Herinneringen van Mieps Fontein, in het bijzonder aan haar onderwijs- en werkervaringen


Verantwoording
Deze tekst is tot stand gekomen op basis van een interview en van nadere informatie die per e-mail en telefoon is verstrekt.

Datum van interview: 14 mei 2013.

Ge´nterviewde:
Naam: A.M. (Mieps) Fontein.
Geboortedatum: 17 oktober 1931.
Geboorteplaats: Rotterdam.

Interviewer: Loek Meijer.


Mieps is als vierde kind en enig meisje in een redersgezin geboren. Haar broers waren zes tot tien jaar ouder dan zij. Bij haar geboorte was Mieps aan beide ogen blind. Het zou kunnen zijn, zegt ze, dat haar moeder tijdens de zwangerschap rode hond heeft gehad. Hoewel er te kiezen viel uit drie internaten waar aan blinde en slechtziende kinderen aangepast onderwijs werd gegeven, hebben Mieps ouders ervoor gekozen hun dochter thuis te houden.

"Mijn ouders hadden vrinden in Kinderdijk. De echtparen bezochten elkaar over en weer. Die vrinden hadden een vrijwel blinde dochter. Dit meisje, Henneke, was zes jaar ouder dan ik. Haar lieten ze naar de gewone lagere school gaan. Omdat dat kennelijk goed ging, besloten mijn ouders ten aanzien van mij dezelfde keus te maken. Henneke werd het voorbeeld. Het sprak dus vanzelf dat ik naar de kleuterschool in de buurt ging. Ik geloof dat daarvoor geen bijzondere voorzieningen werden getroffen."

"Ons gezin had een kinderjuffrouw, Juf. Die was er al voordat ik geboren werd. Ze is dus niet voor mij in huis gehaald. Zij en mijn moeder hebben braille geleerd; twee van mijn broers trouwens ook een beetje. Ter voorbereiding van de lagere school kreeg ik brailleles van Juf. De onderwijzeres bij wie ik in de klas zou komen kwam mij al wat helpen met lezen en rekenen. Voor het rekenen werden stokjes en blokjes gebruikt. Ik had om braille te kunnen schrijven een Picht, een bepaald merk brailleschrijfmachine. Deze nam ik ook mee naar school, ondanks het feit dat je niet kunt zeggen dat het gebruik van die machine geruisloos verloopt. De onderwijzers die ik op school had leerden ook braille, zodat ze mijn schrijfwerk konden lezen. Ik had naast die Picht ook wel een priklei en prikpen, maar die gebruikte ik slechts af en toe, bijvoorbeeld als ik tijdens een vakantie dagboeknotities wilde maken. Mijn moeder nam die lei met pen ook wel mee om mij vanuit haar vakantieadres briefjes te kunnen schrijven."

"Mijn moeder en een vriendin van haar legden zich erop toe leerboeken voor mij in braille over te schrijven. Het kan zijn dat er ook wel boeken van de blindenbibliotheek in Den Haag werden betrokken. Voor rekenen maakte ik gebruik van de kubenplank, een rekenhulpmiddel dat ook op twee blindeninstituten werd gebruikt. Ik vond rekenen vreselijk, omdat ik altijd een stuk langzamer was dan de anderen, hoewel ik toch goed met die kubenplank overweg kon. Voor de aardrijkskundeles had ik de beschikking over reliëfkaarten van dik karton. Ze waren minder gedetailleerd dan de kaarten die mijn klasgenoten gebruikten en er stonden geen of nauwelijks aanduidingen in braille op, waardoor ik altijd hulp nodig had bij het bestuderen ervan. Ik denk dat ze van een blindeninstituut afkomstig waren."

"Ik werd door Juf of mijn moeder naar school gebracht en weer opgehaald. Bij huis en op school kon ik echter meestal gewoon met de anderen meedoen: rolschaatsen, touwtje springen, knikkeren."

"Juf is weleens op een blindeninstituut wezen kijken. Daar zag ze kinderen die tijdens het eten zaten te morsen. Dat vond ze maar niets. Ik kon dus blij zijn dat ik daar niet naar toe hoefde."

