Jaap van der Hoest: "Door de taal actief te gebruiken, krijg je er als het ware een zintuig bij."

Interview
door Loek Meijer

Bij het 20-jarig bestaan van Pointe hoort een interview met de eindredacteur, Jaap van der Hoest, thans ook de enige redacteur. Voor dit vraaggesprek ben ik op het redactieadres in Maassluis uitgenodigd. Als we tegenover elkaar aan de tafel in de woonkamer hebben plaatsgenomen, verrast Jaap me met de zwevende klanken van de herkenningsmelodie van Pointe, aflevering 16, juni 1987. Dit is het oudste nummer waarvan Jaap een cassette heeft.

Jaap: "In 1984 is het 0-nummer van Pointe verschenen, samengesteld door Alam Darsono, de initiatiefnemer van dit tijdschrift van en voor blinde en slechtziende schrijvers en dichters. Mijn eerste bijdragen aan Pointe (vijf gedichten) stonden in aflevering 4. Sinds de achtste aflevering (februari 1986) ben ik redactielid. Kort na mijn aantreden heeft Alam mij de eindredactie toebedeeld. Ik zie nog de plasticzak van Boekhandel Paagman voor me waarmee Ninon Vis, Alams secretaresse op het ministerie, het redactiearchief aan mij kwam overdragen. Dat viel samen met de oprichting van de Stichting Pointefonds. Alam onderhield de contacten met schrijvers en met zijn bestuur van het Pointefonds legde hij er zich op toe bekendheid aan dit fonds te geven en activiteiten te organiseren. Vanaf het moment dat Alam zich wegens ziekte uit de redactie moest terugtrekken, ben ik enig redacteur."

Waarom werd een apart literair tijdschrift voor blinden en slechtzienden eigenlijk nodig gevonden?
Jaap: "Alam wilde in de eerste plaats een laagdrempelige publicatiemogelijkheid realiseren in het besef dat het gewoon prettig is een tekst waarop je hebt zitten zweten door anderen te laten lezen. Het tijdschrift moest dan ook in een voor blinden en slechtzienden passende leesvorm verschijnen. Omdat uit overleg met het CGL was gebleken dat een uitgave in meerdere leesvormen financieel niet haalbaar was, is gekozen voor de gesproken versie.
In de tweede plaats wilde Alam het schrijven onder blinden en slechtzienden bevorderen. De beste manier leek hem het aanbod van een eigen blad. Mensen die hun bijdrage niet getypt konden inleveren, konden dit in braille of op cassette doen.
In de derde plaats ging hij ervan uit dat een eigen blad het gemakkelijker zou maken dat blinden en slechtzienden over hun specifieke onderwerpen zouden schrijven en dat ze bij het schrijven vanuit hun eigen waarnemingswereld zouden putten in plaats van beelden te gebruiken die van de zienden zijn afgekeken. Wat het laatste betreft was er nog een wereld te winnen. Deels had dit te maken met de omstandigheid dat veel jeugdblinden en -slechtzienden op het internaat de boodschap hadden gekregen dat ze zich zoveel mogelijk aan de ziendenwereld moesten aanpassen. Voor een ander deel betekende het afstand nemen tot het instrumentarium van de zienden dat een eigen vocabulaire moest worden ontwikkeld om zintuiglijke waarnemingen onder woorden te brengen, omdat er niet kon worden teruggevallen op conventies. Pointe zou dus een laboratorium kunnen worden."

Als je terugkijkt op 20 jaar Pointe, kun je dan zeggen dat het tijdschrift is geworden wat Alam voor ogen heeft gehad?
Jaap: "De laagdrempeligheid en de toegankelijkheid hebben zeker bij enige blinden en slechtzienden het schrijven bevorderd. Sommige van hen komen we geregeld in Pointe tegen. Niet zelden speelt de eigen visuele handicap een rol in een gedicht of verhaal en hier en daar worden pogingen gedaan in beschrijvingen de specifieke ervaringswereld van een blinde of slechtziende te laten doorklinken. Het laatste zou nog wat pregnanter mogen gebeuren, maar over het algemeen mogen we toch niet ontevreden zijn."

Het redactiewerk doe je al 20 jaar, de laatste paar jaar zelfs in je eentje. Wat maakt dat je het zo lang kunt volhouden?
Jaap: "Ik merk zelf hoe belangrijk het is taal te kunnen gebruiken. Door de taal actief te gebruiken krijg je er als het ware een zintuig bij. Al schrijvend ga je dingen zien die je daarvoor niet zag. Schrijven verrijkt je leven dus. De ervaring die ik daar zelf mee heb motiveert me om eraan mee te werken dat ook anderen die ervaring opdoen. Daarnaast is het prettig om zesmaal per jaar de noodzaak te voelen zelf een stukje te schrijven. Zonder deadlines heeft een mens toch de neiging dingen voor zich uit te schuiven."

