Interview met Maarten Bakx over zijn jaren op het R.K. Blindeninstituut "Sint Henricus" te Grave (1942-1953).


Verantwoording

Deze tekst is tot stand gekomen op basis van per e-mail voorgelegde en beantwoorde vragen, aangevuld met informatie die tijdens enkele telefoongesprekken is verstrekt. De e-mailwisseling vond plaats in november 2012.

Geïnterviewde:
Naam: Maarten (oorspronkelijk Tiny) Bakx;
Geboortedatum: 26 december 1935;
Geboorteplaats: Tiel.

Interviewer: Loek Meijer.

Algemeen

a. Wanneer ben je visueel gehandicapt geworden?

Bij mijn geboorte was ik, wat later genoemd zou worden, maatschappelijk blind. Ik zag net wat meer dan het onderscheid tussen licht en donker. Twee operaties hebben hierin geen verbetering gebracht. Naast de visuele handicap had ik ook een auditieve beperking (uitval boven 1200 HZ).

b. Had je broers en zussen?

Ja, twee broers en twee zussen. Ik was in het gezin de enige met een visuele handicap.

c. Wanneer ben je naar Sint Henricus gegaan?

In de loop van 1942.

d. Heb je eerst nog op De Wijnberg gezeten?

Nee. Ik heb in Tiel op de bewaarschool gezeten, bij zuster Tadea. Dat was dus samen met ziende kinderen.

e. Tot wanneer ben je op Sint Henricus gebleven?

Tot 1 mei 1953.

Onderwijs

a. Welk onderwijs was op het instituut beschikbaar?

Voor iedereen was er aangepast lager onderwijs (zes klassen). We kregen daarbij ook les in handvaardigheidsvakken, zoals matten vlechten (met een vlechtapparaat met traproeden) en rietvlechten.

b. Was er gelegenheid om vanuit het instituut regulier onderwijs te volgen?

Nee.

c. Hoe groot waren de klassen?

Ik denk dat de klassen ongeveer twaalf leerlingen telden.

d. Werd er verschil tussen blind en slechtziend gemaakt?

Nee. De slechtzienden moesten ook braille leren. Ze kregen les van de blinde frater Rudolf. Om te voorkomen dat de jongens toch keken, werd er een dunne doek over de tekst gelegd. Daardoorheen moesten ze dan de letters voelen.

e. Wat voor onderwijspersoneel was er?

Voornamelijk fraters. Eén van hen was zelf blind. Er waren daarnaast drie leken, eentje (een blinde) voor handarbeid en twee voor muziek. De belangrijkste van de laatste twee was ziend. De blinde leraar gaf mij in het begin pianoles. Tijdens zijn les prikte hij in braille op de priklei de oefeningen die ik moest gaan leren of speelde hij de akkoorden onder de melodie die ik met de rechterhand speelde. Als ik een fout maakte, vloekte hij op zijn manier met de krachttermen "deksel" en "doos". Later, bij de ziende leraar, werden gedrukte brailleboeken gebruikt. Ook bij hem ging het vaak fout omdat ik veel te weinig toonladders speelde. Ik verdeed te veel oefentijd met pogingen om deuntjes op gehoor te spelen, zoals "Er hangt een paardenhoofdstel aan de muur". Niettemin is het me gelukt de Mondscheinsonate uit mijn hoofd te leren uit de prachtige serie "Classique pour le piano".

f. Werd er muziekles (theorie, praktijk) gegeven?

We leerden in braille bladmuziek schrijven en lezen. Dat was het enige theoretische gedeelte. Zie verder het antwoord op vraag e.

g. Wat werd er in de gymnastiekles gedaan?

Rondjes rennen, grondoefeningen uitvoeren en op toestellen werken.

h. Werd er mobiliteitstraining gegeven?

Nee. Noodzakelijkerwijs leerde je uiteraard vanzelf je gehoor goed gebruiken. Een bepaalde jongen buitte dit uit als er sneeuw lag. Hoorde hij de deur opengaan, dan vroeg hij: "Wie is dat?" Als je dan antwoord gaf, kreeg je steevast een sneeuwbal trefzeker tegen je aan. Zijn worp miste nooit.

i. Werd er anderszins de zelfredzaamheid gestimuleerd?

Ja, bijvoorbeeld veters in schoen rijgen en strikken, met mes en vork eten. Het schoenen poetsen gebeurde zo, dat een slechtziende insmeerde en een blinde uitwreef. Scheren deed ik me met mes en kwast. Ik heb in mijn instituutstijd nog wel een scheerapparaat op batterij gehad, maar dat was geen succes.

j. Welke specifieke leermiddelen werden er gebruikt?