"De Duitsers hebben op dinsdag 14 mei 1940 een bombardement op Rotterdam uitgevoerd. Er werden veel brandbommen afgeworpen. De wijk die getroffen werd lag op loopafstand bij ons vandaan. Wij zijn er gelukkig aan ontsnapt. Tijdens de Duitse bezetting bleven de scholen open. De lessen werden af en toe onderbroken door luchtalarm. Dan moesten we de schuilkelders in. Dat vond ik vooral spannend. In september 1940 werd een gedeelte van onze lagere school door de Duitsers gevorderd. Dat betekende dat wij Duitse soldaten in ons gebouw hadden, onder anderen een schildwacht. Zo nu en dan kon ik in het speelkwartier niet echt meedoen met de balspelletjes. Er is een korte periode geweest, misschien een maand, waarin ik in zo'n geval naar het plein ging waar de schildwacht stond. Hij vertelde me over zijn kinderen en hij deed ook wel spelletjes met me. Eén van die spelletjes was dat hij mij in de rondte zwierde terwijl hij me bij mijn polsen vasthield. Hij sprak geen Nederlands. Ik praatte op mijn manier Duits met hem. Zoals gezegd heeft dit maar kort geduurd. Men vond dat ik beter niet met die mof kon omgaan. Door alles wat er in die dagen gebeurde kon ik me die houding wel voorstellen, ook al was ik pas een jaar of acht. Verder was ik natuurlijk een hele piet in de laatste oorlogswinter, toen wij geen elektriciteit hadden. Het maakte voor mij immers geen verschil of er licht was of niet. Ik kon daardoor hand- en spandiensten verlenen."

"Over de lagere school heb ik zes jaar gedaan, de gebruikelijke tijd. Henneke, ons voorbeeld, was naar het gymnasium gegaan. Mijn ouders dachten echter dat het beter voor mij was als ik naar de meisjes-hbs ging. Na afloop zou ik staatsexamen kunnen doen. Ik vond het helemaal niet leuk op de hbs; ik miste mijn vriendinnetjes en vriendjes erg. Die waren namelijk wel naar het gymnasium gegaan. Gelukkig stemde mijn ouders ermee in dat ik na een jaar, in 1944, alsnog naar het gymnasium ging. Daar heb ik nooit spijt van gehad. Ik mocht naar het tweede leerjaar, zodat ik weer bij mijn vriendinnetjes en vriendjes in de klas kwam. In dat jaar viel de hongerwinter. Er was hierdoor geen sprake van normaal verlopend schoolonderwijs. Dit gaf mij de gelegenheid mijn achterstand in Latijn in te halen. Gym Alpha werd het. Voor wis- en natuurkunde en voor scheikunde kreeg ik bijles van een privédocente. Dit heeft er echter niet toe geleid dat ik een ster werd in de exacte vakken. Bij proefwerken en het examen werd er wel wat door de vingers gezien."

"Het was niet mijn gewoonte samen met anderen huiswerk te maken; het kwam wel voor, maar dat was dan een uitzondering. Proefwerken maakte ik in braille. Ik las ze vervolgens voor of ik tikte ze met de schrijfmachine over. Dictees maakte ik meteen met de schrijfmachine; dat deed ik op de lagere school al. In verband met menskunde of biologie ben ik weleens naar een museum geweest om voorbeelden te bekijken."

"Het gymnasium lag aanvankelijk op loopafstand van mijn ouderlijk huis. Ik liep in de regel samen met een stel vriendinnen. Toen de school na een paar jaar verhuisde, was lopen geen optie meer. Ik overbrugde de afstand vanaf dat moment per tandem. De voorrijder was een jongen die op het kantoor van mijn vader werkte; het voorrijden hoorde bij zijn werk. In de bezettingsjaren was het heel rustig op straat. Ik ben daarom ook weleens alleen naar school gelopen. Ik deed dat toen zonder witte stok. Mijn ouders vonden het niet prettig dat ik alleen op stap ging. Toch heb ik er op den duur voor gezorgd dat ik bedreven werd in het gebruik van de witte stok. Ik ben een paar keer onder begeleiding naar Huizen gereisd om daar op het blindeninstituut stoklooples te krijgen. Dat was na de oorlog; ik was een jaar of achttien."

