kin de emmer schuin om onverwijld haar dorst te lessen. Als dat zo uitkwam, kon ik haar gelijk mooi even sponzen want ook zolang zij dronk was Linda voor de wereld verloren.
's Winters kreeg Linda ook winterpeen bij wijze van vers voer. Het was een genot haar daarop te horen knauwen en ook om vlak bij haar te gaan staan en de caroteengeur mee op te snuiven.
In het voorjaar en de zomer namen wij Linda bij goed weer mee om ergens te grazen. Er waren diverse grasveldjes in de buurt, maar het prettigst was een speellandje dichtbij de stal waar ik Linda mettertijd ook gewoon los liet lopen. Nam ik haar mee naar dat landje, dan was ze het laatste stukje haast niet te houden. Zij begon te dansen en trok mij zowat mee. Ik moest flink achterover hangen om haar af te remmen. Hoorde ik geen verkeer aankomen, dan haakte ik de musketon van het halstertouw los en draafde zij vooruit. Vins liep los mee en hij bleef keurig op de stoep.
Sommige paarden willen, als zij in een wei worden vrijgelaten, eerst even rondhollen en/of rollen alvorens te gaan grazen. Niet mijn Linda. Daar had zij vooreerst geen tijd voor. Zij stak haar neus al in het gras terwijl haar achterbenen nog op de stoep stonden. Wat later zou zij misschien gaan rollen. Zo mocht zij dan een uurtje grazen.
Er zijn tijden geweest dat ze kwam als ik haar riep, mits ik mij niet te veraf bevond. Anders kwam ze ook wel zo successievelijk mijn kant uit bij wijze van vertraagde reactie op mijn roepen. Dan vond ze het veelal nodig uitgerekend het gras te eten van het plekje waarop ik mij had neergevlijd. Wanneer zij op mijn roepen gekomen was, kreeg ze altijd iets lekkers. Kwam ze grazenderwijs in mijn buurt, dan meende zij daar ook aanspraak op te kunnen maken; mooi niet. Dat belette haar niet te proberen het zelf uit mijn zak te toveren. Ik ging dan gauw op mijn buik liggen zodat zij er niet bij kon met als gevolg een peut van haar neus. Met een beetje hulp van mijn kant rolde ik weer op mijn rug, waarop zij een nieuwe aanval op mijn zak inzette. Soms rolde ik een hele slag rond, waar zij natuurlijk niets mee opschoot. Vervolgens weer een peut en weer een wenteling. 'Kopballen' noemde ik dat spelletje. Op het laatst ging ze maar weer grazen; dan hapte zij het gras langs mijn oren weg. Nooit is zij daarbij op mijn hand of been gestapt.

Steeds als Linda bedelde, krabde zij heel delicaat met haar voetje zodat ze mij niet kon bezeren. Eens toen ik op mijn hurken bij haar in de box was gaan zitten om haar wat gezelschap te houden, legde zij haar knie op mijn schoot. Even leek het erop dat zij helemaal op schoot wilde, maar gelukkig zag ze daar vanaf. Het denkbeeld trok mij ook niet bijster, gedachtig mijn ervaring als ik wel mijn teen onder enkel haar voetje geplaatst had.
Op een namiddag - het was al laat zomer en het gras was niet veel meer - liet ik Linda toch nog even vrij op het landje. Ze ontdekte een Zweeds gezelschap dat daar zat te picknicken. Deze lieden waren net toe aan hun dessert van fruit. Nou, Linda erop af. Ze wilde best meedoen en pakte links en rechts appels en peren aan. Iemand waarschuwde mij dat Linda de boel onveilig maakte of de mensen lastig viel, dus ging ik haar gauw opvissen en nam haar, verontschuldigingen mompelend, aan het halstertouw mee een eind er vandaan. Toen kwamen de Zweden ons achterna. Of zij haar niets mochten geven; dat zij het zo leuk vonden. Nou ja, toen heb ik haar maar weer losgelaten. Trouwens, wat dat betrof was Linda zeker niet eenkennig. Zag ze iemand met een pakje onder de arm langs het trottoir staan, dan stopte zij en stak haar neus ernaar uit. Een andere keer pakte ze bijna een palmpaastakje uit de hand van een jongetje dat argeloos bij een oversteekje van het ruiterpad stond te wachten tot wij gepasseerd zouden zijn. Ik voelde net bijtijds dat haar hoofd naar rechts zwenkte en door ervaring wijs geworden, had ik haar voor alle zekerheid teruggetrokken en toen pas geïnformeerd wat ze van plan geweest was.
Toen ik Linda pas had, stond ze een keer heel zoet op Jero te wachten voor het voortuintje van het huis naast de stal. Te zoet. Dat viel mij niet zo op omdat ik haar nog niet goed kende. Ik zat heerlijk op haar rug met losse teugels, komt er een mevrouw naar mij toe die vraagt: "Wilt u met uw paard een eindje verderop gaan staan, hij eet mijn viooltjes op". Die bleken in bakken op het muurtje te staan, als opgediend. Zij heeft het ook bestaan een appel van een groentekar te stelen. Een kennisje reed Linda voor mij af en lette niet zo op haar omgeving. Linda wel: Toen ze naast de kar kwam, hield ze even in, greep een grote appel en dribbelde haastig verder. De eigenaar van de kar was nergens te bekennen, dus nou ja, op is op en weg is weg.
Aan Linda's houding kon ik aflezen dat zij iets bijzonders zag. Dit was erg handig want daarmee vertelde zij mij op haar manier dat er iets was. Ik vond het ook leuk omdat ik wist dat zij dan op haar mooist was. Ook in draf kon zij soms haar hoofd ritmisch omhoog gooien, dat het gewoon vroeg om een pluim tussen haar oren. Die mooie houding nam zij ook strijk en zet aan als ze op het landje was en er een plezierboot door het kanaal beneden langs voer. De motor van die boot tjoeketjoekte indringender dan die van andere boten. Bovendien is zo'n boot meestal met vlaggetjes versierd. Ik weet niet of Linda het nu griezelig of puur fascinerend vond. Wat het ook was, zij vergat dan te kauwen en staarde ernaar met hooggeheven hoofd, oortjes naar voren: een en al gespannen aandacht, klaar om op de vlucht te slaan, maar dat heeft ze nooit gedaan.
Mijn vader gaf mij weer zo'n ooggetuigenverslag van haar gedrag toen Jero terugkerend van een rit langs de weg kwam aangestapt. Eerst keek ze maar zo even op, niet geïnteresseerd, maar toen ze hem herkende, stond zij even heel stil in die gespannen houding, vervolgens trilde haar lichaam van haar zachte hinnik en op hetzelfde moment viel ze als het ware naar voren om Jero te gaan begroeten. Het is altijd het achtergebleven paard dat hinnikt of als eerste hinnikt, althans, dat heb ik bij Jero en Linda waargenomen. Op het landje, het Lindalandje, liet zij zich altijd wel gemakkelijk pakken als wij haar naar binnen wilden brengen. Als ik alleen was, moest ik weleens zoeken. Dan dwaalde ik wat rond tot ik haar hoorde gras afbijten. Dan was het verder een peulenschil om op het geluid af te gaan en het halstertouw aan te haken. Na soms enig touwtrekken ging zij dan mee met een laatste mondvol gras.