Wordt er voldoende kopij ingezonden om selectief te kunnen zijn?
Jaap: "Als redactie hebben we geen criteria vastgelegd aan de hand waarvan we kopij toetsen op kwaliteit. Dit neemt niet weg dat je als redacteur toch uitgaat van een zekere kwaliteitsnorm. De lat ligt evenwel niet hoog. Dit heeft alles te maken met de laagdrempeligheid die we voorstaan en het besef dat het schrijven op zich al waardevol is voor degene die zich van de taal bedient. Er is echter geen sprake van dat we alles klakkeloos plaatsen. Het blad moet ook leesbaar zijn. Het is overigens maar een enkele keer voorgekomen dat we kopij weigerden of dat we iemand ontmoedigden steeds maar meer van hetzelfde aan te leveren. Behalve dat de bijdragen niet duidelijk onder de maat zijn, moet een aflevering van het blad ook gevarieerd van inhoud zijn. Gelukkig is het aanbod van kopij tot nog toe zodanig, dat we aan deze laatste eis redelijk kunnen voldoen."

Krijgt de redactie lezersreacties?
Jaap: "Het loopt niet storm, maar er zijn toch geregeld lezers - vooral nieuwe lezers - die de moeite nemen de redactie te laten weten wat ze van een aflevering vonden. Er is zelfs één lezer die trouw elke aflevering van voor mij nuttig commentaar voorziet."

Hoe zit het met het aantal abonnees?
Jaap: "Dat schommelt rond de 45 en is tamelijk stabiel. Gelet op het aantal losse nummers dat wordt besteld en aannemende dat er ook meelezers zijn, ga ik ervan uit dat we een publiek van circa 55 lezers bedienen."

Elke aflevering kunnen we van jouw hand een dikwijls filosofisch getint redactioneel stukje lezen. We hebben je ook leren kennen als dichter en schrijver van autobiografisch getint werk. Jij bent één van de voorbeelden van auteurs die zichzelf door middel van taal zicht geven op hun ervaringen met de visuele handicap. Zou je iets over je visuele handicap willen vertellen?
Jaap: Mijn oogaandoening heet achromatopsie. Het gevolg is dat ik bijna geen kleuren van elkaar kan onderscheiden; ik zie wel verschil tussen donkere en lichte kleuren. Een ander effect is dat ik het best kan zien in een donkere omgeving. Mijn gezichtsscherpte is circa 10 procent. Als kind droeg ik al een bril, maar mijn oogaandoening is pas vastgesteld toen ik in de derde klas van het gymnasium zat. De aanleiding was de verhuizing van de school naar een lichter gebouw. Daar kwam nog bij dat tengevolge van de invoering van de Mammoetwet de klassen te groot werden voor individuele aandacht. Naarmate het seizoen lichter werd, ging ik slechter presteren. Via de schoolarts kwam ik bij een oogarts terecht. Deze onderzocht me grondiger dan degene die mij jaren eerder een bril had voorgeschreven en constateerde achromatopsie. Hij adviseerde mijn ouders contact te leggen met de blindenbond. Een en ander leidde ertoe dat ik op Bartiméus terecht kwam. Daar heb ik eerst intern het mulo-diploma behaald. Vervolgens bezocht ik met ondersteuning vanuit Bartiméus het Zeister Lyceum om de havo te doen. Omdat ik een universitaire studie wilde volgen, moest ik nog een stapje hoger in het voortgezet onderwijs. Ik ging terug naar Rotterdam om het atheneumdiploma te behalen."

Wat was er veranderd waardoor je weer op een gewone school mee kon doen?
Jaap: "Ik had mijn eigen mogelijkheden beter leren kennen en de school hield echt rekening met wat ik wel en niet kon. Van het bestaan van het gesproken boek had ik nog geen weet.”

Welke studie is het daarna geworden?
Jaap: "Ik wilde graag geschiedenis studeren, maar dat werd mij afgeraden. Een juridische opleiding bood de meeste kans op werk, kreeg ik te horen. Dan maar rechten. Misschien was de advocatuur wel iets voor me."

Heb je de studie in de voorgeschreven tijd kunnen afronden?
Jaap: "Ik heb ervoor gekozen twee afstudeerrichtingen te doen, staats- en administratief recht en strafrecht. Ik wilde me zo goed mogelijk kwalificeren. Daarbij kwam dat mijn belangstellingssfeer breed was. Ik wilde allerlei maatschappelijke ontwikkelingen via de invalshoek van het recht en aanliggende maatschappijwetenschappen kunnen begrijpen. Dat sloot ook aan bij mijn politieke interesse. Ik heb hier 4,5 jaar voor nodig gehad. Dat viel dus erg mee. Doordat ik een omslachtige leerweg heb moeten volgen, was ik niettemin al 26 toen ik afstudeerde."

