Gods akker, maar niet zijn water


door Loek Meijer

1.

Het loopt al tegen elven als we die dag onze provianderingstocht beginnen. Balancerend op de ongelijke treden beklimmen we de trap naar de weg. Als Myra ons boven ziet langskomen, roept ze ons aan. Daarom gaan we voorbij het huis via de andere trap weer omlaag en komen op die manier bij de voordeur van de verhuurster terecht. Ze maakt me blij met de mededeling dat de tassen met brailleboeken zijn gebracht. Bovendien blijken de BD-produkten er al te zijn. Er is een Engels sprekende man bij haar. Het wordt mij niet duidelijk of hij de leverancier van deze artikelen is. Hij toont zich in ieder geval wel een kind van zijn tijd: Hij weet me spontaan te vertellen hoe onnodig brailleboeken in het tijdperk van de computer zijn. Mijn gebrek aan vaardigheid in het Engels spreken weerhoudt me ervan hem erop te wijzen dat lezen ook een zinnelijk aspect kan hebben. Hij en Myra helpen Stella met het versjouwen van de zeven boekentassen en de kartonnen doos met boodschappen naar het achterhuis, dat twee weken ons vakantieverblijf is. Ik ben een werkeloze toehoorder en bedenk dat de Engelsman nu een reden te meer heeft om te vinden dat het brailleboek achterhaald is. Als we opnieuw een start hebben gemaakt, houdt de buurvrouw ons andermaal op. Ze gaat kaas halen; of we ook een stuk willen hebben. Nou, dat aanbod nemen we graag aan, kaaseters als we zijn. Zo, we zijn de eerste bocht door; we kunnen nu niet meer door Myra worden tegengehouden. Maar wat is dat? Regen? Warempel, ja. Ik stel voor dat we Stella's regenjas zullen gaan halen. Meer regenkleding is niet voorhanden; ik heb, stommeling dat ik ben, mijn regenjack voor de vakantie op kantoor laten hangen. "Nee," zegt ze, "ik wil solidair met je zijn. Bovendien geloof ik niet dat het de hele dag zal blijven regenen."

Na tien minuten lopen zijn we onderaan de heuvel. Hier moeten we kiezen: linksaf voor Mont Brun Bocage of rechtsaf voor Mérigon. De afgelopen dagen hebben we steeds voor het eerste dorp gekozen om door de herhaling vertrouwdheid met onze nieuwe omgeving op te bouwen. We zijn nu wel aan uitbreiding van ons territorium toe, vinden we. Daarom kiezen we deze keer voor rechts. Van Myra hebben we gehoord dat Mérigon ook een alimentation rijk is en dat het in afstand niet veel uitmaakt. Ach, we hebben de tijd aan onszelf en de regen heeft niet doorgezet. Er schemert zelfs al warmte door de wolken heen.

De weg daalt en de weg klimt, maar het dalen overheerst. Van tijd tot tijd nemen we met de weg een bocht. Hier en daar voert er een pad van de weg af, zowel links als rechts in opgaande richting. We passeren een wei met wat koeien, een kleine onderbreking op de beboste helling. Na een minuut of vijftien horen we rechts van de weg het geluid van stromend water. Stella meldt dat de stijgende helling hier wordt voorafgegaan door een kleine neerwaartse glooiïng. Beneden is inderdaad water te zien, maar zelfs beekje zou er een te weidse benaming voor zijn. Yellow durven we er niet naar toe te laten gaan. De afdaling zou wel gaan, vermoedt Stella, maar terug, dat redt hij niet. Vijftig meter verderop leren we van een bord dat zich daar aan de rechterkant van de weg, een eindje heuvelopwaarts, een hotel of pension bevindt. Er zijn althans kamers te huur en er is koffie te drinken. Zul je er ook kunnen eten? Volgens de informatie over ons huisje zou er op een kilometer afstand een eetgelegenheid zijn. Als ze dit etablissement bedoeld hebben, dan hebben ze wel schromelijk overdreven! We hebben al minstens twee kilometer gelopen. Richting Mont Brun Bocage zijn we ook niets tegengekomen dat op een restaurant leek en aan de andere kant van het huisje, verder heuvelopwaarts, al evenmin. Geen ramp, trouwens, want voor eetgelegenheden komen we niet hier. Wat we hier zochten was landelijke rust en daarvan hebben we tot nog toe al meer gevonden dan we hebben durven verwachten. De eerste avond was het al meteen raak. Een paar honderd meter hogerop kwamen we een heuse herder met bebelde schapen tegen en net over de top van de heuvel, voorbij het gehucht Le Hilet, moesten we de kant in voor een wagen die door twee ossen werd voortgetrokken. De kudde schapen hebben we de volgende dagen meermalen gezien en gehoord; de ossewagen lijkt daarentegen in het niets te zijn opgelost. De faciliteiten van het logement zullen we nu niet onderzoeken, want het zou wel handig zijn als we voor de middagpauze (dus voor enen) bij de winkel waren.