Afbeelding van grazende Linda


Met dat pakken liep het één keer evenwel anders. Mijn vader die vaak tussen de middag voerde, had Linda in de voorstal aan de muur vastgezet om zo haar bed makkelijker op te strooien. Met haar tanden had zij het touw uit de knoop weten te trekken en ziende dat de voordeur openstond, had Linda ook geen hulp nodig om op het landje te komen; een afstand van zo'n 150 Meter. Toen mijn vader haar hoorde wegtrippelen, was hij er direct achteraan gegaan om haar terug te halen, maar dat was er toen niet bij. Iedere keer dat hij haar naderde, ging zij een metertje opzij en bokte. Dit herhaalde zich ettelijke malen. Ze sloeg niet naar hem; ze ging steeds eerst opzij als om hem te zeggen dat zij er nu net was en geen zin had weer gelijk mee terug te gaan. Nu, toen heeft hij haar er maar zolang gelaten. Hij was teruggegaan naar de stal met de bedoeling zich na zijn besognes bij haar te voegen, toen Linda al werd thuisbezorgd door een pikeur en een staljongen, twee man sterk. Hoe kwamen die daar? Wat bleek: onze burgemeesterse was in haar auto langs het landje gekomen, had daar een paard in z'n eentje zien grazen en had prompt de dichtstbijzijnde manege gewaarschuwd als zou één hunner paarden zijn weggelopen. Ach, het was enkel kleine Linda die zo graag nog even buiten had willen blijven.

Hoofdstuk 5 - Met Linda op avontuur


Linda genoot een grote mate van vrijheid zowel bij het bepalen van koers als van tempo. Sturen hoefde ik nauwelijks, want zij ging doelgericht haar weg of ik kon weinig doen. Haar aandrijven terwijl zij voor iets meende te moeten inhouden, had ik afgeleerd.
Weer eens als vanouds op weg naar Meyendell, waren we al gevorderd tot halverwege een verbindingspaadje tussen twee wegen, toen Linda bleef staan. Ik vroeg haar wat er aan de hand was en of ze maar verder wilde gaan. Nee, ze draaide om en wilde teruglopen. Ik nam aan dat zij zich aanstelde, wendde en dreef haar aan. Niks hoor, geen stap. Dit was wel het summum. Ik maakte haar uit voor eigenwijs, steeg af en zou haar er lopend wel even doorheen voeren of onderzoeken waarom zij niet verder ging. Gunst ja, er was een lat over het pad aangebracht. Die gaf ik een zwieper opzij en stapte naar voren. Linda volgde niet en begon door haar neusgaten te blazen terwijl ik wegzakte in een kuil. Ik krabbelde eruit en zei tegen Linda: "Sorry meis, ik geloof dat hier dat 'eigenwijs' niet op jou slaat". Ik steeg weer op en gaf haar de vrije hand. Linda liep terug, weg van de plaats des onheils. Maar na enkele meters sloeg zij linksaf door een opening in de struiken tot op het voetpad ernaast. Dit was niet afgezet en dat volgde zij toen in de oorspronkelijke richting. Aan het eind van dat paadje stak ze keurig over naar het ruiterpad in de Nieuwe Scheveningse Bosjes: Dit was nog eens geleidehondenwerk van het zuiverste gehalte. Ze had evengoed naar huis kunnen gaan, waar ze alle reden en kans toe had, maar nee, mijn Linda had Meyendell in haar hoofd en Meyendell werd het.
Zo leerde ik dat ik haar beter haar gang kon laten gaan als zij van het gewone pad afweek. "Zoek het maar uit, meiske", zei ik dan en dat deed zij.
Zo was er nog eens een situatie die zij keurig voor mij oploste. Toen er in het bosgedeelte na de Vlakte om de een of andere reden een prikkeldraadversperring was aangebracht, wist Linda eruit ofwel erdoor te komen. Op de boerderij, waar ik steeds dezelfde ruiters trof, werd mij gevraagd: "Hoe ben jij daar in hemelsnaam doorgekomen?" Daarop antwoordde ik toen vals bescheiden en vol verholen trots: "Ik weet 't niet; ik heb Linda maar laten modderen".
Ik kon goed merken hoe Linda haar weg zocht, want draafde ze en was er iets, dan ging ze stappen, scharrelde behoedzaam verder, wat uitwijkend naar links of naar rechts, sprong één keer onverhoeds vanuit stilstand over een kuil of zo, tot ze weer op vertrouwd terrein kwam en ging dan uit zichzelf weer in draf over.

Hoe haar brein werkte was niet altijd te volgen. Goed en wel over de Vlakte konden we door het bos of vóór het bos links afslaan; dat maakte voor het einddoel geen verschil. Linda kende uiteraard beide routes, doch nam eigenlijk altijd het pad door het bos. Daar was immers een van de plekjes waar ze vaak mocht grazen. Ik kon het bos zo'n beetje horen als we dichterbij kwamen door het opvullen van de ruimte vóór mij. Dan stak ik vast mijn stokje omhoog omdat er aan het begin van dat pad een lage tak was. Wat haar bewoog soms voor het bos langs te gaan weet ik niet. Waarschijnlijk voor de verandering, want zou ze iets zien wat haar op dat moment weerhield het bos in te gaan, dan zou dat aan haar te merken zijn.

Afbeelding van Jero bij monument
Jero maakt een reverence voor het Monument 1940-1945 op de Waalsdorpervlakte


Zoals gezegd, richtte Linda bij het zien van iets bijzonders haar hoofd hoog op en als het heel belangwekkend was, bleef zij er zelfs voor stilstaan. Toen op de Waalsdorpervlakte de klok bij het monument voor de gefusilleerde verzetstrijders werd opgericht, hield zij niet slechts in, maar wendde een kwartslag om het geheel eens goed in ogenschouw te nemen. Dergelijke oorzaken kwam ik uiteraard alleen te weten wanneer er iemand bij was om mee te ontdekken wat Linda zo fascineerde of anderen op hun rit ook iets afwijkends opgevallen was.

Overigens gebruikte Linda haar vrijheid ook wel om uitstapjes te maken die niet in mijn programma stonden, zoals die keer dat we door Wassenaar getrokken zijn. Samen met Jero was Linda wel langs de Buurtweg en over de Hofstad naar huis gegaan en op een morgen sloeg zij vóór de Vlakte rechtsaf richting Wassenaar. Ik vond het best. Welja, elke verandering is er één, als jij maar naar Meyendell gaat want daar zit straks Siki op ons te wachten. Het was mooi weer en zo wat avonturen leek wel leuk. Een heel eind volgde Linda de verharde weg en vervolgens was ze een grasveld opgelopen. Toen zij niet verder kon vanwege een hek wilde mevrouw gaan grazen, maar dat was er toen mooi niet bij. Op aanwijzingen van een meisje dat me vertelde dat wij op een hockeyveld zaten, had ik de weg teruggevonden en die verder gevolgd. Maar Linda had of kreeg andere plannen. Opeens liepen we op grind en dat hoorde er niet bij. Het was het terrein van de een of andere renstal en dat leek haar wel wat: allemaal boxen met merries en hengsten. Ze zal er de hengsten wel uitgezocht hebben; er werd tenminste flink geschetterd. Ik kon wenden wat ik wilde, maar ik kreeg haar niet echt weg. Steeds vond zij weer andere stallen; er waren er genoeg. Op het laatst kwam er een man aan die vroeg of ik iemand zocht. "Ja", zei ik, "U; ik wil hier weg". Hij begreep er niets van. Toen kwam er gelukkig iemand die mij kende en die heeft ons op de goede weg gebracht voorbij de ingang van Duindigt.
Linda had goed door dat ze mij in de maling kon nemen en ze scheen nu eerst goed de smaak te pakken te hebben gekregen. Ze was toch al zo lekker op dreef en waarschijnlijk wilde ze met een boog zien terug te keren naar die hengsten. In elk geval probeerde ze een eind verder bij een zijweg weer van het rechte pad af te wijken. Had dat in feite reeds gedaan toen wij een jongen op een pony tegenkwamen. Hij moest langs de Buurtweg; ik ook en zo kon ik fijn achter hem aanrijden. Ik rekende erop dat Linda vóór de Kievit linksaf zou slaan, maar nee. Zij liet op een zeker punt de pony wel los om haar eigen weg te gaan, maar waar wij toen zaten, Joost mocht het weten. Ik wist het niet en of Linda het wist betwijfelde ik ten zeerste. Zij stapte overigens zelfverzekerd genoeg door. Toen ik een paar wandelaars hoorde, vroeg ik hoe die straat heette. "De Oranjestraat", luidde het antwoord. "Zegt mij niets", dacht ik. Om naar Meyendell te komen, moest ik eerst rond de kerk en dan zus en dan zo tot de Meyendellseweg en die volgen. "Nou Linda," zei ik, "je hebt het gehoord; jij hebt ons hier gebracht, zie er nou ook maar weer uit te komen". Zij stapte ijverig verder, zelfs heel vief voor haar doen, maar dat deed ze veelal als ze op nieuw terrein kwam. Ik zat ondertussen wel op haar te foeteren want ik voelde mij niet gerust op de goede afloop. Ik kreeg visioenen van vreemde mensen die ik zou moeten vragen om ons helemaal weg te brengen. Wat een blamage en mijn arme vader maar zitten wachten en zich afvragen waar wij bleven. Het zou koren op de molen zijn van die lieden die meenden dat het onverantwoordelijk was als blinde paard te rijden. Zonder gekheid, ervaring heeft mij geleerd dat ik in het verkeer met mijn geleidehond of alleen met witte stok meer gevaar loop dan te paard. Een paard valt eerder op en boezemt meer ontzag in. Dan wil men daar uit puur zelfbehoud en voorzorg voor een buts in zijn auto wel rekening mee houden.
Terug naar Wassenaar. Na een hele tijd kwam ik weer mensen tegen en ik vroeg hen naar de Meyendellseweg. "Daar bent u op", kwam als antwoord en warempel even verder dook Linda het ruiterpad in en waren wij terug op bekend terrein. Wat moet je nu zeggen van zo'n paard? Uiteindelijk had ze mij op Meyendell gebracht, zij het wat later dan de bedoeling was. In dit geval had Linda het helemaal voor het zeggen gehad, dus van een meningsverschil was geen sprake. Op het strand was dat wel eens anders en dan werd het knokken.

