Variaties op het thema: "Dichter bij de zang" *1


door Loek Meijer

1. Het ouderlijk huis

Met vijf kinderen op één slaapkamer - wat het geval is als hij met vakantie thuis is -, ligt het voor de hand dat de nachtrust een wijle wordt uitgesteld door allerlei gemanipuleer met beddegoed. Er wordt gelachen, er wordt gehuild. De één na de ander vindt uiteindelijk echter de rustgevende cadans van het school- of straatliedje. "Zeg, ken jij de mosselman"?, "Daar kwam ene boer uit Zwitserland" en "Soldaatje, jij moet sterven".

Het gezang gaat over in geneurie. Eén voor één vallen ze af. Bij de laatste prooi van Klaas Vaak is goed te horen dat er van tijd tot tijd maten rust in het geneurie verschijnen.

Wie er bij blijft zitten om te kunnen vaststellen wanneer de hardnekkigste het opgeeft, zal in negen van de tien keren ervaren dat de overgang van waken naar slapen aan zijn aandacht is ontsnapt. Hij zal ogenuitwrijvend het vredige tafereel verlaten.

2. Ongetalenteerd, maar vol ambities

Het jongenskoor van frater Francesco is voor hem meer dan een middel om de internaatssleur te doorbreken. Het is een warme plek. Hij vindt er als het ware een vader en een moeder. Ook een broertje vindt hij er; met haar dat naar vuur ruikt. Hij koestert zich aan de geheime vertedering. Hij lijdt onder de echoloze verliefdheid.

Hij heeft ambities, maar zijn stem is te laag voor de begeerde sopraanpartij en niet mooi genoeg voor solistisch werk. Toch mag hij af en toe zijn stem op de te hoge tonen forceren en zelfs krijgt hij de kans het slachtoffer van zijn eerzucht te worden, want als het zover is dat hij in een kerk een sopraansolo door de tweestemmige koorzang mag heenweven, staat hij zo te beven dat hij het contact met zijn omgeving verliest.

3. De stille nacht

Door de vrieskou fietst het oudste gedeelte van het gezin - uitgezonderd de moeder - naar de nachtelijke ontbijttafel. De stemmen ketsen tegen de gevels. De rechterhand van zijn vader ligt op zijn linkerschouder; ze zijn hecht als een motorfiets met zijspan.
Zijn vader raakt niet uitgepraat over de jongenssopraan die zo helder en zo zelfverzekerd de kleine kerk had gevuld.
"Ik kon aardig zingen, vroeger", zegt hij, "maar solopartijen waren voor mij niet weggelegd. Dat hinderde me, want het leek me heerlijk een hele kerk aan mijn voeten te hebben liggen".
De hand op zijn schouder laat voelen dat zijn vader omkijkt. Als ze linksaf zijn geslagen, zegt de man spijtig:
"Bij jou zit het er ook al niet in, hè"?

Je moet wel heel gelukkig zijn, als je zo kunt zingen als die jongen; denkt hij.

4. Dubbel bidden

Op de knieën liggen ze voor de stoelen. Tussen de vingers van de twaalf paar handen - het mogen er ook veertien zijn - hangen kettingen met kralen. Noem elke kraal een roos; noem de ketting een krans. Bid bij elke kralige roos of rozige kraal een zeker gebed en het eind van het liedje is een rozenhoedje. Zo saai kan dat zijn.
Maar zingen is dubbel bidden. Laat ze er maar eens wat van zeggen!
De voorbidder reciteert op de lage Bes. (Bert, heb je een Bes voor mij?)*2 Bij de ene nabidder vraagt dat om een D, bij een ander om een F. Aanvankelijk worden de terts en de kwint als ondergeschikte tonen ten gehore gebracht, maar als er na een paar kralen nog geen commentaar van de surveillant is vernomen, wordt de drieklank nadrukkelijk vertolkt. Een tiental kralen verder waagt iemand het erop een hoge A te intoneren en als de laatste roos in de hoed wordt geworpen, geniet men met gekromde tenen van de gedurfde samenklank van de Bes - Bert, doe je weer mee? -, de C, de D, de F en de A.

Als dit gebed niet wordt verhoord, welk dan wel?

5. De wijkplaats

Met de baard in de keel wordt hij tot het zangkoor van de kapel toegelaten. Als mezzosopraan heeft hij de verheven plaats naast het orgel al leren kennen, maar vaker dan een paar keer per jaar werd het jongenskoor toch niet ingeschakeld. Nu is het gewoon, dat hij naast de zijkapel de houten trap beklimt om boven, via een deur, met bedachtzame bewegingen de trillende wierookgeur in te stappen en geknield op het moment te wachten dat de organist het pedaal van de generale crescendo in een opwelling van onstuimigheid tot het uiterste zal indrukken.

Hij houdt van het Gregoriaans; hij houdt van het samenzingen, maar bovenal houdt hij van de bijzondere positie die hij door het lidmaatschap van het kapelkoor in de internaatsbevolking inneemt.
Hierdoor is hij niet dichter bij God - God woont immers in hem -; ook niet dichter bij de zang, Jody,*3 maar dichter bij de vrijheid, weg van de surveillant, die hem overal beloert.