Dan had je zeker geen tijd voor andere dingen, of vergis ik me daarin?
Jaap: "Van het studentenleven had ik al geproefd in de tijd dat ik op het atheneum zat. Een vriend van me was in Utrecht gaan studeren. Door dit contact had ik al voldoende van het studentenleven opgesnoven om tijdens mijn studie met serieuzere dingen bezig te kunnen zijn. Mijn maatschappelijke en politieke belangstelling was aangewakkerd door discussies op het Zeister Lyceum, waarop kinderen van diplomaten zaten. Er liepen jongens in blazer rond, De Telegraaf - o, gruwel – onder de arm. Dit heeft er mede toe bijgedragen dat ik in 1974 - ik was toen 20 jaar - lid van een politieke partij wilde worden. Het werd de PPR, een aardig compromis voor een jongen uit een gereformeerd nest die er linkse ideeën op nahield. Ik woonde bij mijn ouders in Rotterdam Charlois dat een deelgemeente was geworden. Ik werkte mee aan het Rotterdamse blad van de PPR en ondersteunde als potentiële opvolger de eenmansfractie in de deelraad. Ons raadslid was trouwens ook iemand met een visuele handicap."

Ben je via hem lid van een blindenbond geworden?
Jaap: "Nee, dat was al eerder gebeurd. Via zijn werk had mijn vader contact gekregen met een blinde. Mijn vader heeft me toen op het spoor naar de Nederlandse Blindenbond gezet."

Ben je daarin ook actief geworden?
Jaap: "Dat heeft nog even op zich laten wachten. In de tachtigerjaren ben ik betrokken geraakt bij een groep mensen die vanuit de NVBS de ondergeschoven positie van slechtzienden wilde opheffen. We hebben toen de slechtziendendagen georganiseerd. Door deze activiteit hebben we inderdaad bereikt dat er meer aandacht aan de specifieke problematiek van slechtzienden werd besteed. Op het ogenblik ben ik actief in de groep Achromatoptie Nederland."

Heb je na je doctoraal examen een baan in de advocatuur gezocht?
Jaap: "Als ik bij mijn idee was gebleven advocaat te worden, dan zou het in de sociale advocatuur hebben moeten zijn. Omdat ik beter zicht had gekregen op mijn beperkingen en van de armlastige sector weinig financiële middelen voor faciliteiten mocht verwachten, heb ik dat idee maar laten varen. Ik heb mijn sollicitatieactiviteiten daarom op andere banen - vooral bij de overheid - gericht. Na anderhalf jaar was het eindelijk raak. Ik werd benoemd als ambtelijk secretaris van de Belangenraad Buitenlandse Werknemers, een adviesorgaan voor de Delftse gemeenteraad. Die functie heb ik 3,5 jaar vervuld. Ik werkte samen met een leuk, wat links georiënteerd clubje mensen die werkzaam waren op het gebied van het minderhedenbeleid. Ik heb een reorganisatie binnen het gemeentelijk apparaat kunnen aangrijpen om een overstap te maken naar bouw- en woningtoezicht. Daar was ik juridisch adviseur. Dat was net in de tijd dat binnen het bestuursrecht de motivering van besluiten inzake vergunningen meer aandacht kreeg. Van lieverlede is mijn taak verbreed. Thans ben ik coördinator van de juridische adviespraktijk van de gemeente Delft. Ik coördineer het werk van de andere juridisch adviseurs en adviseer zelf ook, bijvoorbeeld direct aan het gemeentebestuur."

Juridisch werk betekent onder meer dat je gedetailleerd met taal bezig bent. Onder de bekende Nederlandse dichters bevinden zich niet voor niets juristen. Ik denk aan Bloem en Marsman. Wie zijn jouw voorbeelden?
Jaap: "Wat poëzie betreft zijn het toch niet de juristen onder de poëten. Ik hou van de poëzie van Herman Gorter, Hans Lodeizen, Lucebert en Willem Wilmink. Op het gebied van proza zijn Maarten 't Hart (om zijn vertelkunst) en Gerard Reve (om zijn stijl) voorbeelden voor me. Lievelingsschrijvers zijn verder Jean-Paul Sartre, Albert Camus, Willem Frederik Hermans, Jan Wolkers, Multatuli, Hella S. Haasse en Pramoedya Ananta Toer. Uit de Angelsaksische literatuur wil ik George Orwell en Aldous Huxley noemen. Ik ben trouwens pas halverwege de tachtigerjaren veel gaan lezen, toen ik eindelijk mijn weerstand tegen het gesproken boek had overwonnen."