In de winter reed mijn vader Linda op doordeweekse dagen omdat het voor mij na kantoor te donker was om nog uit te rijden. Hij ging dan wel aan de noordkant van de boulevard het strand op, dan voor de boulevard langs tot aan Seinpost en vandaar weer op huis aan. Een net ritje. Maar wanneer ik dan op zaterdagmorgen op het strand kwam, wilde ik naar Wassenaar en Linda richting haven. Dan probeerde zij stiekem via het mulle zand om te keren. We reden compleet Griekse randjes want zij mocht nu wel proberen af te buigen, door haar steeds opnieuw langs het water te sturen en de zee links te houden, kon ik haar hier mijn wil opleggen. En waren we eenmaal de eerste golfbrekers voorbij, dan zette ik haar in draf en wist zij dat het menens was. Dan had ik 't gewonnen en had ik ook verder geen kind aan haar. Op de Vlakte daarentegen kon zij het weer van mij winnen want daar was alles zand en had ik alleen soms de wind om mij op te oriënteren. Dit gold echter alleen voor de situatie waarin Linda om de een of andere onnaspeurbare reden dwars was en ik mijn vaste herkenningspunten misliep en dat was toch eigenlijk maar zelden. Ging het fout, dan kon ik dat niet echt waarderen.

Op een dag dat het weer eens lelijk weer was, waren we aangekomen bij ons graasplekje bij wat wij 'het groene poortje' noemden en dat is al over de helft naar de boerderij. Linda liep naar het veldje om te eten. Nou, eventjes dan, een paar hapjes want het was geen weer om lang stil te staan. Ik steeg ook niet af en na een aantal happen zei ik: "Lindy, kom, we moeten verder”. Ik trok haar hoofd op en had haar al in beweging, toen een straaljager vrij laag overkwam uit de richting waarin wij juist moesten. Of dat er iets mee te maken had, weet ik niet. Hoe dan ook, Linda keerde om en was niet meer te bewegen naar Meyendell te gaan. Iedere keer dat ik haar omdraaide, haar in draf of galop zette, haar smeekte of uitfoeterde, even zovele keren zwenkte zij meer of minder openlijk richting huis. En als we nu naar Meyendell toe de wind en de regen tegen gehad hadden, maar nee, juist nu kregen wij de volle laag. Ik probeerde zelfs nog haar aan de hand te leiden, maar ze drukte mij het pad uit zodat ik niet meer wist of het links of rechts van mij lag. Er bleef mij niets anders over dan maar weer op te stijgen en Linda haar gang te laten gaan. Er gebeurde wel niets, maar dat was het nu juist. Ik kon haar nog niet naar huis laten gaan omdat ik met mijn vader had afgesproken dat hij ons aan het begin van de Vlakte op een bepaalde tijd zou opwachten. Die tijd was berekend op een rit naar Meyendell met een rustpauze van een half uur aldaar. Als ik nu zoveel eerder langs dat punt kwam, zou hij mij mislopen en tevergeefs in de regen staan wachten. Nee, ik voelde mij alles behalve vrolijk. Nat en naar was ik stapvoets al een eindweegs huiswaarts gegaan, toen mij een groepje ruiters tegemoet kwam. Eén van hen riep al vanuit de verte: "Hé, waarom zing je niet?" Een vreugde-uitingsvorm waaraan ik mij veelvuldig placht over te geven. Op het horen van zijn stem brak er bij mij vanzelf een glimlach door want ik kon nu fijn achter hen aan rijden en mij alsnog aan mijn afspraak houden.

Een andere keer moest ik wel weer lachen. Over de Vlakte gingen wij altijd heen over het hoge gedeelte met de duintoppen en terug het lange, rechte stuk waar Linda mocht rennen. Ik was eens met iemand mee teruggereden en dat was over het duingedeelte gegaan. De keer daarop wilde ik dat in m'n eentje ook eens doen. Ik kwam tot het tweede heuveltje in het pad waar ik wist dat ongeveer de afslag naar links was. Ik luisterde gespannen naar de opening tussen de struiken, vond die en stuurde Linda naar links. Ik hield haar goed linksaan en zette haar in draf, denkend haar met actie beter bij de les te houden. Wij draafden door het bos en over duintjes en ik kraaide triomfantelijk tegen haar dat ik dat nu eens mooi geklaard had, om het volgende ogenblik een in mijn oren zelfgenoegzaam geklipklop op harde ondergrond te horen te krijgen. Mevrouw was met een wijde boog toch naar het vlakke gedeelte gezwenkt en begon nu ijverig haar galop af te werken. Zo'n tante! Was het nu het routinematige van het dier of wilde zij gewoon de Vlakte niet mislopen.