Voor rekenen het Graafs rekenbord. Voor aardrijkskunde een wereldbol en landkaarten in reliëf. Er was een houten kaart van Nederland met uitneembare provincies. Verder gebruikten we de priklei met pen, de picht (brailleschrijfmachine), de braillestenomachine en de blokken- of letterdoos. Met behulp van de inhoud van deze doos kon je letters in papier drukken. Dit waren gewone drukletters. Ze vertoonden reliëf doordat ze met naaldjes werden gevormd. De blinde kon hierdoor lezen wat hij had gedrukt. De aldus geproduceerde tekst was voor zienden bedoeld. We gebruikten die doos om brieven naar onze ouders te schrijven.
Voorts waren er blokken met zes uitneembare kopspijkerachtige pennen (de braillepunten voorstellend) voor het leren van de letters in braille.
Ik herinner me ook houten borden waarin je plankjes met woorden in braille kon leggen (aap, noot, mies en zo voorts). De bij de woorden behorende figuren waren ook uit hout gesneden.
Verder waren er opgezette dieren en modellen van bijvoorbeeld een sluis. Deze stonden in het zogenaamde museum.

k. Hoe zag je eigen onderwijstraject op het instituut eruit?

Eerst de lagere school. Daarna wat ze de kantooropleiding noemden. Daarin leerde ik blind typen en stenograferen in braille. De hoofdmoot bestond uit de handelscorrespondenties Nederlands, Engels en Frans. Thuis deed ik nog Duits.

l. Hoe werd je op het verlaten van het instituut voorbereid?

Op de werksituatie werd ik slecht voorbereid. Er werd alleen aan kennis en schrijfvaardigheid aandacht besteed. Ik vond bij een Tielse werkgever werk als stenotypist, maar ik werd algauw naar school teruggestuurd omdat ik mijn getypte werk niet zonder inktvlekken kon afleveren en fouten niet zelf kon uitgummen. Voor het maken van kopieën werd in die tijd carbonpapier gebruikt. Ik ben ongeveer twee weken op het instituut terug geweest. Daarna kon ik weer bij de Tielse werkgever terecht. Het vlekken maken was echter niet over.
Ik heb snel een geleidehond gekregen. Zowel op het werk als thuis had de hond een hok.
Op de woonsituatie werd ik evenmin goed voorbereid. Het was moeilijk in mijn nieuwe woonplaats contacten te krijgen. Door op dansles te gaan kwam daar slechts enigszins verandering in. Ik moest me door mijn danspartner laten thuisbrengen, terwijl andere jongens hun danspartner naar huis brachten. Zij hadden hierdoor meer kans op een leuk slot van de avond dan ik. Je zou kunnen zeggen dat ik op die dansles was voorbereid door de dansles die we op het blindeninstituut kregen, jongens onder elkaar, hengstenbal dus. Vermoedelijk was betere voorbereiding ook niet mogelijk. In ieder geval behoorde het in mijn tijd niet tot het gedachtengoed van de instituutsopvoeders.

m. Heb je de indruk dat je voldoende op de "ziendenmaatschappij" was voorbereid?

Nee. Het motto was: zoveel mogelijk de ziende copiëren en qua werk als het even kan beter presteren dan de ziende. Dat is dus heel iets anders dan bij de leerlingen de mentaliteit aankweken dat van de blinde en slechtziende niet hetzelfde mag worden verwacht als van de ziende; dat hij recht heeft op een eigen identiteit.

Inrichting internaat

a. Waren er aparte groepen voor blinden en slechtzienden?

Nee, er werd geen onderscheid gemaakt tussen blind en slechtziend.

b. Waren de groepen naar leeftijd ingedeeld?

We hadden twee groepen: de kleine blinden en de grote blinden. Laatstgenoemde groep was voor de leeftijd van 18 jaar en ouder.

c. Hoe groot waren de groepen?

Ik schat dat ze elk circa vijftig jongens omvatten.

d. Waren er blinden en/of slechtzienden onder het internaatspersoneel?

Ja, een slechtziende telefonist. Hij was geen frater.

e. Hoe zag je leefomgeving eruit?

Bij de kleine blinden: Overdag:

's Nachts:

Bij de grote blinden:

Voor de gehele internaatsbevolking en de fraters was er een kapel waarin we ons minimaal eenmaal per dag moesten verzamelen voor de heilige mis.

Internaatsleven

a. Welke recreatiemogelijkheden waren er beschikbaar?

