Vergissing


door Loek Meijer

Wie van de trein gebruik maakt om naar zijn werk te gaan, heeft van lieverlee een groot aantal signalementen van medereizigers in zijn geheugen opgeslagen. Dat geldt ook voor mij, maar doordat ik niet kan zien, moet ik het vermoedelijk met minder kenmerken doen dan zienden. De stem is het belangrijkste kenmerk, maar wat met die stem tegen mij of anderen wordt gezegd en de geur van parfum of aftershave spelen bij de herkenningsmogelijkheid ook een rol van betekenis. Een ander verschil is dat mijn oor niet zo ver reikt als het oog van een ziende.
Hoe het ook zij, gaandeweg zijn er toch een paar medereizigers in mijn woonwerkverkeer globale bekenden voor me geworden. Omdat ik graag in de trein zit te lezen, doe ik geen moeite om met die bekenden gesprekken te voeren. Wanneer ik toch af en toe aan de praat raak, komt dat door het initiatief van de ander.
Er zijn wel momenten waarop ikzelf een gesprek zou willen aanknopen, maar dan zit ik met de angst dat ik me vergist heb in de stem. Dat heb ik één keer meegemaakt en dat is één keer te veel.

De trein was al binnengekomen, toen ik op het perron arriveerde. Ik liep langzaam tussen de banken door, in de hoop dat iemand mij op een lege plaats opmerkzaam zou maken. Meestal gebeurt dat gelukkig wel. Zo ook deze keer.
"Meneer, naast mij is nog een plaats vrij," hoorde ik een vrouwenstem zeggen. "Dank u," zei ik.
Terwijl ik de plaats innam, mijn hond onder de bank dirigeerde - mijn buurvrouw zei "Wat is ze toch braaf" - en mijn tas op mijn schoot zette, realiseerde ik me dat ik die stem kende. Als ik het goed had, behoorde ze de vrouw toe met wie ik een paar maanden eerder het traject tussen Utrecht en Amersfoort gezellig had zitten praten, over onze honden, de boeken die we onlangs hadden gelezen en nog zo wat. Ze had me al vaker gezien, had ze me laten weten. Ik herinnerde me nog goed hoe hevig ik het betreurde dat ik nooit in staat zou zijn zelf haar gezelschap op te zoeken en afhankelijk was van haar initiatief. Dat initiatief had ze nu dus genomen, besefte ik met voldoening.
Bij de vorige ontmoeting was zij het gesprek begonnen. Ik wilde dat nu maar weer afwachten, omdat ik me niet 100 procent zeker voelde van mijn zaak. Terwijl er om ons heen druk werd gepraat, vis--vis of door een telefoon, was het tussen ons stil en bleef dit zo, kostbare minuten lang. Onderwijl zat ik vreselijk te dubben. Moest ik niet even het drempeltje overstappen en iets aan haar vragen, zodat ik haar stem nog een keer kon horen? Ik had toch uitgekeken naar een nieuwe ontmoeting met haar? Ik kon toch vragen hoe het met haar hond was? Nee, dat moest ik niet doen, want als ik me had vergist, zou dat een vreemde binnenkomer zijn. Ik moest het gewoon over het weer hebben of over de toestand op het spoor, onderwerpen die ik in de regel te onbenullig voor woorden vind. Maar onbenullige opmerkingen kun je zelfs niet maken nadat je een paar minuten zwijgend naast elkaar hebt gezeten. Dat zijn onderwerpen die om een directe aanleiding vragen of die je in één adem met een begroeting aan de orde stelt in de vorm van een verzuchting of een opgewekte opmerking. Ik zou kunnen vragen of we een paar maanden eerder ook naast elkaar hadden gezeten. Maar wie weet had ze al tien keer in dezelfde coupé als ik gezeten zonder dat ik het wist.

Ik kwam er niet uit en besloot me erbij neer te leggen dat ik bij haar wellicht het gevoel zou achterlaten dat ik haar gezelschap niet waardeerde. Hierdoor maakte ik de weg vrij voor de gedachte aan de appel in mijn tas. Ik verorberde hem tot aan het klokhuis. Daarna liet ik mijn hand met klokhuis tussen mijn buurvrouw en mezelf langs de bank naar onderen zakken om mijn hond de gelegenheid te geven het aan te pakken, wat ze altijd heel voorzichtig doet. Mijn buurvrouw verplaatste haar voeten om de hond ruimte te geven en zei: "O, lust hij dat?"
Ze was het echt; ik hoorde het nu duidelijk; het kon niet missen! Ik had ineens geen bedenking meer. Ik zei:
"Ja, dat vindt ze lekker. Hebt u me een paar maanden geleden niet verteld dat uw hond ook van klokhuizen houdt?"
Even was het doodstil. Toen zei ze: "Ik heb geen hond, dus dat kan ik nooit gezegd hebben. Bovendien zie ik u vandaag voor het eerst."
Het zweet brak me uit; mijn hoofd veranderde in een gloeiende bol. Ik zei: "Sorry, ik dacht uw stem te herkennen."
"Nou, het geeft niks, hoor. Dat kan de beste overkomen," probeerde ze me gerust te stellen.
Na een korte pauze, waarin ik tevergeefs een poging deed het ongemakkelijke van de situatie te relativeren, voegde ze hieraan toe: "Ik zou wel een hond willen hebben, maar mijn benen zijn te slecht om een hond fatsoenlijk te kunnen uitlaten."
Oef, dacht ik; ook dat nog. Ik verontschuldigde me daarom nogmaals.
We wisselden verder geen woord totdat ze me in Amersfoort vroeg of ik even wilde opstaan om haar door te laten. In de afremmende trein begaf ze zich naar de uitgang. Ik hoorde dat dat niet zonder problemen verliep.
Mijn overbuurvrouw zei tegen haar buurman: "Zo iemand zou van het gehandicaptenvervoer gebruik moeten maken."
"Ja," viel deze haar bij; "dat zou een stuk eenvoudiger voor haar zijn."
Ik meng me niet gauw in het gesprek van anderen. Deze keer kon ik het echter niet laten. Ik zei:
"Nou, dat is ook niet alles, hoor. Ik doe dat zelf alleen als het echt niet anders kan. Ik vind een trein veel gezelliger dan een taxi. Bovendien is het rijschema van de taxi een stuk onzekerder dan dat van de trein."
Daar bleken ze nog nooit bij stilgestaan te hebben.

(Nijkerk, 17 augustus 2006.)

***
terug naar de beginpagina van teksten van Loek Meijer
terug naar de beginpagina van de website