Wij hebben uiteraard ook weleens perikelen gehad, doch gelukkig is er altijd hulp komen opdagen. Het gebeurde op datzelfde vlakke stuk waar Linda haar galoppade wilde inzetten. Het had gevroren en ik waarschuwde: "Meis, doe kalm aan want je hebt kans dat de plassen bevroren zijn en ijs is glad". Maar Linda moest en zou haar galop hebben. "Nou, voorzichtig aan dan". Het ging eerst goed en ik dacht al dat zij dat weer mooi had uitgekiend, toen zij rrrrrts aan de glij ging. Haar beide achterbenen gleden naar voren en haar achterhand zakte weg waardoor ik, door snel mijn benen naar achteren te zwaaien, mij van haar af kon laten rollen. Net op tijd want Linda's voorbenen hielden het ook niet en zij kwam op haar flank terecht. Wat is dat afschuwelijk om aan te zien, nou ja, horen dan, maar op mijn manier zag ik het gebeuren en ik hoop zoiets nooit meer mee te maken. Linda probeerde overeind te komen, maar ze kon zich op dat ijs niet schrap zetten. Haar ijzers gleden almaar weg. Tot drie maal toe viel ze met een plof terug op haar zij en ik kon niets doen om haar te helpen; kon zelfs niet dichtbij komen vanwege haar maaiende benen. Ze bleef proberen en bij een hernieuwde, kreunende poging - ik weet nog niet hoe - kreeg ik een soort ingeving dat het ging lukken. Ik schoot toe en had haar per puur geluk direct bij haar bit te pakken en kon zo haar hoofd ondersteunen. Arme Linda, ze stond te trillen op haar benen en snurkte zacht door haar neusgaten. Ze durfde geen voet te verzetten en toch moest ik haar van dat ijs af zien te krijgen. Met veel woorden van overreding heb ik haar voetje voor voetje op stijve benen meegetroond naar de kant van de plas tot op een veilige zandstrook. Nog steeds sonderend met mijn stok probeerde ik haar toen verder te loodsen. Voor ons was allemaal struikgewas en daar durfde zij of konden wij niet door. En net stond ik vol wanhoop en zelfverwijt Linda en mijzelf moed in te spreken, toen daar als uit het niets twee agenten te paard opdoken. Hè, wat een opluchting! Zij hebben ons naar een goed nevenpad gedirigeerd, waarlangs wij zonder brokken verder konden. Ik beklaagde Linda dat ik haar zoveel narigheid bezorgde, bedankte de agenten en kwam voor de zoveelste keer toch weer goed thuis. Nooit echter heeft Linda begrepen dat je ijs moet mijden. Een volgende keer wilde ze er even vrolijk weer overheen galopperen. Enfin, een mens moet niet het onmogelijke verlangen en sindsdien meed ik die plaats bij vriesweer. Dan konden we altijd nog langs het strand. Had je gedacht; laat het strand nu ook kunnen bevriezen. Ik meende dat dit hier met zout water niet zou gebeuren, maar zie, als de temperatuur maar ver genoeg daalt, bevriest alles, zelfs de zee. Het zand was dus behoorlijk hard. Ik liet Linda maar scharrelen en die ging vlak langs het prikkeldraad tegen de duinen aan lopen. Dat vormde op de duur een soort plateautje met een vrij schuine afgang. Hoe nu. Ik was afgestegen, had dit alles ontdekt en probeerde Linda voorzichtig dat hellinkje af te loodsen. Maar nee hoor, daar zag ze niets in en zette zich schrap. Toen weer, o groot geluk, kwam er redding in de persoon van een pikeur met een leerling opdagen en die dirigeerde ons nog iets verder waar het voor Linda doenlijk was om op betere grond te geraken. Wij zijn toen met die pikeur meegereden die dezelfde kant op ging.
Mijn vader heeft op het strand iets dergelijks meegemaakt. Het was nog steeds winter en Linda moest zo nodig voor iets opzij springen waardoor zij uitgerekend op een bevroren randje van een plas terechtkwam en onderuit ging. Uitglijden op een paard is wel de meest benauwende vorm van vallen. Mijn vader heeft zijn knie lelijk bezeerd.
Linda deed net of haar neus bloedde, figuurlijk dan, want haar mankeerde niets, gelukkig. Nee, Linda heeft nooit begrepen dat bevroren water veel erger is dan vloeibaar en daar was zij op haar manier beducht voor, zoals ze nog altijd om de kleinste plasjes cirkelde. Dat ze op het strand ook praktisch altijd om de golfbrekers heen liep vond ik wel weer aardig van haar. Maar ik heb het al eerder laten doorschemeren: Linda wás aardig.

Bij regen komen dunnere takken en twijgen onder hun zwaardere gewicht lager te hangen en die striemende natte bladeren in je gezicht waren minder leuk. Trouwens, 's winters konden kale takjes mij ook lelijk schrammen. Dan wou ik zo'n tak afbreken om mij een volgende keer van zo'n ontmoeting te vrijwaren. Ik zette Linda dan in haar achteruit om de boosdoener te pakken te krijgen. Ook wel telde ik het aantal passen dat Linda nog moest nemen tot aan een voetpad en dan zat ik er op de terugweg klaar voor om mijn snoeiwerk uit te voeren. Als het om een taaie tak ging, had ik beide handen nodig. Dan wilde Linda natuurlijk gaan eten en deed een stapje opzij, waarmee de tak weer buiten bereik kwam. Dat had soms nogal wat voeten in de aarde. Dit laatste was letterlijk aan de orde als ik Linda op een blikje of, nog erger, een fles hoorde stappen. Als een fles kapot getrapt wordt, zijn de scherven gevaarlijk voor de paardenvoetzolen en toch, die rommel altijd op het ruiterpad... Vooral als ik hoorde dat haar voet over een fles schampte, liet ik haar stilstaan, sprong eraf en probeerde de corpus delicti te vinden. Zo heb ik heel wat flessen en blikjes opgeruimd. Ik propte ze in mijn zakken om ze thuis te juister plekke te deponeren. Uitgezonderd de fles die tijdens een draf weer uit mijn zak hotste en die ik toen niet meer kon vinden. Voor de bierflesjes heb ik zelfs nog statiegeld gekregen. Linda had 't algauw geschoten: als ik iets wilde oprapen, was Linda vrij om langs de berm te grazen zolang ik zoekende was. Dus bleef zij al staan zodra zij op een blikje trapte om mij de gelegenheid te bieden mijn goede daad voor die dag te verrichten.

In zekere zin kun je stellen dat Linda graag de kantjes eraf liep. De grasberm loopt lichter dan de hoefslag, vond zij. Ook verkoos zij het voetpad boven het ruiterpad en zij maar denken dat zij met haar lieve gezichtje de koddebeiers kon omkopen. Voorts liep zij bij voorkeur midden op de weg. Misschien was dat nog een overblijfsel van haar jaren voor het bakkerswagentje of had de weg aan de kant voor haar een te hellend vlak. Over het algemeen slaagde ik er wel in om haar aan de kant te houden, maar niet overal. Op de Boulevard was het voor mij te open om er iets aan te kunnen doen. Het had daar het voordeel dat de automobilisten dan niet wisten waar te passeren. Omdat ik niet kon inschatten waarheen ik haar het best kon sturen, stuurde ik in het geheel niet. En die auto's maar noodgedwongen kalmpjes achter ons aan. Het was een kleine afstand; daarom voelde ik mij niet al te opgelaten terwijl Linda zichzelf met mij aldus veilig naar het strand dirigeerde. Op weg naar de boulevard is Linda ook wel andere straten ingetippeld. Het gekke was dat ze desondanks meestal wel weer goed uitkwam. Maar door ervaring wijzer geworden, vertrouwde ik haar niet helemaal op dit punt en dan vroeg ik al bij voorbaat een passerende wandelaar of ik in de goede richting ging. Was dit niet het geval, dan wilde zo'n aangesprokene ons altijd wel weer de goede kant op helpen, de één meer verbaasd dan de ander. Soms was het iemand die ons al vaker had gezien; iemand die zelf ook paard reed; iemand die niets zei en Linda aan het bit in de goede richting leidde; een meneer die een Hollandse Winston Churchill leek, met sigaar rustig genietend van zijn zondagochtendwandeling totdat wij die kwamen verstoren, enzovoort. Ik schoof altijd de schuld op Linda; zei dat ze het best wist, maar dat ze van afwisseling hield, wat vermoedelijk ook zo was. Wat Linda er zelf van vond liet ze nooit blijken: Zij stribbelde niet tegen, deed niet opgelucht, toonde een ondoorgrondelijk gezicht en stapte parmantig voort. Maar ja, naar mate ik Linda meer liet pionieren op voor mij moeilijker te controleren terrein gaf ik haar de marge waarin zij haar eigen ideeën kon volgen. En als ik bedenk hoe ontelbaar vele malen Linda keurig haar weg vond en het de uitzonderingen zijn die hier belicht worden, dan hoort eigenlijk het eerste alle accent te krijgen.