Je bent de eerste van wie ik hoor dat hij Pramoedya Ananta Toer heeft gelezen. Hoe ben je op zijn spoor gekomen?
Jaap: "Ik heb zelf geen wortels in Indonesië. Mijn belangstelling voor deze voormalige Nederlandse kolonie is gewekt door mijn huwelijk met een Indonesische. Ik vond het belangrijk naast de Nederlandse literatuur over Indonesië ook boeken te lezen van een hedendaagse Indonesische auteur. Hij heeft over de Nederlandse onderdrukking in de koloniale tijd en tegen het beleid van de Indonesische regering geschreven. Dat heeft hij moeten bekopen met maatregelen tegen hem, zoals langdurige gevangenschap en publicatieverboden. Ondanks het slechte politieke klimaat, ga ik graag naar Indonesië op vakantie. Het is een mooi land."

Denk je dat je leven er anders uitgezien zou hebben als je goed had kunnen zien?
Jaap: "Dat vind ik een moeilijke vraag. Misschien had ik dan wél geschiedenis gestudeerd. Ik was in ieder geval minder gehinderd geweest bij het lezen en schrijven. Beide activiteiten kan ik nu slechts in een donkere omgeving verrichten. Dat vind ik wel jammer."

Wanneer ben je eigenlijk met schrijven begonnen?
Jaap: "Het is in de PPR-tijd begonnen met beschouwende stukjes. Kort daarna ben ik gedichten gaan schrijven. Daarvan werden er enige in het universiteitsblad gepubliceerd. Later is de verschijning van Pointe zeker ook voor mij een stimulans geweest."

Na het overlijden van Alam Darsono ben jij voorzitter geworden van het bestuur van de Stichting Dr. Alam Darsono, voorheen Pointefonds. De stichting heeft als hoofddoelstelling de bevordering van literaire activiteit onder blinden en slechtzienden. De verzorging van een tijdschrift is één van de middelen om die doelstelling te bereiken. Zou je me tot slot van dit gesprek willen vertellen of er nog andere activiteiten zijn ondernomen of in het verschiet liggen?
Jaap: "In 1986 hebben we een papieren krant gemaakt met een selectie uit de bijdragen aan de eerste afleveringen van Pointe. Deze krant is ruim verspreid om de aandacht te vestigen op Pointe en het Pointefonds. In 1987 hebben we in samenwerking met Martin Mooij van Poetry International, ontstaan vanuit de Rotterdamse Kunststichting, een bijeenkomst op een leuke locatie in Rotterdam georganiseerd die uitdrukkelijk ook voor zienden bedoeld was. Enige van de schrijvers en dichters die in Pointe hadden gepubliceerd, presenteerden daar hun werk. Er waren inderdaad ziende bezoekers, maar die behoorden tot de sociale netwerken van de aanwezige blinden en slechtzienden. Het totaal aantal aanwezigen lag in de buurt van 25 mensen. In februari 1996 hebben we Door de oren zien uitgegeven, een bloemlezing van eerder in Pointe verschenen gedichten. Een paar jaar later hebben we een verhalenwedstrijd uitgeschreven. Daarna is het een tijd stil geweest. Vorig jaar hebben we met een prijsvraag de inzending van gedichten uitgelokt en hebben we een ontmoetingsbijeenkomst belegd. Het aantal inzendingen was groter dan we hadden verwacht. De opkomst bij de bijeenkomst viel ons echter tegen. Omdat we denken dat dit het gevolg was van een te laat gestarte publiciteit, hebben we besloten het dit najaar opnieuw te proberen. Voorts hebben we onlangs een dialogenprijsvraag uitgeschreven. Om meer bekendheid te geven aan onze stichting hebben we een website opgezet waarop onder meer werk van blinde en slechtziende schrijvers en dichters wordt geplaatst.
Verder wil ik noemen dat we bezig zijn met de voorbereiding van de publicatie van de roman die Alam heeft nagelaten. Tot slot wijs ik erop dat we contact hebben met een Vlaamse groep blinde en slechtziende schrijvers en dichters die nadenken over een eigen blad. We onderzoeken de mogelijkheid van Pointe een Nederlands/Vlaams tijdschrift te maken. Wellicht zou dat een mooie aanleiding zijn om de redactie uit te breiden. Overigens vinden we in Pointe al bijdragen uit Vlaanderen."

Nijkerk, 9 juni 2006.
(Gepubliceerd in Pointe, aflevering december 2006.)


***
terug naar de beginpagina van teksten van Loek Meijer
terug naar de beginpagina van de website