Binnen: allerlei spellen zoals sjoelbakken, kaartspellen, grote radio met platenwisselaar en losse speakers; radioknutselspullen.
Buiten: onder meer vliegende hollanders, wip en schommels binnen een omheining, rolschaatsen, trapauto's en fietsen. Blinden mochten alleen fietsen als er niet op een andere manier op de speelplaats mocht worden gespeeld.
's Zomers werden er voor de liefhebbers ook jonge kauwen bezorgd. Deze werden in kleine kooien gehouden, één kauwtje per kooi. Met voer werden ze tam gemaakt. Gebruikmakend van hun honger kon je de kauwtjes steeds grotere afstanden laten vliegen, op weg naar je vinger waaraan voer zat. De kauwtjes werde gelokt met een "tja, tja, tja!". Je stak je vinger in de opengesperde snavel; dat was de bedoeling. Maar er kwam natuurlijk ook weleens een klodder voer in een oog terecht.

b. Werd er groepsgewijs gewandeld?

Ja, tweemaal per week ongeveer drie uur.
Op ruim een kilometer afstand richting Cuijk lag het zogenoemde Veldje dat bij het instituut hoorde. Op dat terrein was ook een ven. Er werd onder meer gevoetbald en kano gevaren. Eens ben ik in de winter verkeerd uit een Canadese kano gestapt en kopje-onder gegaan. Daarna ben ik in doorweekte kleren per tandem teruggebracht.

c. Werd er aan sport gedaan?

Niet structureel. Soms werd er getandemd, een slechtziende voorop; soms werd er gezwommen.

d. Werd er aan muziekbeoefening gedaan?

Ja, er werd veel aan muziek gedaan. In meerdere vertrekken stond een piano waarop je kon oefenen. Voor het van buiten leren van bladmuziek las ik met de ene hand de muziek in braille en speelde ik met de andere. In de kapel stond een prachtig orgel. Daar kon ook op worden gestudeerd.
De muziekleraar gaf naast piano- en orgelles ook les in het bespelen van blaasinstrumenten. Hij dirigeerde de twee muziekkorpsen die het instituut rijk was, de grote en de kleine harmonie. Ik was in beide derde klarinettist. Deze korpsen brachten aubades bij patroonfeesten van fraters en luisterden andere feesten op, zoals de intocht in het instituut van Sinterklaas. Ik denk dat de grote harmonie wat moeilijker werk speelde dan de kleine, bijvoorbeeld de Klompendans van Lortzing.
Ikzelf had het grote voorrecht dat ik in een bandje piano mocht spelen. Als er een groep belangstellenden de praktijk van het onderwijs aan blinden en slechtzienden kwam bekijken, traden we tijdens de lunch in de grote spreekkamer op. We speelden ook buiten de deur. We mochten nogal eens mee op promotietoer. Dan reed de veewagen van de vader van één van de accordeonisten voor; die woonde in een dorp dicht in de buurt. Dan werd de achterklep opengeklapt en de piano erin gedragen. Daarna werden de in uniforme kleding gestoken bandleden naar binnen geleid. In het dorp waar we moesten optreden werden piano en bandleden op een podium opgesteld dat in de regel was opgebouwd uit twee biljarttafels en enige planken. We speelden zowel licht klassiek als populair, zoals de feestmars van Van der Glas, Die schöne blaue Donau en "Daar zijn de appeltjes van oranje weer." Soms ging er een blinde lilliputter mee die op de trombone soleerde. We hadden altijd veel succes.

e. Mocht er bezoek worden ontvangen?

Ja, daartoe waren zes spreekkamers (waaronder één grote) beschikbaar. Als ik van mijn ouders bezoek kreeg, liep ik met hen wat rond, zowel binnen als buiten het instituut. Om me in te dekken tegen heimwee, prentte ik me meteen bij de ontmoeting al in dat ze ook weer weg zouden gaan.

f. Hoe vaak en hoe lang mocht men op weekeinde/vakantie?

In de begintijd mochten we alleen met de schoolvakanties naar huis. Later werd het wat soepeler.

g. Wat werd er aan godsdienstbeoefening gedaan?

Dagelijks werd je 's ochtends om half zeven met een schoolbel gewekt, gevolgd door de woorden: "Geloofd zij Jezus Christus" en werden ook reeds de zevenjarige jochies geacht geknield te antwoorden met: "In alle eeuwigheid amen". Na ons gewassen en aangekleed te hebben gingen we naar beneden om in de speelzaal gezamenlijk op de knieën het ochtendgebed te bidden. Vervolgens verzamelden we ons in de kapel voor een stille mis. 's Zondags werd deze een paar uur later door een hoogmis gevolgd. Verder was er 's zondags tussen de middag vaak stille bezoekdienst, om vier uur congregatie en rond half zes lof. Elke dag werd afgesloten met een gezamenlijk geknield avondgebed in de speelzaal.
Op school werd aandacht besteed aan de bijbelse geschiedenis en de katechismus.
Eens per jaar werd er retraite gehouden. Dat vond ik rustgevend. Overdag mocht je niet praten. Je liep biddend rondjes, las boeken over heiligen en luisterde naar de vriendelijke preken in de kapel. De retraites werden door een pater geleid die niet vast aan het instituut was verbonden. Ze duurden twee of drie dagen.

h. Welke hoogtijdagen (niet alleen religieuze) waren er?