Het was weer op het strand dat ik iets heel aparts beleefde. Het zand was die dag mooi hard, goed voor een flinke galoppade. Leen had mij geleerd dat een paard, als je hem zijn hoofd geeft een tempo aanneemt dat hij lang kan volhouden. We hadden windje mee, dus zei ik: "Lindekind, wat vind je ervan? Zullen we?" Gaf haar de vrije teugel en daar gingen we. Rabbedebabbedebab, wat klinkt dat toch altijd prachtig, als muziek in mijn oren. Terwijl wij zo heerlijk voort galoppeerden, drong het op een gegeven moment tot mij door dat ik helemaal geen wind voelde: geen tegenwind en uiteraard geen wind van achter. Het was net of we ons in een heel grote, glazen stolp bevonden, een soort luchtledig. Dat was zo'n onwezenlijke gewaarwording. Wij moesten wel even snel als de wind gaan. Zoiets overkomt je; dat kan je vast niet regelen. Het was een eenmalige en wel heel bijzondere sensatie.

Afbeeldingen van Linda die "het
muurtje" neemt

Hoofdstuk 6 - Nog zo 't een en ander


Wij hebben ook nog een tijdje gesprongen. Eerst Linda zonder berijder met Leen ernaast over een baal stro zodat zij haar benen niet zou bezeren. Daarna met berijder en zo successievelijk over andere hindernissen als de bezembak, de tolboom, een wit-rood-groen gekleurd hekje en 'het muurtje': een muurtje van rode en witte steentjes tussen twee torentjes. Al dit fraais stond op het grote politiespringveld vlak vóór de Vlakte. Linda was geen grage springer, alhoewel het voorkwam dat zij stoer drie hindernissen achter elkaar sprong. Deze stonden weliswaar in elkaars verlengde, maar hadden een tussenruimte van een meter of 20 waarin zij met mij makkelijk kon uitbreken. Een volgende keer deed ze dat dan ook grif. Lieve deugd, de keren dat díé is uitgebroken! Ze wou vast veel liever naar Jero toe die meer naar links stond te grazen. Bij één zo'n gelegenheid dat een kennis met camera was komen kijken, zag zij er ogenschijnlijk dan ook geen been in om die fotograaf bijkans van de sokken te lopen. Ogenschijnlijk, want toen ik hoorde dat op de foto Linda haar oren naar achteren had, wist ik dat ik, in mijn poging haar het uitbreken te beletten, haar te veel rechtsaan moet hebben gehouden. Dit laat zien hoe mijn handicap ook mijn inschattingsvermogen ondermijnt. (Sorry Linda.)

Afbeelding van Linda op weg naar hindernis?


In het begin had zij de lieve gewoonte om na een sprong te bokken, zo van: "Ik moest zo nodig springen van jou; daar dan!" Het was puur toeval dat ik er toen niet ben afgevallen. Misschien heeft ze dat bokken daarom opgegeven. Het is ook mogelijk dat ik eerst niet goed meeging in de sprong en dat ze daartegen protesteerde. Zij maakte het mij op haar beurt ook niet gemakkelijker door veelal vlak vóór de hindernis in te houden om dan alsnog uit bijna stilstand de sprong te maken. Dan zweef je niet, maar krijg je een flinke opstopper. Dat inhouden leek een halve weigering. Of het dat was? Leen zei dat je moest 'willen' springen om weigeren te voorkomen. Zijn aanmoedigingsleus was: "Je moet willen willen". Goed, dan bracht hij Linda met mij tot op een 15 meter dwars voor de te nemen hindernis. Vervolgens wendde ik haar en rrrrt. Nou, en ik maar willen springen. Een 30 meter verder zat ik nog te willen, alleen de hindernis was daar niet.
Toch hebben Linda en ik heel wat sprongetjes volbracht.
Ons springen heeft één seizoen geduurd. In de winter die volgde waren de hindernissen weggehaald omdat de bodem te hard of te spekkig werd en daarna zijn we er niet meer toe gekomen. Linda had tot iets boven een meter gesprongen en ik vond dat mooi genoeg. De sensatie was leuk geweest en ik had er weer ervaring mee opgedaan. Alleen de boom over het pad bij Meyendell heeft Linda altijd trouw gesprongen en gelukkig toen op het strand ook die vislijn.

Toen verzon Leen weer iets nieuws en moest Linda ook leren traplopen. Een bordes van drie maal zeven vrij brede treden was ons oefenterrein. Jero kon het al, dus hij ging voor. Linda was zo bijdehand dat zij een volgende keer, als Jero toch moed moest verzamelen, er kordaat op af stevende en de leiding nam. Boven aan elke serie treden kreeg zij aanvankelijk wel een peentje. Een straat verder moest ze toen een vrij steile trap van zes treden nemen. Ze keek eerst goed waar ze haar voet plaatste en dan volgde de rest vanzelf. Met haar kleinere hoeven was het voor haar misschien ook wel gemakkelijker dan voor Jero. Een trap op is één ding, maar dan moesten zij ook weer een trap af om op het strand te komen, weer een van zeven treden. Dat ging nooit zo vlot, maar we kwamen er wel. Haar acrobatiek heeft zich hiertoe niet beperkt, want baantje glijden heeft ze ook nog gedaan. Eenmaal per ongeluk toen ze in de sneeuw uitgleed, op haar achterste kwam te zitten en zo een hellinkje afgleed. Het was maar kort, te kort voor een van ons om te schrikken; toen waren we al beneden.
De andere keer was bij de Opgang van Meyendell die weer eens door de storm en hoge zee half was weggeslagen. Wij waren van Meyendell gekomen en om dan weer terug te gaan... Nu we er eenmaal waren, wilden we er toch maar af. Linda vond het wel erg steil, maar toen ik haar aanspoorde en zij zag dat Jero manmoedig doorzette, liet zij zich plompverloren door haar achterbenen zakken en gleed praktisch op haar zitvlak het duin af.
Ja, we hebben haar vaak voor rare situaties geplaatst en toen lachte ik nog ook. Niet die keer op het ijs, dat drama stond nog te gebeuren. Toen voelde ik mij schuldig en rampzalig.

Linda en ik zijn ooit als gauchokoppel opgetreden. Vanwege de mooie zijgangen die Linda had gemaakt voor aanrollende golfjes, wilde Leen proberen haar dat ook met been- en teugelhulpen te laten doen. We waren op het strand aan het oefenen en om mij er beter bij te kunnen helpen, had Leen Jero los laten staan. Jero liep niet weg. Maar jawel hoor, toen we wat later onze rit zouden vervolgen - met de dressuur was het in die open ruimte niks geworden - en Leen Jero wilde pakken, zei Jero: "Zie maar dat je me krijgt” en begon te lopen. Als Leen iets sneller liep, deed hij er ook een stapje bij op. Toen ook Linda in beweging kwam om hem te volgen, was 't rrrt en daar ging Jero. Nu, wij moesten er maar achteraan en Linda zette in vliegende vaart de achtervolging in. Wij zouden Jero weleens even vangen. Met de wind om mijn oren, die we zelf ook maakten, hoorde ik Jero's hoefgetrappel niet, dus wist ik niet of wij op hem inliepen. Wij peesden maar door. Uiteindelijk wat langzamer door het mulle zand en de Opgang op het duinpad in en nog altijd geen Jero. Ik veronderstelde dat hij boven wel ergens zou gaan grazen, maar ik hoorde niets en Linda liep ook nergens op af. Zij was steeds langzamer gaan lopen tot ik het onaangename gevoel kreeg dat Jero er helemaal niet was. Linda sjokte zonder enig enthousiasme door. Hoe zat dat nou? Het bleek dat een meneer op het strand Jero had opgevangen en naar Leen teruggebracht. Linda was vrolijk doorgerend in de verwachting dat Jero wel zou meekomen. Leen was doodrustig achter ons aangereden en ik ogenschijnlijk nog steeds aan het veedrijven. Nee, als gauchopaard had Linda gefaald.