We zijn een half uur verder. Stella heeft een appelboom ontdekt. Met de krul van mijn stok haal ik de takken naar me toe. Terwijl ik met mijn vrije hand naar een appeltje reik, maakt Stella de zoveelste foto. De vruchten zijn groen; toch zet ik er mijn tanden in. Het is even doorbijten, want ze zijn vreselijk zuur en behoorlijk hard. Ik moet ervan rillen. Ik deel er twee met Stella. De hapjes voor haar gaan via mijn mond, zodat het allerzuurste eraf is voordat zij het vruchtvlees te vermalen krijgt. Eetbare vruchten vinden langs de openbare weg beschouw ik als een kostbaar geschenk; dat mag je niet in de wind slaan. Ik zal me er daarom altijd aan tegoeddoen. Ik zou nog precies kunnen opnoemen waar ik in Nederland bramen en frambozen heb geplukt, in Luxemburg wilde aardbeien heb gevonden en bij een eerder verblijf in Frankrijk ranken vol druiven. In feite vond mijn ziende metgezellin ze natuurlijk en het meeste plukwerk werd ook niet door mijn handen gedaan. Ik was vooral de dankbare eter. Voor we doorlopen doen we onze trui uit, want de zon is inmiddels weer volop aanwezig. Stella bevestigt ze op de een of andere manier aan mijn rugzak.

Als we weer een eindje gelopen hebben, valt haar oog op een veldje rechts van de weg. We strijken er even neer, meer gehurkt dan zittend, want het gras is nog vochtig van regen of dauw. "Dit is een plekje om te onthouden," zegt ze vlakbij mijn oor en ik weet waar ze op zinspeelt. "Ja," zeg ik, "laten we hier op de terugweg onze tent opslaan." Als ik het loopritme hervonden heb, denk ik terug aan onze vorige vakantie. We waren toen op Texel. Daar bleek ik eindelijk - na twee andere liefdes - een vriendin te hebben die mijn partner wilde zijn bij een vrijage in de openlucht. Het was heel spannend om met haar op zoek te zijn naar een plekje waar we ons onbespied konden wanen. Veel mogelijkheden bood het eiland wat dat betreft trouwens niet. Er gingen nooit tien minuten voorbij zonder dat er een voorbijganger was. Zelfs de schaapskooi, die ons beschutting bood tijdens een hevige stortbui, vonden we niet veilig genoeg voor het afleggen van onze kleding; wie weet zouden ook andere toeristen, eveneens overvallen door de regen, daar hun heil zoeken. Maar in die week heb ik het toch tweemaal mogen beleven dat Stella, met de streling van de wind door haar haren en het gewriemel van mijn vingers in haar shorts, met ingehouden uitroepjes van genot tot een orgasme kwam. Wat een gave van de natuur om daarna mijn vochtig geworden vingers te kunnen aflikken! Zouden we dadelijk hier, in dit stille gedeelte van Frankrijk, tussen de tenen van de Pyreneeën, een hoger niveau van het buitenvrijen kunnen bereiken? De weg waarover we liepen was in ieder geval een stuk rustiger dan het rustigste pad dat we op Texel hebben belopen. Zelfs het Blindenpad had niet de gewenste vrijheid geboden; er liepen te veel zienden!

2.

Bij het veldje was er rechts van de weg al vrijwel geen helling meer. Nu horen en zien we aan die kant door de auto's die eroverheen rijden een andere weg naderbij komen, alsof een machtige wegenbouwer bezig is twee gescheiden wegen langzaam maar zeker naar elkaar toe te schuiven om ze ten slotte te verenigen. In werkelijkheid blijkt onze weg onder een scherpe hoek in de verbindingsweg tussen St. Croix vol Vestre en St. Girons uit te monden. Deze weg volgen we een eindje naar links, langs het kerkhof. Dan zijn we in de dorpskern van Mérigon, dat grotendeels lijkt te bestaan uit een alimentation, een café en een benzinepomp. Het is tegen half een; de winkel is dus nog open.