Met Pasen en Kerstmis waren we thuis. Verder hadden we vrij op Hemelvaartsdag, Sacrementsdag, Petrus en Paulus (29 juni) en tijdens de doortocht van de Nijmeegse vierdaagse. Met Sint-Cecilia (22 november) kregen de muzikanten worstenbroodjes. Op de patroondag van de frater-directeur was het feest. Dan werd er een soort receptie gehouden waarop zowel de kleine als de grote blinden aanwezig waren. Er werden gedichten voorgedragen en kleine muziekstukken uitgevoerd. Behalve leerlingen werden hier ook volwassen blinden bij betrokken, mensen die om uiteenlopende redenen op het instituut mochten blijven wonen. Toon van Rooij, een geschoold klassiek pianist die je elke dag overal in het instituut kon horen oefenen, was één van hen. Hij speelde ook op de viool met pianobegeleiding. Minder kunstig, maar onontkoombaar, was het optreden van ene George die op zijn blokfluit "Lang zal hij leven" speelde. Eenmaal per jaar gingen we naar een grote speeltuin en roeien bij de paters Capucijnen in Velp was ook een jaarlijks terugkerend evenement.
Er kwam af en toe een toneel- of muziekgezelschap optreden. Dan werd in de gymzaal een toneel opgebouwd. Soms voerden de fraters zelf een toneelstuk op en ook de leerlingen verzorgden weleens zelf een uitvoering. Ik herinner me zo'n stuk: Het gastmaal der kinderen; een middeleeuws stuk waarin arme ondervoede kinderen op de Communie werden voorbereid. Die kinderen moesten vooral veel bidden in de kapel. Ik had als tekst: "quid et quod me quaerebatis, niesciebatis quia in haec que patre mei." Het Mariabeeld in de kapel (in de persoon van de eerderbedoelde accordeonist uit de band, wiens vader de veewagen voorreed), begon eensklaps terug te praten. Blijf dan maar eens ernstig! Tenslotte gingen we na de Communie dood; daarna was het dus een kwestie van doodstil blijven zitten op een bidstoel. Dat vond ik nog het moeilijkst.

i. Hoe was de dagindeling?

Behalve het godsdienstritueel rond de nacht (zie boven) ging het als volgt: Om half negen het ontbijt; daarbij werd veel beleg uitgewisseld. Dan tot negen uur recreatie. Op bepaalde dagen moesten in die tijd de schoenen worden gepoetst; de slechtzienden smeerden, de blinden wreven uit. Van negen tot half elf school. Na de pauze school van elf tot twaalf uur.
Om twaalf uur de warme maaltijd. Van half een tot half twee pauze. Van half twee tot vier uur school. Dan recreatie tot half vijf. Om half vijf gingen we aan tafel voor een kleine broodmaaltijd. Om vijf uur moesten we weer naar de klas; tot half zes. In mei en oktober gingen we vervolgens naar de kapel voor het lof. Daarna hadden we recreatie tot half zeven, het moment waarop de avondmaaltijd begon (brood). Na de maaltijd werd er voorgelezen of moesten we nuttig bezig zijn (lezen of kaarten; niet zomaar wat kletsen). Daarna was het recreatie totdat we naar bed moesten, de jongsten eerder dan de oudere.
Bij de broodmaaltijden kon je thee en koffie drinken.

j. Waren er (huis)dieren?

Over de kauwen heb ik het al gehad. Ik heb ook wel een hond meegemaakt. De telefonist had er een en ik geloof dat ook frater Antoine een tijd een hond had.

k. Werden er bepaalde dingen (buiten het onderwijs) gestimuleerd?

De muziekbeoefening kreeg veel aandacht. Naast wat ik al eerder noemde vermeld ik dat de dirigent van onze harmonieën ook solistenconcoursen voor blazers uit de streek organiseerde. De optredens vonden in onze gymzaal plaats. De bugels, klarinetten, cornetten en zo voorts kon je natuurlijk ver buiten die zaal horen. Dat vond ik erg mooi.
's Zondags was er de gelegenheid om ter waarde van maximaal een dubbeltje snoep te kopen. In de Vastentijd werd gestimuleerd dat je dit in het Vastentrommeltje opspaarde.

l. Waren er contactmogelijkheden met zienden buiten het instituut?

In het algemeen niet. Voor de bevoorrechten (degenen die in een band zaten) lag het iets anders. Ik herinner me dat we in Regina Coeli, een chique meidenkostschool in vught, moesten optreden en hoe we tijdens de pauze werkelijk werden bedolven onder de meiden. Daar werd ik toen erg verlegen van.

m. Op welke leeftijd mocht men alleen op stap?