"Toen ik eindexamen gymnasium had gedaan sprak het vanzelf dat ik ging studeren. Het werd rechten, omdat ik met die studie alle kanten op zou kunnen. Dat dacht men; ikzelf was daar niet zo van overtuigd. Het werd de Universiteit van Amsterdam. Ik wilde ook in Amsterdam wonen. Je had toen een soort pensions die een beschermde omgeving aan meisjes boden. Mijn ouders regelden dat ik in zo'n pension terechtkwam. Er woonden ongeveer vijftien meisjes. Ieder had er haar eigen kamer. We werden daar volledig verzorgd. Mijn ouders regelden bovendien dat ik een persoonlijk assistent kreeg, iemand die me begeleidde als ik naar de universiteit ging of iets anders ondernam. Ik was daar niet zo blij mee, omdat dit me erg bond. Het heeft toch een paar jaar geduurd voordat ik mijn ouders ervan kon overtuigen dat ik handig genoeg met de witte stok was om zelfstandig op stap te kunnen. Dat bleek ook zo te zijn. Niettemin heb ik even een geleidehond gehad. Het was helaas een hond die met andere honden vocht. Er waren ook andere omstandigheden waarin ik vond dat hij mij meer tot last dan tot gemak was. Als ik even mijn handen vrij wilde hebben, bracht ik hem naar mijn ouders in Rotterdam. Toen ik voor mijn studie naar Engeland ging, kon hij op grond van wettelijke voorschriften niet zonder meer met me mee. Ik heb toen besloten het voortaan maar weer zonder hond te stellen. Omdat ik van honden hou zijn er later wel momenten geweest dat ik dit besluit opnieuw overwoog, maar ik kwam toch steeds tot dezelfde conclusie: een hond is leuk, maar in mijn situatie wegen de voordelen niet op tegen de nadelen."

"Na mijn kandidaatsexamen koos ik voor een vrije studierichting. Ik deed onder meer internationaal publiekrecht, diplomatieke geschiedenis en staatsrecht. Daarnaast begon ik aan een studie Russisch. Literatuur sprak me meer aan dan rechten. Ik hoopte dat ik in een beroep beide zou kunnen combineren, bijvoorbeeld in werk bij een internationale organisatie. Maar dat is nooit gelukt."

"Ik ben in Amsterdam maar langzaam op gang gekomen. Ik moest erg aan mijn nieuwe situatie wennen en de rechtenstudie daagde me niet bijster uit. In totaal heb ik er zeven jaar over gedaan voordat ik het doctoraal examen rechten kon afleggen. Daarbij moet natuurlijk wel bedacht worden dat ik inmiddels ook Russisch studeerde. Om in die studie een graad te halen ging ik naar de in Londen gevestigde School of Slavonic and East-European Studies. Behalve Russisch studeerde ik daar Servo-Kroatisch. Na afronding van die opleiding kreeg ik de titel Bachelor Honorable (BA Hon.)."

"In Amsterdam heb ik gedurende mijn hele studie in dat meisjeshuis gewoond. In de drie jaar dat ik in Londen heb verbleven heb ik in verscheidene (gemengde) studentenhuizen gewoond. Daar moest ik mijn eigen potje koken. Ik ben een jaar met een paar andere studenten bij een Russisch gezin in huis geweest. Daar praatten we Russisch met elkaar. Wij studenten hoefden er niet te koken. Dat werd voor ons gedaan."

"In mijn middelbareschooltijd en toen ik aan de universiteit studeerde heb ik veel steun gehad aan freule Quarles van Ufford, een vrijwilligster. Die zorgde ervoor dat wat ik aan leerstof nodig had tijdig door haar in braille werd omgezet. Ze woonde in Amsterdam. Toen ik daar studeerde gebeurde het geregeld dat ze 's avonds in braille kwam afleveren wat ze 's ochtends in gewoon schrift had opgehaald. Ik was trouwens niet de enige die zij bediende. Meerdere studenten hebben van haar grote ijver en dito vaardigheid genoten. Evenals enige andere voor ons onmisbare mensen was zij lid van het Academisch Genootschap Petronella Moens."