Voor de renbaan zou zij ook niet gedeugd hebben want ze had de slechte gewoonte ontwikkeld om, zodra wij in galop gingen, 'm op te zetten tot zij een lengte voor was om dan in de baan van haar rivaal te gaan lopen. Denkend daarmee die achter zich te kunnen houden, verlaagde zij dan haar tempo. Stuurde die andere ruiter zijn paard opzij om er naast te komen, al was het maar om het door haar opgeworpen zand te ontwijken, dan deed zij er gauw een schepje bovenop en ging weer voor de ander lopen. Lukte het hem desondanks opnieuw opzij te komen en dreigde hij haar zelfs te passeren, dan was Linda niet te beroerd hem compleet te snijden, wellicht voelend dat ze 't anders niet kon redden. Dit was bepaald niet welgemanierd en ik vrees dat daar meer voorbeelden van zijn.
Zo was er die keer dat Linda met haar dikke, herstel, ronde achterste, een meneer op lakschoenen de zee in drong. Ik zat rustig te zitten, terwijl Linda langs de waterkant voortstapte, toen er opeens verontwaardigd geschreeuw van schuin achter mij opklonk. Toen eerst keek ook mijn begeleider om en zag een boze maar bange meneer op zijn tenen in het water balanceren. Linda was vermoedelijk vrij dicht langs hem gewandeld waar hij zich tussen haar en de zee bevond. Uit vrees voor dat paard had hij zich te water begeven, wat de indruk wekte dat Linda hem daarbij een handje had geholpen. Dat zal toch wel niet?
Tussen twee haakjes, dat in galop vóór Jero willen blijven had als neveneffect dat Leen de afstandsbediening op haar kon toepassen. Bij eb met een lekker breed strand ging hij met Jero zo'n 10 meter achter ons zigzaggend galopperen en dan deed Linda dat ook: heel grappig.

Op Tweede Pinksterdag van haar eerste jaar bij mij waren wij op de terugweg van Meyendell naar Scheveningen langs het Lange Pad, toen er een hevig onweer losbarstte. Dat vond ik eng, ook al was het al begonnen te regenen. Mijn zwager reed mee op de fiets en die had mijn regenjas. We waren bijna boven op het hoogste punt van Zuid-Holland en mijn zwager wilde stoppen zodat ik die regenjas kon aantrekken. Nu weet ik dat je bij onweer alleenstaande bomen en hoogten moet vermijden, dus wilde ik eerst de bult over en liefst zo snel mogelijk. Halverwege de afgaande helling kwam er opeens een boxer blaffend tussen de struiken vandaan schieten. Linda had toen reeds haar mening over luidruchtige honden gevormd en op hetzelfde ogenblik stond zij dwars op de looprichting met haar achterbenen in de lucht. Het mooiste was wel dat ik er nog op zat. Mijn verbazing daarover beheerste uiteindelijk het hele gebeuren. Onder aan de helling heb ik alsnog mijn regenjas aangetrokken, ofschoon ik al doornat was.

Over sensatie gesproken. Door de Scheveningse Bosjes liep een mooi ruiterpad met na eerst twee oversteekjes een lang stuk met een paar dalen, een bocht naar links en dan nog een aardig eindje voor er weer een voetpad kruiste. Het vroeg gewoon om een rengalop en wij gaven daar wel gehoor aan. Er staat mij er één bij dat Linda zo hard ging dat ik even zo'n kermissensatie kreeg, in de zin dat ik de snelheid mentaal amper kon bijhouden. Zoiets waar je achteraf alleen maar breed grijnzend uit te voorschijn kan komen.
Zo hebben vele plekjes hun herinneringen. Die bocht op de Hubertushoogte met een voetpadoversteek er vlak voor en achter, waar Linda per se doorheen moest scheuren en helemaal als Vinsje met zijn tikkelende nagels hoorbaar mee rende op het voetpad waar dat kon. Het voetpad liep rechter en lichter waardoor hij ons bij de kruising soms voor was. Vins was wel zo slim om daar in te houden totdat wij voorbijgestormd waren om dan achterlangs te duiken.
Op een avond zou ik weer een ritje in de buurt maken. Tonnie fietste mee. Het was vrij warm en op een lang recht eind liet ik Linda met losse teugels draven terwijl ik mijn vest van onder mijn jasje wou uitdoen. Ik begon mijn jasje los te knopen. Linda had een vrolijke bui en sprong in galop. Ik haalde eerst even de teugels aan tot zij weer in draf was en vervolgde mijn verkleedpartij. Jasje uit, dat even tussen mijn knie en het zadel geklemd, weg Linda. Weer de teugels even aangenomen en vest uit: rrrrt. Het vest liet ik waaien; dat mocht Tonnie opvissen. Mijn jasje weer aan en toen waren we aan het eind van het pad en had ik mijn handen weer vrij om die dartele deugniet weer model te laten lopen.
Het waren even zovele uitspattinkjes waar we allebei van genoten.

Ik geloof dat Linda het voelde wanneer ik haast had. Met het korter worden der dagen wilde ik vóór donker nog een ommetje maken. Opschieten maar. Ze moet het hebben begrepen, want wat liep die kleine eraan te trekken. Ik ben nooit meer zo vlug van dat rondje thuisgekomen.

Op het strand wilde zij soms op haar manier ook opschieten. Dan ging ze al veel te vroeg het mulle zand in. Ik dacht dan dat we al bij de Opgang waren, maar dan klopte er iets niet. Het omhoog gaan bleef uit en daaraan wist ik dat ze bezig was langs het hek huiswaarts te kuieren. Dan noemde ik haar een juffrouw Poetskatoen en stuurde haar richting zee, terug naar het harde zand. Nou, en dan zette zij gauw de sokken erin om dan netjes ter hoogte van de Opgang af te slaan.
Op een keer regende het. Zolang we op het strand reden, hadden wij daar niet zoveel last van doordat wij voor de wind gingen. Maar eenmaal de Opgang op loopt het pad schuin terug en daar kregen wij de volle laag van voren. Er kwam nog hagel bij ook. Linda zag daar niets in en tot drie maal toe draaide zij zich om en bleef doodleuk met haar staart naar de wind staan. Ik praatte haar moed in door haar te vertellen dat het op Meyendell aangenamer zou zijn en uiteindelijk ging ze toch maar dapper draven, de elementen trotserend. Ze ging ook niet het pad uit naar een grasveldje, een uitstapje van het soort dat ze maar al te gauw tot routine had gemaakt. Nee, linea recta naar de kachel. Ik dan en zij in de droge stal.

Het was altijd heel gezellig om op Meyendell een stop te maken. Ik had er gaandeweg aardig wat ruiters leren kennen en het gaf mij een prettig gevoel van gelijkheid om door hen als vanzelfsprekend aan hun tafel verwelkomd te worden. Dan werden vele grotere en kleinere belevenissen uitgewisseld.
Op een zaterdagmorgen kon ik vertellen dat Linda en ik de NAVO hadden opgehouden.
Aan het begin van de Vlakte was ik afgestapt om Linda te laten grazen. Ik hoorde verderop wel praten, maar schonk daar geen aandacht aan. Toen kwamen er een paar heren op ons toegestapt. Zij legden uit dat zij met een NAVO-oefening wilden beginnen en dat zij wel bereid waren daarmee te wachten tot ik een eind de Vlakte over was, maar of ik dan nu maar wel wilde doorrijden. Zo'n redelijk aanbod wou ik wel aannemen en de daad bij het woord voegend heb ik vlot en vrolijk mijn weg vervolgd. Ik begreep dat de 'rode bal' op actief moest hebben gehangen, wat ik uiteraard had genegeerd. Zij hadden alle recht gehad om mij terug te sturen. Waarschijnlijk heeft in dit geval mijn witte stok meer magisch gewerkt dan dat lieve Linda voor mij een vrijpas heeft versierd.
Dat was nog eens een relaas waarmee je kon scoren en ze vonden het allemaal heel glorieus.