Dat voorrecht hadden alleen de grote blinden, maar toen ik die leeftijd ongeveer bereikt had, kon ik het instituut verlaten. Mijn vader had namelijk voor mij bij een Tiels bedrijf (metaalwarenfabriek Daalderop) een baan geregeld.

Persoonlijke ervaringen


a. Hoe ben je op het verblijf op het instituut voorbereid?

Ik ben nagenoeg niet op het instituut voorbereid. Toen mijn ouders mij als zesjarig jochie op het instituut kwamen afleveren, zijn we door frater-directeur naar de speelplaats geleid. Daar bracht hij me naar een trapauto. "Ga maar lekker rondjes rijden!" Nou, dat leek me wel wat. Ik erin en trappen en sturen maar. Ik had het uitstekend naar mijn zin. Later bleek echter dat mijn ouders ondertussen waren vertrokken. Hiermee hadden ze het advies van frater-directeur gevolgd; dat voorkwam een emotionele afscheidsscène, was de onderliggende gedachte. Toen ik merkte dat ze mij hadden achtergelaten, moest ik ontzettend huilen; ik voelde me erg in de steek gelaten. Frater-directeur had mijn ouders bovendien geadviseerd mij de eerste maand niet te komen bezoeken; dit zou de gewenning vergemakkelijken. Ik heb veel last van heimwee gehad; dit herhaalde zich trouwens de eerste jaren na iedere vakantie.

b. Hoe ervoer je de plaatsing buiten het gezin?

Ik heb het als heel vervelend ervaren. Vooral vlak na de vakantie thuis voelde ik me op het instituut erg onbehaaglijk. Dit leidde ertoe dat ik mezelf allerlei onbenullige misdragingen jegens mijn ouders ging verwijten. Dat mijn plaatsing op het instituut nodig was, heb ik veel later pas door inzicht enigszins verwerkt.

c. Hoe ervoer je het onderlinge contact met medeleerlingen?

In het algemeen positief. We gingen vriendschappelijk met elkaar om. Toch was het toen gebruik elkaar steeds met de achternaam aan te spreken. Met één van hen ben ik een tijdje goed bevriend geweest. Tijdens vakanties gingen we vaak bij elkaar logeren, nu eens bij mijn ouders, dan weer bij de zijne. Dat was in Heinkenszand.

d. Hoe was het contact met het internaats- en onderwijspersoneel?

Ik had goed contact met zowel het internaats- als het onderwijspersoneel. In de loop van mijn leven heb ik bovendien een grote bewondering voor hun nooit aflatende inzet gekregen. Van ongewenst seksueel gedrag heb ik nooit iets gemerkt.

e. Kreeg je bezoek van ouders/familie?

Ja. Ik denk twee tot drie keer per jaar. De frequentie is ongetwijfeld negatief beïnvloed door de reismogelijkheden en de kosten ervan.

f. Had je voldoende recreatiemogelijkheden?

Niet altijd. Soms was het verblijf op het instituut erg eentonig, vooral aan het eind van het tweede trimester. Dan liepen we eindeloos al kletsend de lange gang op en neer. Om negen uur 's avonds kwam soms een tweede frater-surveillant erbij, die dan uit de kapel kwam waar hij met de andere fraters had gebeden. Ook 's morgens na de mis hadden ze zo'n gebed: het kruisgebed, waarbij ze de armen geheven moesten houden. Het systeem van hulpsurveillanten gaf wat afwisseling.

g. Wat waren je liefhebberijen?

Ik vermaakte me vooral met piano spelen en lezen.

h. Hoe ervoer je je vakanties?

De overgang van de ene naar de andere leefomgeving was steeds weer moeilijk. Als ik thuis kwam vond ik alles zo klein en bij terugkeer op het instituut vond ik alles zo groot. Verder waren de vakanties toch wel eentonig; daar kon niemand iets aan veranderen. Het grote probleem was dat ik als blinde er moeilijk alleen op uit kon trekken om contacten te leggen. Vooral het leggen van contact met de andere sexe was vrijwel onmogelijk. Het besef van eenzaamheid en het gevoel in een isolement te leven heb ik in mijn jeugd leren kennen. In mijn huidige levensfase word ik er opnieuw sterk mee geconfronteerd.

i. Heb je tijdens je instituutsjaren contact gehad met jongens en/of meisjes van andere blindeninstituten?

Nee.

j. Heb je het idee dat je door je internaatsleven een bijzondere plaats in het ouderlijk gezin had, ook na het verlaten van het internaat?

Ja, ik werd nogal eens voorgetrokken, vooral door mijn ooms en tantes als we bij hen op bezoek waren. Verder heb ik mijn hele leven er veel voordeel van gehad dat ik deuntjes kon spelen en begeleiden op piano en accordeon. Tijdens de schoolvakanties mocht ik een accordeon mee naar huis nemen.

k. Wat vond je van de heersende discipline?