"Vanaf mijn vijfde kreeg ik pianoles. De eerste jaren leerde ik de muziek op gehoor; mijn lerares speelde voor. Ik zat geloof ik al op het gymnasium toen ik het braillemuziekschrift leerde lezen. Ik had daarvoor een boek uit Engeland. In mijn jeugd besteedde ik mijn vrijetijd echter niet alleen aan piano studeren. In Rotterdam heb ik op een roeivereniging gezeten. Met vriendjes en vriendinnetjes ging ik naar dansles. We bezochten toneelvoorstellingen en ik ging toen ook nog naar de film. De films waren indertijd beter te volgen dan thans. Dat kwam doordat ze minder scŔnewisselingen bevatten. Misschien zou je kunnen zeggen dat films toen als het ware verfilmde toneeluitvoeringen waren. Ik vind documentaires op de televisie trouwens ook moeilijk te volgen, ook als ik ieder woord op zich versta."

"In Londen heb ik mijn eerste functie als vrijwilliger vervuld. Ik voerde het secretariaat van een jeugdorkestje. Voordat ik mijn opleiding in Londen had afgerond ben ik op zoek gegaan naar betaald werk. Ik kon bij de BBC terecht. Ik zou daar naar Russische zenders luisteren en de daarbij opgevangen relevante informatie doorgeven. Door mensen in mijn buurt werd mij deze baan afgeraden; het werk zou veel te saai voor me zijn. Ik denk dat ze gelijk hadden. Ik heb verder gesprekken gehad met mensen van internationale organisaties. Die leidden echter geen van alle tot een baan. Ik woonde alweer bij mijn ouders in Rotterdam, toen Bim van der Klei contact met me zocht; hij was in Amsterdam een studiegenoot van me geweest. Hij was bestuurslid van het Academisch Genootschap Petronella Moens, landelijke kring van slechtziende en blinde intellectuelen en kunstenaars, en hij was secretaris in het bestuur van het Nederlands Blindenwezen (NBW). Vanuit het Academisch Genootschap had hij contact gelegd met het Nederlands Studentensanatorium in het Gooise Laren (NSS). De daar verblijvende studenten werden in de gelegenheid gesteld hun studie voort te zetten met behulp van geluidsopnames van de colleges. Het Academisch Genootschap had zich afgevraagd of er niet ook boeken konden worden voorgelezen voor blinde en slechtziende studenten. Hierover was men met het NSS gaan praten. Daarnaast had het NSS het idee gekregen haar diensten uit te breiden, onder meer door gehandicapte studenten te ondersteunen die problemen ondervonden bij de aanvraag of verlenging van een studietoelage of bij de fysieke toegankelijkheid van een onderwijsinstelling. Dit alles leidde tot oprichting van de sectie Studiehulp. Dat was in 1960. Het huidige Handicap + Studie is hieruit voortgekomen. Studiehulp was aanvankelijk op het terrein van het NSS gevestigd. Bim van der Klei vroeg me of ik als medewerkster bij Studiehulp wilde komen werken. Ik nam dit aanbod graag aan. Het was een halve baan. De bij het NSS werkzame secretaresse mocht ik als voorleeshulp gebruiken."