De meeste dingen die we nodig hebben kan Stella op eigen kracht vinden. Naar de rest moeten we vragen. De mevrouw achter de kassa doet haar best om te begrijpen wat we bedoelen, wat bij een paar artikelen tot succes leidt. Ik schijn echter wartaal uit te kramen als ik naar hondevoer zonder vlees vraag. Ze haalt haar man erbij. Met hem komen we eruit; hij levert mij voer op basis van rijst en groente. Het volgende probleem is olijfolie. Het Franse woord voor olie ken ik niet. Ik zeg: "Quelque chose pour frire, s'il vous plaît." Hulpeloos staan de partijen tegenover elkaar, klanken uitstotend die bij voorbaat al een flinke lading zinloosheid meekrijgen. Zij spreken ongetwijfeld woorden die ik zou begrijpen als ze langzaam en zonder uitdagend rollende r werden uitgesproken (zijn we misschien ongemerkt in Spanje terechtgekomen?) en mijn woorden zouden wellicht begrijpelijk zijn als ik ze vloeiend aan elkaar zou rijgen, denk ik vertwijfeld, maar daar schieten we niets mee op. Gelukkig is Stella doorgegaan met rondkijken. Wat zijn we allemaal blij als ze triomfantelijk "Hebbes" roept, maar ik hoor die Fransen wel denken: "Doen jullie daar nou zo moeilijk over?" Buiten spreken we af nooit meer zonder woordenboek op pad te gaan. Terwijl ze de boodschappen in de rugzak pakt vertrouwt Stella me heel voorzichtig toe dat ze zich toch wel iets meer van mijn kennis van de Franse taal had voorgesteld, na zoveel jaren onderwijs. Beschaamd zwijg ik geruime tijd in alle talen. Bij het vertalen van geschreven teksten kan ik me nog wel nuttig maken, mopper ik inwendig, maar als het op praten aankomt maak ik er niets van. Dan redt Stella de situatie door gebaren en mimiek te interpreteren. Zienden zijn behoorlijk bevoorrecht!

3.

Nu ze erop let blijken er wel meer leuke plekjes te zijn waar we ons kunnen neervlijen. Ze kiest er een uit dat een meter of dertig van de weg af ligt en via een zwak dalend karrespoor kan worden bereikt. Nadat we de handdoeken hebben uitgespreid loopt ze terug naar de weg om te zien wat een passant van ons zou kunnen opvangen. Te veel, concludeert ze en verwijdert zich om te onderzoeken waar het karrespoor heenvoert. Ze blijft wel een paar minuten weg. "Het is niet gemakkelijk om er te komen," zegt ze na haar terugkeer, "maar het is zeker de moeite waard." Waarom namen we niet de tijd om de rugzak netjes in te pakken en de truien eraan te binden? Nu lopen we met spullen te zeulen die op elk moment kunnen vallen, terwijl het terrein zo oneffen is dat ik herhaaldelijk op één voet sta te balanceren, een voet die bovendien de bescherming van goed schoeisel mist omdat ik er vanmorgen voor heb gekozen mijn slippers aan te doen. Stella doet haar uiterste best om me er ongeschonden doorheen te helpen, dat weet ik, maar over een afstand van honderd meter een blinde tussen samengeschoolde kuilen, wortels, stronken en takken door laveren is op zich al een zware opgave, laat staan wanneer de gids in haar bewegingen wordt belemmerd door handdoeken die klem moeten blijven hangen tussen bovenarmen en romp. De zwieper van een tak, net onder mijn rechteroog, zal ik haar dan ook niet aanwrijven en ik houd het er maar op dat de tak mij aanviel (om met Stella te spreken). Als we ons doel bereiken staat Yellow ons op te wachten; die had ik voor het gemak maar losgelaten. Het veldje van ruig gras en bodembedekkers is, zo verzekert Stella mij, zodanig door geboomte en struikgewas omzoomd, dat we niet bang behoeven te zijn voor pottekijkers. Wat willen we nog meer? Ze legt Yellow in de schaduw aan een boom vast. Daarna spreidt ze twee handdoeken in de zon uit. We zullen wel zien of het op den duur niet te heet zal zijn. Het is weliswaar al september, maar uit de wind kan de temperatuur hier nog behoorlijk oplopen hebben we gemerkt.