6. Van zingen komt dansen

Er is een jongensinternaat. Een paar honderd meter verderop is een meisjesinternaat.
Hij is nog niet oud genoeg voor geoorloofd contact met meisjes. Hij heeft samen met de meisjes naar een toneelstuk mogen luisteren, maar toen hij onder de pauze spitsorend het vrouwelijk publieksdeel opzocht, was er eensklaps een dwingende hand op zijn arm die hem uit de koers trok.

Maar vandaag is het anders.
Beide internaten hebben aan een zangkoorconcours meegedaan en beide koren zijn flink in de prijzen gevallen. Alle zangers en zangeressen worden in het jongensinternaat onthaald op een drankje en volstrekt onverwacht wordt bekendgemaakt dat hun een gemeenschappelijk diner wordt aangeboden.

Het feest is af, als de band van de hoogste afdeling aantreedt en de zaal met dansmuziek vult.
Wat hij van dansen weet, heeft hij tijdens gymnastiekles geleerd, toen hij dertien, veertien jaar was. Het meisje met de grote armband heeft echt dansles gehad. Zal hij het erop wagen? Er is dansmuziek genoeg, voelt hij in zijn benen. Er is het meisje met de grote armband, voelt hij aan zijn wangen. Hij weet ten slotte hoe je moet beginnen:
"Mevrouw, mag ik deze dans van u"?

De fraters zullen er nog weken schande van spreken. Het geeft immers geen pas, dat een vijftienjarige jongen met een meisje van veertien danst ...

7. Idool

Buiten schooltijd zit hij bij de radio op zijn kamer zijn huiswerk te maken. Hij is feitelijk een kamerbewoner in het ouderlijk huis.
Als hij even van de kamer is geweest, hoort hij een lispelend meisje zingen; een padvindstertje stort in een brief aan de akela haar hart uit. Moedig, denkt hij, maar dat kun je toch niet doen? Als je een spraakgebrek hebt, moet je geen zangeres willen worden.

Een jaar later hoort hij haar weer, Elly Nieman; in een ander liedje, met een goede "s". "Luisster, het regent buiten en een vreemd gezang fluisstert aan mijn venssterruiten; liefsste, weess niet bang".
Ze heeft de troostende invloed van een idool.

Haar verbond met Rickert Zuiderveld levert wazige teksten op dromerige muziek op. Nog rillerig van de slaap nestelt hij er zich tegenaan. Zo houdt hij in de woonkamer de dreumes gezelschap die weer eens veel te vroeg wakker is geworden.

8. Veel romantiek, weinig muze

Het is niet veel, wat hij op de gitaar kan spelen, maar precies genoeg om zichzelf bij eenvoudige liedjes te kunnen begeleiden.
Hij schrijft af en toe een gedicht. Een verklaring dat het aan is, wat hem betreft; of een verzuchting dat het uit is, wat haar betreft.
Liedteksten maken kan hij niet. Vertwijfeld roept hij vanuit zijn doorwoelde bed:
"Jules de Corte,*4 hoe doe je dat toch! - Ernst van Altena, waar haal je de woorden vandaan"?

Hij pikt een paar liedjes van Boudewijn de Groot, Jaap Fischer en Elly Nieman en neemt een voetbad in een jongerensoos in de provincie. Een jongensdroom wordt door een bewonderend meisje in het park tot realiteit gemaakt. Haar winterjas staat borg voor voldoende afstand; haar lippen geven weinig bloot, waarover hij echter veel kan fantaseren.
In zijn hoofd zingt Boudewijn de Groot:
"De dag komt, liefste, de dag".

9. Samenballing

Ik had nog het een en ander over hem te vertellen, maar dat kreeg ik niet in de toegemeten tijd gepropt. Ik doe een poging de zaak samen te vatten in een heel klein stukje muziek. (Mag ik nog even de Bes, Bert?) De hoorbare melodie is ontleend aan het requiem van Dvorak. Door er drie maten rust aan toe te voegen heb ik er mijn paraphrase van gemaakt. Ik hoop, dat u mijn hart niet zult horen bonzen.

Welnu, daar gaat-ie dan: (De eerste maat bestaat uit een Bes van 1 tel, gevolgd door een B van 1,5 tel; dan komt er een A van 1 tel en tot slot een Bes van een halve tel. De tweede maat bestaat uit een Bes van twee tellen en een rust van twee tellen. De derde, de vierde en de vijfde maat worden elk door een rust van 4 tellen in beslag genomen. De tonen worden ge neuried.)*5


Den Haag, 1 december 1989

Voetnoten

  1. Voorgelezen op 2 december 1989 in de kleine zaal van het muziekcentrum Vredenburg te Utrecht (300 bezoekers). Thema van de culturele dag is: "Dichter bij de zang"
  2. Bert van den Brink, pianist, zorgt voor meditatieve intermezzi tussen de voordrachten van poëzie en proza
  3. Jody is de zus van genoemde Bert en organisator van de dag
  4. Jules de Corte is ëën van de optreders
  5. Tijdens de maten rust heerst een spannende stilte. niemand durft als eerste geluid te maken. Uiteindelijk doe ik het zelf maar

***
terug naar de beginpagina van teksten van Loek Meijer
terug naar de beginpagina van de website