"Studiehulp kon gebruikmaken van de opnames die het NSS maakte of liet maken van colleges in het kader van studium generale. Studiehulp bevorderde ook dat studieboeken in gesproken vorm of in braille werden omgezet. Feitelijk ondersteunde Studiehulp de individuele studenten in hun activiteiten om op tijd aan studieboeken te komen. Wij, het Genootschap, hadden er al jaren last van dat er een ongezonde concurrentie bestond tussen de verscheidene bibliotheken. Dit heeft ons ertoe gebracht naar oprichting van een instantie te streven die co÷rdinerende taken zou krijgen toebedeeld voor de lectuurvoorziening ten behoeve van blinde en slechtziende studenten. Een dergelijke instantie is er in 1961 gekomen: het Co÷rdinatiecentrum. Het kreeg onderdak bij het NSS; ik werd de eerste co÷rdinator. Het Co÷rdinatiecentrum verhuisde van Laren naar Amsterdam, toen het studentensanatorium eind 1964 wegens gebrek aan patiënten werd gesloten. Voor de voortzetting van zijn taken ten behoeve van lichamelijk gehandicapte studenten vestigde het een bureau in Utrecht. Het Co÷rdinatiecentrum kon niet mee. Dat werd gehuisvest bij de Openbare Leeszaal en Bibliotheek van Amsterdam waaraan ook een blindenbibliotheek was verbonden. Pas in 1965 werd het formeel in een stichting ondergebracht. De naam werd Co÷rdinatiecentrum Lectuurvoorziening voor Visueel en Anderszins Gehandicapten. Ik had een baan van 20 uur per week. Voor voorleeswerk kon ik een paar uur per week van een werkstudent gebruikmaken. Naast het bevorderen van het tijdig beschikbaar komen van studieboeken in braille of gesproken vorm en de registratie van het boekenbezit, maakten we als co÷rdinatiecentrum opnames van lezingen die in het kader van het studium generale werden gehouden; dat waren openbare colleges. Niet zelden ging ik persoonlijk een opname maken. Die activiteit hadden we van het NSS overgenomen. Daarvoor gebruikte ik een grote spoelenbandrecorder."

"Naast mijn halve baan in Laren en vervolgens in Amsterdam gaf ik in mijn Amsterdamse flat lessen Russisch aan Nederlanders en deed ik vertaalwerk. Ik vertaalde naar het Russisch, maar ook naar het Engels. Een goed woordenboek Nederlands-Engels en omgekeerd is pas in de jaren 1949 tot 1957 in brailledruk verschenen (in totaal 28 banden, dubbelzijdig). Dit was een uitgave van het Academisch Genootschap. Een betrekkelijk goed woordenboekje Engels-Russisch en omgekeerd had ik in Engeland al tot mijn beschikking. Een woordenboek Nederlands-Russisch en omgekeerd is voor mij afzonderlijk in braille overgezet. Dat boek is rond 1960 gereedgekomen. Ik heb het nog. Het omvat 72 banden, enkelzijdig gebrailleerd."

"In 1965 werd ik opgebeld door iemand van het UAF (Universitair Asyl Fonds, in 1968 omgevormd tot Stichting Vluchteling-Studenten UAF). Hij vroeg of hij enige studium-generalecolleges waarvan wij een opname hadden gemaakt mocht gebruiken voor het taalpracticum dat hij wilde opzetten voor buitenlandse studenten die Nederlands moesten leren. Daar had ik geen bezwaar tegen. Op mijn beurt had ik belangstelling voor het taalpracticum van het UAF; misschien was dat ook iets voor blinde en slechtziende docenten. Hierin was ik vooral ge´nteresseerd door mijn lidmaatschap van de NBW-commissie die onderzocht welke beroepsmogelijkheden er voor blinden en slechtzienden waren. We maakten een afspraak voor een ontmoeting. Ik zou door een paar commissieleden worden vergezeld, maar uiteindelijk liet men het aan mij over de zaak te verkennen. Per slot van rekening was ik de talenmens, vond men. Tijdens die ontmoeting maakten ze mij deelgenoot van hun probleem dat een docent overspannen was geraakt en dat ze met twee cursisten in hun maag zaten die enkel Russisch spraken. Toen ik vertelde dat ik met enige vreemde talen overweg kon, waaronder het Russisch, zei de directeur dat ik wat hem betrof meteen kon beginnen, voorlopig 20 uur per week, maar hij zou zijn best doen een volle baan gefinancierd te krijgen. Nou, daar hoefde ik niet lang over na te denken. Dat gedoe met die onwillige blindenbibliotheken beviel me niets. Daar was ik graag vanaf. Bovendien zou ik, als het lukte met die 40-urige baan, het werk in loondienst niet behoeven te combineren met freelanceklusjes. Er verliepen nog een paar maanden voordat de zaak helemaal geregeld was. In 1966 heb ik het Co÷rdinatiecentrum verlaten om studenten uit het buitenland les in de Nederlandse taal te gaan geven. Dat die colleges in het kader van het studium generale een rol konden spelen in het taalpracticum, bleek trouwens algauw een misvatting te zijn. Die waren te moeilijk. Anderzijds kon het taalpracticum wel goede diensten bewijzen aan blinde docenten. Ikzelf heb er onder anderen mee gewerkt."