Echt streng waren de fraters niet. Ik heb geen last gehad van overdreven straffen of onzinnige regels.
We mochten vanaf onze veertiende verjaardag gereguleerd roken. Van thuis kregen we een sigarettenpijpje, een sigarettenkoker, een aansteker en sigaretten. Dat gereguleerde hield in dat er voor veertien- en vijftienjarigen was bepaald op welke dagen en tijdens welke uren zij mochten roken. Op feestdagen werden er extra uren gegeven. Voor oudere jongens golden wat de tijd betreft geen beperkingen.
Het drinken van alcoholische dranken was niet aan de orde; die waren er gewoon niet.
In dit verband wil ik ook nog wel de erelijst noemen. Als je van de voordeur via de klapdeuren de afdeling van de kleine blinden binnenkwam, keek je direkt naar een muur met daarop achter glas een lijst met namen met daarboven het woord Erelijst. Dat was het resultaat van een jaar erelijsten invullen. Daarbij bleven de minnen buiten beschouwing. 's Zondags werd er een paar keer uit een boek voorgelezen. Om half elf moesten we voor de eerste voorlezing bijeenkomen. Voordat het boek ter hand werd genomen, werden de erelijsten voorgelezen. Van iedere jongen werd bijgehouden hoe hij zich gedroeg. Per week werd in hoog tempo het resultaat gepresenteerd. Dat klonk dan bijvoorbeeld zo: "Tiny Bakx: zeergoed zeergoed zeergoed min." Iedereen kwam aan de beurt. Het was een lijst met een viertal categorieën van gedrag waarop je een beoordeling toegekend kreeg. Als ik me goed herinner waren er de volgende beoordelingsmogelijkheden:

Op jaarbasis werd de rangorde bepaald. De vier of vijf jongens met de beste lijsten kregen een geschenkje.
De aanduiding "goed" voor iets negatiefs vond ik zo vreemd dat ik dacht dat dat woord als "goet" (met een t) werd geschreven.

Ongemengde internaatsbevolking

a. Heb je het als nadeel ervaren dat de internaatsbevolking ongemengd was?

Nee, want uit een gemengde bevolking komen ook vaak blinde/slechtziende stellen voort en dat lijkt me niet optimaal.

b. Had je tijdens je internaatstijd contact met leeftijdsgenoten van het andere geslacht?

Nee.

Overige onderwerpen

a. Woonden er ook volwassen blinden en slechtzienden in of nabij het instituut?

Ja. In de groep van grote blinden zaten ook volwassenen. Sommigen bleven op het instituut of nabij het instituut wonen om in de werkplaatsen van het instituut te werken (borstel- en mandenmakerij en weverij) of op de drukkerij en de bibliotheek. Ik had er doorgaans geen contact mee.

b. Waren er een instituutsdrukkerij en -bibliotheek?

Ja. Deze grensde aan de lange gang die tot ons recreatiegebied behoorde. Toen achter in de drukkerij een liftkoker was aangebracht waarmee je naar de hoger gelegen braillebibliotheek kon, werd het een sport om daarvan gebruik te maken. We moesten dat stiekem doen, omdat je voor alles en nog wat verlof moest vragen. Daardoor was het enkel met de lift op- en neergaan al spannend, maar een bezoek aan de bibliotheek zelf spande de kroon. Daar bevond zich de grote encyclopedie, een uit ongeveer 450 banden bestaand naslagwerk. Het ging uiteraard vooral om het opzoeken van woorden waaromheen voor ons, jongens, een waas van geheimzinnigheid hing. De één fluisterde dan tegen de ander: "Ik heb weer een woord dat we moeten opzoeken." En dan gingen we, als we ons onbespied waanden, naar de bibliotheek. Het was soms klimmen geblazen om de benodigde band te pakken te krijgen. En dan maar hopen dat de Katholieke encyclopedie ons wijzer wilde maken omtrent menstruatie, schaamlippen, bloedschande of iets anders in de sfeer van de voortplanting. Voor dat klimmen konden we trouwens van een laddertje gebruikmaken.
De school- en kerkboeken werden op de instituutsdrukkerij vervaardigd. Het zetwerk bestond uit loden blokjes met brailleletters of spaties.

c. Was er een instituutsbakkerij?

Ja.

d. Waren er vaste dienstverleners voor het internaat?

Er moet een kapper geweest zijn, maar daar kan ik me niets van herinneren. Er was in ieder geval een dove kleermaker; die kwam uit Tiel. Als mijn ouders op bezoek kwamen, gingen ze ook bij hem en zijn vrouw langs.

e. Had je een rolmodel?