Afbeelding van Linda bij
waarschuwingsbord: Levensgevaarlijk


Op een mooie zomeravond maakten wij nog een ritje een eind het strand op en neer. Tonnie reed mee op Jero en ook Vincent was van de partij. Vinsje vond met de paarden meegaan heel erg fijn. Hij had aan water wel een broertje dood, maar hij hoefde de zee immers niet in. Tonnie was nog niet zo bedreven in het uitkienen van de beste gedeelten en zo bevonden wij ons gaandeweg op een zandbank tussen de zee en een bij eb ontstane plas welke verderop in zee overging. Wij reden ons als het ware klem en moesten óf terug óf door de plas. Ik koos voor het laatste en stuurde Linda naar links. Vinsje was wat achterop geraakt; had zeker iets interessants te snuffelen gevonden en kwam nu aanstormen. Op dat moment kreeg Tonnie een halve hartverlamming omdat Linda en ik wel een halve meter wegzakten. Mijn voeten hingen bijna in het water. Enfin, Linda blikte of bloosde niet en vervolgde wadend haar weg, maar Vins die in volle vaart kwam aanzetten en met de moed der wanhoop dan maar door het water zou, plonsde erin en moest zwemmen! Het was grappig om te horen en ik zou er een lief ding voor over gehad hebben als ik toen even de uitdrukking op zijn snoet had kunnen zien. Die Vins!

Afbeelding van Vinsje aan de waterkant


Voorts koester ik de herinnering aan ritten over de Waalsdorpervlakte op windstille dagen. Na een galopje door een bosje met daarachter een bocht en een dal gingen wij rustig stappen tot aan het grote bos met voorin de lage tak. Op zo'n windstille dag kon ik de duinen aan weerszijden als het ware horen aan de afwezigheid van het openruimtegeluid. En dan zag ik in gedachten mijzelf op Linda daar voortgaan in een smalle vallei tussen duinhellingen begroeid met, naar ik wist, van die struiken met oranje bessen die ik als kind voor brem hield. Op datzelfde pad bleef Linda eens staan voor, ja wat: overstekend wild. Linda keek omlaag en toen hoorde ik het gewirwir van jonge eendjes die achter moeder aanliepen. Nadat de familie veilig was overgestoken en moeder iets van 'dank' had gemompeld of 'Zijn jullie er allemaal?', konden en gingen wij weer verder. Dat was voor mij even een stukje natuur proeven, anders dan eendjes in de sloot horen kwaken.
Dan was er vlak voor een flauwe bocht in het pad niet ver van de boerderij het punt waar ik 's zomers al bij voorbaat ging zitten snuiven om toch vooral de geur van de wilde kamperfoelie niet te missen. En niet te vergeten het genot van vogelgezang, zoals van leeuweriken, nachtegalen en mijn favoriet de wulp, en één keer zelfs een wielewaal!
Al deze dingen maakten eigenlijk elke rit met Linda voor mij tot een hoogtepunt.

Linda is nooit goed merkbaar hengstig geweest, in die zin dat zij haar evenwichtige zelf niet was. Wel begon zij eens zo maar in haar box rond te springen en te bokken wat in die richting kon wijzen maar veel meer niet. Er heeft een tijdje een hengst in de achterstal gestaan en van zijn avances moest Linda niets hebben. Wanneer hij het te bont maakte door bij het passeren opgewonden te knorren, sloeg zij zelfs tegen het schot van haar box. Toch had zij een bewonderaar die haar niet onverschillig liet. Dat was een mooi voshengstje, dat wij weleens op de Vlakte waren tegengekomen. Van hem was ze duidelijk gecharmeerd. En toen we hem op twee achtereenvolgende zondagen op het smalle strandpad troffen en hij haar openlijk het hof maakte, was zij die tweede keer haast niet bij hem weg te krijgen. Ik beloofde haar toen dat als ik er ooit de behuizing voor zou vinden, te weten een huisje met een stalletje en wat grasland, zij met hem zou mogen trouwen. Ik heb erg mijn best gedaan dit ideaal te verwezenlijken, maar helaas, ik slaagde niet en vóór er sprake kon zijn van een veulentje, gebeurden er heel andere dingen.