"Het UAF zat in Utrecht. Na een jaar pendelen tussen Amsterdam en Utrecht moest ik aan de verhuisplicht voldoen die mijn werkgever me had opgelegd. Dat was in die tijd een gebruikelijke gang van zaken. Ik heb er wel even over moeten nadenken, want ik woonde erg naar mijn zin in Amsterdam. Maar ja, de baan vond ik ook leuk. Ik ben toen in de flat getrokken die ik nu nog bewoon."

"Mijn werk bestond uit het geven van Nederlandse les aan anderstaligen van allerlei nationaliteiten en het maken van lesboeken. Het laatste deed ik samen met collega's. Voor het nakijken van het huiswerk had ik een assistent die mij voorlas. De lesboeken worden nog steeds verkocht. Ik heb met stromen vluchtelingen te maken gehad, Tsjechen, Chilenen, Oegandezen en Vietnamezen bijvoorbeeld. Later ben ik belast geworden met het trainen van docenten. Het Russisch verdween naar de achtergrond. Voor mijn werk moest ik af en toe op reis; ook 's avonds. Het reizen met het openbaar vervoer vond ik toen minder problematisch dan thans. In de plaats waar ik moest zijn moest ik naar het gebouw waar les werd gegeven. Ik kon me de ene keer van de trein laten ophalen; andere keren nam ik een taxi. Mijn ervaring is dat de studenten mijn blindheid heel gemakkelijk accepteerden, in die zin dat ze niet moeilijk deden over wat ik wel of niet kon. Ze wisten dat ik hun iets te bieden had. In de loop van de jaren is het onderwijs Nederlands aan buitenlandse studenten door het UAF overgedragen aan de Stichting Bijstand Buitenlandse Studerenden en vervolgens aan het NCB (Nederlands Centrum Buitenlanders). Ik heb dit werk tot aan mijn pensionering in 1996 gedaan. Na mijn pensionering ben ik als vrijwilliger taalles blijven geven. Ik werk thans twee dagen per week als docent inburgering voor het Gilde Utrecht. Ik geef vooral aan hoger opgeleide inburgeraars les in het Nederlands. Nu kan ik per computer met mijn leerlingen communiceren. Dat is een grote vooruitgang ten opzichte van hoe ik vroeger moest werken."

"Ik had het druk met mijn werk. Ik heb er daarom niet veel vrijwilligerswerk bij gedaan. Ik ben wel een behoorlijk lange tijd bestuurslid van het Academisch Genootschap Petronella Moens geweest. Namens het Genootschap zat ik in de Nederlandse Blindenraad, het toenmalig overlegorgaan van de vier belangenorganisaties van blinden en slechtzienden. Naast het Academisch Genootschap waren dat de Nederlandse Blindenbond, de Nederlandse R.K. Blindenbond Sint-Odilia en de Nederlandse Christelijke Blindenbond. Binnen die Raad werd in mijn tijd over een fusie onderhandeld. De onderhandelingen hebben eind 1977 geleid tot oprichting van de Nederlandse Vereniging van Blinden en Slechtzienden (NVBS). Hierin verenigden zich alle leden van de in de Nederlandse Blindenraad vertegenwoordigde belangenorganisaties, met uitzondering van een groep leden van de Nederlandse Christelijke Blindenbond. Onder de naam Nederlandse Christelijke Blinden- en Slechtziendenbond leidt deze vereniging nog steeds een zelfstandig bestaan. Ik ben na de fusie nog bestuurslid geworden van de binnen de NVBS opererende Belangengroep Studerenden en Afgestudeerden, maar die functie heb ik maar kort bekleed. Rond 1988 ben ik lid van de redactie van Anders Bekeken geworden, het verenigingsblad van de NVBS. Dat ben ik zo'n twintig jaar gebleven. Joop Kruisselbrink was vrijwel diezelfde periode hoofd- en eindredacteur. Na zijn overlijden in april 2005 heb ik acht maanden het eindredacteurschap waargenomen. Vrij kort daarna ben ik als redactielid teruggetreden."

