Heel even in Amsterdam


door Loek Meijer

Astrid en ik moesten even in Amsterdam zijn. Ons uitgestelde tweede kopje koffie gingen we in een zaakje op de Nieuwezijds Voorburgwal drinken. De zon was net doorgebroken, de serveerster was bezig met het gebruiksklaar maken van het terrasmeubilair. We namen tegenover elkaar plaats aan de picknicktafel. Terwijl onze bestelling werd behandeld, nam achter mijn rug de volgende gast plaats. Hij leek een goede bekende van de serveerster te zijn; ik hoorde haar bewonderend zeggen dat ze vond dat hij er mooi uitzag. Terwijl wij het biologisch dynamische gebak eer bewezen, hoorde ik achter mij een vrouw aanschuiven. Zo te horen was zij een stuk jonger dan hij. Zwijgend gebak etend en koffie drinkend ving ik zoveel flarden van het achter mijn rug gevoerde gesprek op, dat ik eruit kon opmaken dat de man zich als therapeut verdienstelijk maakte en dat de vrouw bij hem in behandeling was geweest of dat nog was en dat zij ook andere cliënten van hem kende. De aard van de behandelde problematiek bleef voor mij helaas verborgen, evenals de behandelwijze. Misschien was ik erachter gekomen als we nog een kop koffie hadden besteld, maar het tijdverlies dat daarvan het gevolg zou zijn geweest, had ik er niet voor over. Thuis wachtten twee honden op ons.

We verwijderden ons richting Rozengracht. Ik vroeg Astrid of zij had begrepen wat voor problemen de man achter mij probeerde op te lossen. 'Misschien zijn eigen,' zei ze met een lachje. 'Wat bedoel je?' 'Hij zag eruit als een vrouw. Ik heb mijn ogen uitgekeken.'
Ik ben echt niet altijd vlug van begrip, maar deze keer combineerde ik meteen Astrids opmerking met de bewonderende uitroep van de serveerster. Die uitroep had trouwens ook maar de enige aanwijzing voor mij kunnen zijn, want de man - pardon, de vrouw - had ik geen moeite horen doen om met zijn/haar stem of spraak een vrouwelijke - dus verwijfde - indruk te maken. De man had een mooie bariton gehad. Voor de vrouw voldeed de bariton in mijn oren niet zo goed. Wat we niet zeker wisten was of we met een transseksueel of met een travestiet te doen hadden. In geen van beide gevallen zou een 'Prettige dag, meneer' passend geweest zijn. Om zo'n misser te vermijden, spreek ik als blinde veiligheidshalve al jaren niet meer met twee woorden.
Om nog even terug te komen op de problemen waarop Astrid doelde: Haar verwijzing ernaar was ongetwijfeld slechts een opstapje voor haar informatie over het uiterlijk van de persoon in kwestie, want het kon ook haar niet zijn ontgaan dat deze voldoende zelfbewust overkwam om in staat geacht te kunnen worden mensen met psychische problemen te helpen. Zijn eigen problemen waren waarschijnlijk verleden tijd.

Nadat we onze boodschap in Amsterdam hadden gedaan en op de trein naar Amersfoort stonden te wachten, memoreerden we nog een keer ons gezelschap op het terras. Ik probeerde me een voorstelling te maken van de vrouw met de bariton, maar ik kon me nog niet eens een idee vormen over haar kleding, laat staan over andere uiterlijke kenmerken. Kon dit alleen in Amsterdam, vroeg ik me hardop af, of kon dat ook bij ons? 'Ja, in Nijkerk kan dat ook,' vond Astrid. In het voetspoor tredend van de echte Nijkerker, zei ik weifelend: 'Of nie?'

- - -

Deze tekst is een aangepaste versie van notitie 5 uit 'Kleinigheden'. Ze is in december 2017 gepubliceerd in het boekje In Nijkerk kan dat, zowel op papier als in e-bookvorm uitgegeven ter gelegenheid van het jubileum van de Nijkerkse bibliotheek.

***
terug naar de beginpagina van teksten van Loek Meijer
terug naar de beginpagina van de website