Hoofdstuk 7 - De afloop


In het voorjaar van 1962, het vijfde jaar dat ik haar had, was Linda - ja, hoe zal ik 't noemen - veel tammer geworden. Ze deed braaf haar drafjes en galopjes, maar het sprankelende was eraf. Ze begon niet meer uit zichzelf en wilde sneller ophouden. Haar blijmoedigheid was weg. Ook ging zij in haar box veel liggen, vooral 's avonds maar ook overdag. Als ik kwam, krabbelde ze wel al hinnikend overeind, maar ik maakte mij zorgen. Vroeg ik deze en gene naar een mogelijke oorzaak, werden er diverse geopperd: Linda wordt al wat ouder; steeds dezelfde routes lopen wordt eentonig; een merrie gaat gauwer liggen; het is een bewijs dat ze zich op haar gemak voelt; in de ruitijd zijn paarden wat slomer; een poosje in de wei zou haar goed doen. Kom nou, ze was van meet af aan merrie en al vijf keer eerder in de rui geweest en dan zou zij zich nu pas op haar gemak voelen?
Ik bleef het vage gevoel houden dat er iets anders was. Enfin, we zouden proberen haar een paar weken bij een boer in de wei te plaatsen en dat dan combineren met een buitenlandse vakantiereis. Dat kon anders nooit want met Linda op stal moest óf ik óf mijn vader thuis blijven om haar te verzorgen en af te rijden. Mijn moeder vond Linda heel lief, doch alleen op afstand en op de foto, dus haar konden we daarmee niet opzadelen. Buiten dat, zij kreeg de hondenwacht. Goed, Linda zou dus fijn in de wei.
Alles werd geregeld: een wei, de periode (eind mei-begin juni) en de vakantie. Het enige dat zich niet liet regelen was het weer en dat was abominabel. Het was helemaal nog geen voorjaar geweest dat die naam mocht hebben. Dat betekende dat het gras niet half had kunnen groeien. De dag voor ons vertrek naar het zonnige zuiden brachten wij Linda naar Wassenaar. O, hoe troosteloos: In het voor haar bestemde stuk land bracht Linda haar neus even aan de grond, liep een eindje, snuffelde nog eens, liep weer verder en was in een mum het veld rond en bij ons terug. Dit zei mij duidelijker dan woorden dat er niets voor haar te eten stond, want normaal deed Linda geen stap meer dan nodig was voor een eerste hap. Ik had haar zo weer mee terug willen nemen en de reis afzeggen, maar zoiets ingrijpends doe je niet zo gauw; dat lijkt overdreven. Ik durfde het ook niet in bijzijn van die boer hardop zeggen, laat staan uitvoeren. De boer beloofde Linda 's nachts binnen te halen omdat zij als stalpaard niet gewend was de nacht buiten door te brengen en dat heeft hij gedaan. Maar overdag moest zij naar buiten om haar kostje bijeen te scharrelen, weer of geen weer. Bij het weggaan trachtte ik mij te troosten met de gedachte dat het weer elke dag kon omslaan en dat wij na twaalf dagen terug zouden zijn. Het bleef echter koud en nat en pas na die twaalf dagen scheen hier voor het eerst de zon. We hebben toen zelfs nog een dag gewacht met haar op te halen om haar daarvan te laten profiteren. Toen wij de daaropvolgende dag aan kwamen, zag mijn vader haar staan in de schaduw van een boom dicht bij het hek. Misschien had zij ons eerder gezien of gehoord en was richting hek gekomen. Misschien ook had zij al die dagen zo bij dat hek staan wachten. Ze hinnikte zacht en stond er verpieterd bij, sterk vermagerd en met ligwonden op beide heupen.
We reden de lange weg naar huis. Onderweg heeft Linda één keer luidkeels gehinnikt. Was ze blij dat ze weer naar haar vertrouwde stal ging of was het een noodkreet? Op stal hebben we haar wonden behandeld, haar in haar dik bestrooide box gebracht en lekker haver en hooi gegeven. De volgende morgen was het mis. Ze lag in het stro en bleef liggen. Toen ik haar riep, kwam ze overeind maar wilde niet eten. Ik dacht dat het de overgang van gras op haver kon zijn of dat de rit naar huis te veel was geweest na twee weken van niets doen. Direct de dierenarts gebeld. Die kon op het eerste gezicht niet veel zien: misschien wat stram in de benen. De ontlasting zag wat bleek en dat zou op een leveraandoening kunnen duiden. Een onderzoek daarnaar wees uit dat er met haar lever niets aan de hand was. Ze kreeg vitamine-injecties en na een paar dagen at ze wel weer en als ik uit kantoor kwam, stond ze overeind en hinnikte ze haar uitbundige hinnik. Dan was ik blij en vatte nieuwe moed, maar als ik in de loop van de avond ging kijken, dan lag ze weer en kwam niet overeind en 's morgens ook niet. Dan kon ik haar niet laten liggen, want ze moest toch eten. Als ik haar riep, woelde ze in het stro, draaide rond op haar zij, steunde, kreunde, maar bleef liggen. Overreding hielp niet. Ik kon bij haar gaan liggen, dan hief ze alleen haar hoofd op. Uiteindelijk moest ik haar met bloedend hart min of meer overeind schoppen. Dan ging ik achter haar staan, pakte haar bij haar manen, zette mijn knie in haar rug en dwong haar zo met stemverheffing op te staan. Stond ze eenmaal, dan stak ze om beurten een voorbeen naar voren, liet haar hoofd zwaar hangen en plaste. Dat had ze vermoedelijk de hele nacht opgehouden omdat haar de moed had ontbroken daarvoor op te staan. De vitamine-injecties hadden in zoverre geholpen dat zij haar eetlust terughad, maar ze had duidelijk pijn in haar benen. Zodra ze haar haver op had, roerde ze het hooi nauwelijks aan omdat ze verkoos weer te gaan liggen. Elke dag nam ik haar aan de hand mee voor een korte wandeling. Ze liep dan lief mee en begon zelfs te dribbelen als een bekend graasplekje in zicht kwam. Het was mooi weer gebleven en het gras was opgeschoten. Daar wilde zij dan wel van eten.
Zo hebben we twee weken aangetobd zonder dat er van enige verbetering sprake was. Op de dag dat ze voor nader onderzoek naar de Veeartsenijschool in Utrecht zou gaan, kwam ze ook weer met veel moeite overeind. Ik was gauw onder haar hals gaan staan om haar enigszins te ondersteunen en toen liet ze haar volle gewicht op mijn schouder rusten. Dit kon ze niet volhouden omdat het haar adem afsneed en ik zou ongetwijfeld ook onder haar gewicht ingezakt zijn. Zodra haar benen haar moesten dragen, plofte ze neer, plat op haar buik. Ik had haar toen ter plekke wel uit haar lijden willen laten helpen, maar we wisten immers niet wat haar mankeerde en of daar iets aan te doen zou zijn. En als, als het nu eens iets was dat verholpen kon worden?
Ik ben meegegaan naar Utrecht, ook in de hoop dat Linda misschien direct onderzocht zou worden en ik haar bij wijze van spreken met een receptje mee terug zou kunnen nemen. Dat kon niet; ze moest daar blijven. Wat klonk haar gehinnik dof en hol toen we haar zo alleen in een grote, vreemde hal moesten achterlaten. Eerst ging ze een paar dagen naar de organische afdeling. Daar werd alles in orde bevonden. Toen naar de benenafdeling. Van daar kwam na dagen van eindeloos wachten de diagnose reuma in de voorbenen. Röntgenfoto's van haar hoeven en gewrichten hadden niets aangetoond: geen misvorming, geen ontsteking, geen verdikking. Men wilde wel een injectiebehandeling proberen. Het heeft niet mogen baten. Iedere keer dat ik opbelde zei de dokter: "Het lijkt wel iets beter te gaan", maar als ik doorvroeg, bleken de symptomen gelijk gebleven: veel liggen, niet uit eigen beweging en dan met moeite opstaan, dus nog altijd pijn.
Drie slopende weken van leven tussen hoop en vrees waren voorbijgegaan. Het was aan mij om tot een besluit te komen. Wat moest ik doen? Haar terughalen en haar lijden nog langer rekken? Toen heb ik de knoop doorgehakt. Ze was van mij en aan mij overgeleverd. Haar levensplezier vormde ook het mijne. Nu dit voor haar in het tegendeel was veranderd, mocht en wilde ik haar niet in leven houden alleen omdat ik meende haar niet te kunnen missen. Ik voelde ook dat ik het niet meer aan kon haar te zien lijden en daar niets tegen te kunnen doen. Voor alles moest ik nu in haar belang handelen en dat was haar zo snel mogelijk naar de Eeuwige Jachtvelden laten vertrekken.

Terugdenkend moet Linda in dat laatste jaar al wel een aanzet van haar uiteindelijke kwaal gekregen hebben, ofschoon ze nooit duidelijke symptomen heeft vertoond. Ze is nooit kreupel geweest en is altijd dapper doorgegaan. Jero was die winter met pensioen naar een boerderij gegaan en Linda had alleen in die stal gestaan terwijl het behoorlijk koud was geweest en Linda die toch altijd al van die koude voeten had. Nu heet kou niet erg te zijn, zolang die maar gelijkmatig is, maar toch. Hoe dan ook, die dertien dagen dat zij blootgesteld was geweest aan dat gure weer met onvoldoende voeding hebben haar stellig de nekslag gegeven. Mijn gevoel zegt mij dat er voordien al wat aan haperde, maar de ware oorzaak en of die voorkomen had kunnen worden zal ik nooit weten.

Voor mij is Linda evenwel niet dood. In mijn gedachtenwereld leeft zij voort. Dat gevoel van intense verbondenheid met mijn Linda, van vreugde en rijkdom dat door mij heen kon golven wanneer ik als een vrij vogeltje met haar over de Vlakte dwaalde, is voorbij. De fazanten zullen niet meer wegschieten voor mijn jubelzang en jodelpogingen in het bos. Op enkele melodieën had ik een toepasselijke tekst voor Linda gemaakt. Eén daarvan was "Wheels", waarop ik de volgende, nu ietwat ironisch aandoende woorden verzon toen ik op een regenachtige dag een eind naast Linda voortstapte met mijn arm door de teugel:

'Linda stapt zo dapper in de regen. Dat is niet zo erg want zij kan daar wel tegen. Zij wordt nu natuurlijk wel een beetje nat, doch daarvan droogt zij naderhand toch ook weer op."

Ik liep wel vaker zo 'arm in arm' met mijn Lindy langs bepaalde weggedeelten, soms om warme voeten te krijgen, maar minstens zo vaak zo maar voor de gezelligheid. Ja, de herinneringen blijven.



Lady Linda: 20 april 1957 - 9 juli 1962

***
terug naar de beginpagina van podium
terug naar de beginpagina van de website