"In 1998 ben ik bestuurslid geworden van Afdeling Utrecht en omstreken van de NVBS. Dat ben ik tot 2010 gebleven, merendeels in de functie van secretaris. Rond 1999 heb ik het redacteurschap op me genomen van Ulica, het mededelingenblad van genoemde afdeling dat vijfmaal per jaar verschijnt. Die taak vervul ik nog steeds. De afdeling is inmiddels met de NVBS overgegaan naar de Oogvereniging Nederland en heet nu Regiogroep Utrecht En Omstreken."

"In Engeland heb ik kennisgemaakt met de Anglicaanse kerk. Na mijn verhuizing naar Utrecht heb ik daar de Anglicaanse kerk opgezocht. Er bleek een heel vriendelijke sfeer te hangen; iedereen was er welkom. Ik ben er graag heen blijven gaan. Rond 2002 ben ik enkele jaren lid van de Church Council geweest. In die periode heb ik de kerk vertegenwoordigd in de Stedelijke Raad van Kerken. Op het ogenblik (mei 2013) help ik bij de voorbereiding van de viering van de honderdste verjaardag van de Anglicaanse kerk in Utrecht."

"In 2008 heb ik het initiatief genomen tot de organisatie van activiteiten ter herdenking van het 200'ste geboortejaar van Louis Braille (2009). Ik ben ook betrokken geraakt bij de concrete voorbereiding van activiteiten. De NLBB Vereniging van Leesgehandicapten trad als organisator op. Later ben ik binnen deze vereniging lid geworden van de werkgroep die zich bezighoudt met en zorgen maakt over de kwaliteit van het brailledrukwerk (in het bijzonder van het door Dedicon geleverde drukwerk) en ijvert voor de veiligstelling van de beschikbaarheid van bladmuziek in braille. Het lijkt een gevecht tegen de bierkaai."

"Voor het maken van aantekeningen tijdens bijeenkomsten (colleges, vergaderingen) heb ik in het begin van de Picht en soms van een stenomachine gebruikgemaakt. Op den duur gaf ik er echter de voorkeur aan een geluidsopname te maken om die thuis op mijn gemak uit te werken. Daarvoor gebruikte ik aanvankelijk de spoelenbandrecorder. Bim van der Klei werkte bij Philips. Die heeft ervoor gezorgd dat ik de cassetterecorder leerde kennen zodra deze op de markt kwam. Het was geloof ik in dezelfde tijd, rond 1975, dat ik in het bezit kwam van de Optacon. Ik behoorde tot de eerste drie Nederlandse gebruikers. Na langdurige oefening kon ik er zwartschrift mee lezen; geen grote lappen tekst, maar ik kon er bijvoorbeeld wel globaal mijn post mee bekijken. Met de ene hand beweeg je een cameraatje over de tekst, via een vinger van de andere hand laten snel bewegende pennetjes je de vorm van het door het cameraatje opgevangen teken voelen. Ik heb er nog steeds eentje in huis en ik gebruik hem ook nog af en toe."

"Het vrijwilligers- en bestuurswerk is, evenals het betaalde werk, heel erg veranderd door het toegenomen gebruik van de computer. Vroeger kon je stukken niet zo gemakkelijk in braille produceren en vermenigvuldigen. Vergaderstukken en correspondentie kreeg je in zwartschrift. Je had toen veel meer voorleeshulp nodig. Het voeren van het secretariaat van een club was toen dus veel lastiger dan nu. Je bent nu minder afhankelijk van anderen. De digitalisering heeft trouwens ook veel verbeterd in de sfeer van de persoonlijke mogelijkheden."