Nee.

f. Is er op het blindeninstituut iets verteld over het bestaan van een blindenbond?

Ja, ook al omdat het tijdschrift van de R.K. Blindenbond "Sint Odilia" ("Blindenleven") op Sint Henricus werd gedrukt. Daarnaast werd ook "De Leidsman", een religieus brailleblad, er geproduceerd.

g. Wat heb je gemerkt van de Duitse bezetting?

Tijdens pianostudie hoorde ik vaak de Duitsers langsmarcheren. Soms moesten we het bed uit omdat er vliegtuigen overkwamen. In 1944 hebben mijn ouders mij naar huis gehaald omdat Nijmegen in brand stond. Maar ook in Tiel was het niet veilig. Er waren Duitsers gelegerd. Die werden vanaf de overzijde van de Waal beschoten. Daarom zijn we, toen nog met ons vieren, in de kelderkast gaan slapen. Toen onze buurt spergebied werd, zijn we ergens anders in de stad in een kelder gaan bivakkeren. Mijn vader kende veel mensen doordat hij in verzekeringen deed. Op een zeker moment zijn we met paard-en-wagen naar Maurik gegaan, wat geen ongevaarlijke onderneming was. Ook daar bleek het niet veilig te zijn. Er brak een dijk door, veroorzaakt door de inslag van een V1. We moesten naar de zolderverdieping vluchten. Daar kwamen zelfgemaakte bootjes langsvaren. Toen het water was gezakt, zijn we verdergetrokken, naar Eck en Wiel. Toen we ook daar wegmoesten, zijn we in een sneeuwjacht per pont naar Amerongen overgestoken om vandaar naar Driebergen te lopen. Daar hebben we een paar dagen over gedaan; 's nachts sliepen we in het hooi. Per afgesloten veewagon zijn we vervolgens in Leeuwarden terechtgekomen. Daar werden we eerst op hoofdluis gecontroleerd. Mijn moeder vond dat zeer beschamend. We werden daar op twee verschillende adressen ondergebracht, mijn vader met mijn zusje en mijn moeder met mij. Na een tijdje herinnerde ik mij dat een instituutsgenoot in Leeuwarden woonde. We zijn bij hem en zijn ouders op bezoek gegaan. Zij nodigden ons uit bij hen te komen wonen. Die uitnodiging hebben we graag aanvaard.
Ik heb de bevrijding van Leeuwarden meegemaakt. Toen de Yankies en Tommies met legervoertuigen binnenreden, werden ze door talloze meiden besprongen en door iedereen toegejuichd. Uit vliegtuigen werd Zweeds wittebrood gestrooid. Moffenmeiden werden openbaar kaalgeschoren, onder begeleiding van geweerschoten als afschrikking. Toen we hoorden dat ook Tiel bevrijd was, vertrokken we er meteen met een openbare vrachtwagen heen. Thuis waren alle ruiten stuk en de kleding was uit de kasten gehaald en moedwillig vernield. Ons buurhuis was door een voltreffer geheel verwoest. Op onze binnenplaats stond het onkruid hoog opgeschoten. Als vervanger voor de ruiten werden hardboardplaten gebruikt waarin ronde gaatjes zaten met stukjes glas erin. Langzamerhand kwam alles weer goed. Oranjeverenigingen organiseerden straatfeesten met dansen, zaklopen en koekhappen. Het was dolle vreugde. Vreemd genoeg waren er ook allerlei particuliere verzamelaars van oorlogstuig of stukken daarvan. Van metalen granaathulzen werden bijvoorbeeld asbakken gemaakt.
Het instituut is van juni 1944 tot september 1945 voor de leerlingen gesloten geweest. Er waren eerst Duitse soldaten ingekwartierd. Na de bevrijding waren er Amerikanen en Engelsen gehuisvest. Jules de Corte trad voor hen op met zelfgeschreven Engelstalige liedjes en cabaret.

h. Zijn er nog dingen die je wilt vertellen maar bij een vorige vraag niet kwijt kon?

Voor "de oudjes", de blinden en slechtzienden die op het instituut waren blijven hangen, was er een recreatieruimte die de Kluis werd genoemd. Als je door frater Dominicus werd gebaad, moest je daar doorheen.
Behalve eerdergenoemde George waren er meer zwakbegaafde muzikanten op het instituut. Ene Martin speelde vaak in de grote spreekkamer op de piano. Hij speelde heel statisch, alsof hij een pianola bediende. Op Sint Henricus stond trouwens wel een echte pianola, maar daarop speelde hij niet. Als je Martin tegenkwam, wilde hij graag onder je kin voelen.
Er kwamen ook blindismen voor, zoals aanhoudend op dezelfde plek ritmisch springen, of na elke zin hetzelfde - zij het naar de mode wisselend - woord zeggen, zoals "plof".
Eén van de zwakbegaafden was om twee redenen bijzonder: Hij had een propeller aan een stokje en als er veel wind was en hij op de speelplaats dat stokje zo hield dat de propeller begon te snorren, ging hij zo ongeveer van vrolijkheid uit zijn dak. Het tweede bijzondere was dat zijn vader, die motorkoning werd genoemd, af en toe naar het instituut kwam en daar met zijn motor op de speelplaats rondjes reed met in het zijspan steeds weer een andere jongen.
Eén van de volwassen blinden, een blijvende instituutsbewoner die op de drukkerij werkte, was Jan Meeuwsen, zeer lang van gestalte en met welluidende stem, die bij feestelijke gelegenheden min of meer plechtige eenstemmige liederen schreef, zowel tekst als muziek. Die werden dan op de instituutsdrukkerij gedrukt en rondgedeeld. Geen De-Cortekwaliteit weliswaar, maar toch behoorlijk knap gedaan.
De "speelplaats" voor de grote blinden, het Stenen Kistje genoemd, werd als het vroor nogal eens onder water gezet (kranten op de putten), zodat er kon worden geschaatst. Ik heb daar schaatsen geleerd. We gingen ook wel buiten het instituut het ijs op, op de stadsgracht. Het ging er dan soms riskant aan toe. Dan werd er een slinger gemaakt met een slechtziende als voorman. Het gebeurde dan nogal eens dat de laatste uit de bocht vloog als de voorman een scherpe draai maakte. Dat is mij natuurlijk ook overkomen. In mijn Haagse tijd, veel later, had ik een feilloze schaatsvriendin met wie ik, met gekruiste armen, zo hard kon rijden als ik wilde. Soms voelde ik wel een das langsflitsen.
Eén van de zwakbegaafde jongens - eentje met een veel te klein hoofd - zong graag: "Es geht alles vorüber, es geht alles vorbei; was war in Dezember, ist nicht mehr in Mai." Vaak moest ik op dringend verzoek van hogerhand met hem meezingen, ik de tweede stem.
De kerkboeken, zoals die met de gradualen, bevatten naast de tekst ook de Gregoriaanse muziek. Het kunnen lezen van die muziek was een kunst apart, omdat de notatie afweek van de gewone bladmuziek in braille. Als je de muziek niet uit je hoofd kende, kon je, als je op het orgel de zangers moest begeleiden, met je linkerhand de naast je liggende muziek lezen en met je rechterhand en je voeten spelen.
Het eerste brailleboek waaruit ik leerde lezen (na de fase met het blok met grote uitneembare braillepunten en de leesplankjes) heette Vrolijk volkje, geschreven door ene Daumen. Ik heb later nog wel eens geprobeerd om het op de kop te tikken, maar tevergeefs. Het begon met éénlettergreepwoorden: "ssst!" "Wat is er?" "moe." "wat is er met moe?" "Moe is ziek". Et cetera. Ook kwamen er leuke oude woorden in voor, zoals: "holah" en "sjakus".
Als de gangen door een frater werden gedweild kon het gebeuren dat je plots een natte dweil in je nek kreeg.
Ook fraters gaven wel eens toneelopvoeringen. Ik herinner me een middeleeuws spel waarin deugden en ondeugden werden verpersoonlijkt. Zo kwam frater Adriaan het toneel op, een ton voor zich uit rollend en almaar de woorden schreeuwend: "Groten stelen en kleinen stelen, maar groten stelen het meest".
De toneelsstukken waren altijd vrouwloos. Een enkele keer was er wel een vrouwen/meisjeskoor.
De kapel had ook een zijkapel. Daar werd het geluid van de hoofdkapel via luidsprekers ten gehore gebracht. Per abuis was eens de radio-uitzending van Ome Keesje erop gezet.
In het instituut hadden de fraters een eigen gemeenschappelijke ruimte. Op de deur stond "Slot" en je mocht er onder geen beding binnen. Of ze daar ook sliepen of elders, weet ik niet.

i. Hoe ervoer je indertijd in het algemeen je situatie?

Hoewel ik het ouderlijk gezin miste, ervoer ik mijn internaatsbestaan minder negatief dan mijn vakanties.

j. Hoe beoordeel je thans in het algemeen je verblijf op het blindeninstituut?

Ik denk dat het een nodige en goede voorziening was. Bij deelname aan regulier onderwijs met ambulante begeleiding, wat nu de aanpak is, zou ik ook in de schoolsituatie (in het bijzonder tijdens de pauzes) geconfronteerd zijn met problemen in de contactuele sfeer. Je kunt je als blinde nu eenmaal niet onafhankelijk bewegen.

***
terug naar de beginpagina van teksten van Loek Meijer
terug naar de beginpagina van de website