"Piano spelen is één van mijn liefhebberijen geworden. Ik heb het wel steeds als groot nadeel van mijn blindheid ervaren dat ik niet vanaf het blad kan spelen. Dat betekent dus een tamelijk beperkt repertoire. Het samenspelen met anderen heb ik altijd heel fijn gevonden. Ik heb menigmaal als begeleidster van een cellist een uitvoering gegeven. Maar als ik van het blad had kunnen spelen, had ik veel meer met anderen kunnen musiceren. Gelukkig kan ik eenvoudige muziek wel op gehoor spelen. Bridgen en schaken doe ik ook graag. Bridgen doe ik zowel met zienden als met blinden en slechtzienden. Voor zienden is het erg wennen om steeds te moeten vertellen welke kaarten er open liggen en wat ze opleggen. Bridgen doe ik al vanaf mijn jeugd, maar met het groepje blinden en slechtzienden waarmee ik tegenwoordig eenmaal in de veertien dagen bridge krijg ik gewoon weer les. Aan competities doe ik niet mee.
Ik zit in een reguliere schaakclub. Mijn spelgenoot en ik gebruiken daarbij elk een eigen bord, zodat de ander geen hinder ondervindt van mijn handen boven het bord. Een voorwaarde is natuurlijk dat de ander vertelt welke zetten hij doet. Ik ben nog steeds sluimerend lid van de Nederlandse Schaakvereniging van Visueel Gehandicapten (NSVG). Ik heb vroeger wel meegedaan aan haar schaakweekends, maar ik vond ze eigenlijk te lang duren. Daar heb ik nu helemaal geen zin meer in.
Dit doet me eraan denken dat ik ook nog een jaar of vijf bestuurslid ben geweest van de NSVG; ik was secretaris. Ik heb in die hoedanigheid zitting gehad in het comité dat de schaakolympiade voor visueel gehandicapten voorbereidde. Die olympiade heeft in 1980 in Noordwijkerhout plaatsgevonden. Het is een zeer geslaagd evenement geweest."

"Ik denk dat ik niet iets gemist heb door niet op een blindeninstituut te hebben gezeten. Aan mobiliteitstraining en bevordering van de zelfredzaamheid werd in de tijd dat ik jong was op de instituten nog geen aandacht geschonken. Het koken heb ik van Juf geleerd toen ik zelfstandig ging wonen. In het studentenhuis stond ik echter ook al af en toe in de keuken. Koken doe ik nog steeds graag. Lekker koken vind ik trouwens een kunst. Dat mag tijd kosten. Als ik gasten krijg die blijven eten, sta ik met plezier een middagje in de keuken. Met een stel goede ogen zou het overigens minder energie kosten."

"Ik heb nooit bij de pakken neergezeten, maar ik besef goed dat ik door mijn blindheid heel wat mis. Blindheid maakt ook dat bijna alles veel meer tijd en inspanning kost. Piano spelen zou met ziende ogen gemakkelijker zijn geweest. Ik had graag kunnen fietsen en autorijden.
Ik kan me weinig voorstellen van planten en beeldende kunst. Natuurlijk voel ik weleens planten en bloemen om te weten hoe de vorm is. Ook beelden voel ik weleens, maar zij roepen voor mij niet de schoonheid op die goede muziek, poŰzie of proza bij mij oproepen. Ook voelbare plaatjes geven mij niet echt de indruk van de werkelijkheid.
Een blinde mist veel mooie dingen. Kleuren kan ik me een beetje voorstellen dankzij de literatuur. Als er toen ik jong was de mogelijkheid had bestaan dat ik ziende ogen kreeg, zou ik het hebben aangedurfd. Op dit moment zou ik er nee tegen zeggen. Ik zou te veel dingen opnieuw met mijn hersens moeten leren verwerken. Het zou me te veel moeite kosten om waarnemingen opnieuw te leren interpreteren."

"Hoe ouder je wordt, hoe meer de blindheid een rol gaat spelen. Dit komt door bijkomende verschijnselen als gehoorverlies en verminderde mobiliteit. Ik durf niet meer alleen de straat op doordat ik niet meer kan bepalen van welke kant een geluid komt. Dat zit me erg dwars. Toch denk ik nog niet aan een verzorgingshuis; het zelfstandig wonen kan ik moeilijk opgeven. Ik woon hier prettig, ik kan doen wat ik wil. Als het toch ooit een verzorgingshuis moet worden, dan is het nog niet zo zeker dat dat een specifiek verzorgingshuis voor blinden en slechtzienden zal worden. Ik denk dat de contacten en gesprekken er te eenzijdig zouden zijn."


Nijkerk, 13 oktober 2013/LFM

***
terug naar de beginpagina van teksten van Loek Meijer
terug naar de beginpagina van de website