We zouden wat willen eten, maar de uien eten we toch liever gebakken dan rauw en de frommage blanc laat zich niet zo gemakkelijk zonder lepel verorberen. Dorst hebben we ook. We hebben melk en witte wijn bij ons. De melk zit in een plastic fles die, eenmaal open, niet meer afgesloten kan worden. We nemen beiden een paar slokken wijn. Lauw als hij is smaakt hij niet lekker, maar dat mag de pet niet drukken. Voor het geval het nog mocht helpen leg ik de fles onder een struik in het natte gras. Terug bij de handdoeken merk ik dat Stella haar spijkerbroek en T-shirt heeft uitgedaan. Ik volg haar voorbeeld en ga naast haar liggen, mijn linkerarm onder haar hoofd. "Wat een zaligheid," zeg ik. "Zo had ik het me voorgesteld," valt ze bij en met een hand raakt ze even mijn been aan. "Ruikt het hier nu anders of verbeeld ik het me maar." "Het zou best kunnen," zegt ze; "weinig auto's, ver van zee, veel houtvuur." We snuiven beiden luidruchtig onze longen vol. "Heb jij het geroffel van een specht gehoord?" "Nee, en jij?" "Ik ook niet," zeg ik. "Dan moet dat tjiektjiektjiektjiek van een havik afkomstig zijn. Als dat zo is, dan zitten er hier heel wat. Verder heb ik wat kraaien en Vlaamse gaaien gehoord. Eksters, die mis ik hier. Ik had ook wel verwacht de buizerd aan te treffen. Herinner je je zijn gemiauw in de Ardennen nog?" "Ja," zegt ze, "een raar geluid, een vliegende poes. Hoe zou het met onze poezen zijn?" "Goed, denk ik. Ze zullen wel liggen te slapen." Ik weet dat ze de poezen mist. Ik draai me naar haar toe en begin haar te strelen. Ik markeer met vingerstreken de omtrek van haar b.h. en de zoom van haar slipje. Haar huid is bezweet. "Weet je nog wat we op Texel wensten?" vraag ik. Ze weet er nog alles van. Ze gaat zitten, kijkt voor de zekerheid nog eens goed om zich heen en zegt: "Toe maar, maak dan maar los."

Ik ben geen zonaanbidder. Ik ben zelfs een koukleum. Pas tegen de tijd dat een hittegolf op zijn retour is ben ik zover dat ik in T-shirt en korte broek over straat loop. Maar volledige naaktheid is een hoofdstuk apart. Naakt zwemmen vind ik heerlijk. De streling van water tussen mijn benen geeft me een intens gevoel van vrijheid. Met de herinnering daaraan ga ik nu rechtop staan, mijn armen en benen wijd, en wacht op een zuchtje wind. "Je bent een echte adonis," zegt Stella. Kom maar gauw bij me." "Nee," werp ik tegen, "kom jij maar even bij mij staan. Deze unieke kans kan ik toch niet aan mijn neus voorbij laten gaan?" "Ja maar, stel je voor dat er toch iemand langskomt." "Ach, dat zou wel héél toevallig zijn. Kom nou maar." Ze pakt mijn uitgestoken hand en laat zich overeind trekken. Ik sla mijn armen om haar heen en druk haar tegen me aan. Onze monden voegen zich onmiddellijk in een rustige omhelzing. Zo staan we daar even in de volle zon, volkomen kwetsbaar, nog wel wat bevangen, maar toch met het gevoel dat we vrije mensen zijn in de vrije natuur. Mijn handen verplaatsen zich van Stella's billen naar haar hoofd. Ik schuif het dikke elastiek waarmee haar haar tot een paardestaart is samengebonden voorzichtig naar beneden. Het losvallende haar waaier ik uit over haar rug. Met het elastiek blijf ik besluiteloos in mijn hand staan. "Lastig, hè, zonder kleren aan!" schertst ze; "dan heb je geen zakken ook. Ofschoon.... Zal ik het elastiek als een ring om je luststokje doen?" Nog voordat ik hierop kan reageren zegt ze schijnbaar misprijzend: "Ach, hij is zeker geschrokken van de buitenlucht! Daar moet je toch gauw wat aan doen!" "We hebben geen haast, toch?" "Nee, hoor, de lucht is strakblauw en de middag is nog jong. Laten we ons maar eens insmeren, anders verbranden we nog." "Ga maar liggen," zeg ik, "ik zal de olie wel pakken." Ik rommel wat in de rugzak. Als ik bij haar neerkniel zegt ze: "Wat heb je nou? Dat is niet de goede!" "Dit is wel de goede. Hier droom ik al heel lang van. Wat is er beter dan olijfolie? Zwangere vrouwen smeren er ook hun buik mee in." "Ten eerste ben ik niet zwanger en ten tweede doen ze dat niet tegen zonnebrand maar ter voorkoming van strepen." "Wat maakt het uit. Laten wij het maar doen om uitdroging van de huid tegen te gaan." "Nou, op jouw verantwoording dan. Als het naar gebraden vlees gaat ruiken weet je waar het door komt. Ik bind wel weer mijn haar bij elkaar; anders wordt het vet."

Het is een leuke manier van strelen, haar soepele lichaam in te smeren met olie. Geknield zitten we tegenover elkaar terwijl ik met haar rug, haar schouders, haar armen en haar handen bezig ben. Daarna ga ik achter haar zitten, omdat ik vanaf die kant gevoeld het meest van haar borsten kan genieten door ze zachtjes te kneden en ze op mijn handen te laten wiebelen en veren. Ik til ze daarna om beurten met de linkerhand op om de huidplooi die daardoor wordt strakgetrokken even lucht en licht te geven en het zweet dat zich daar heeft verzameld de gelegenheid te bieden te verdampen. "Vind je dat mijn borsten te veel hangen?" "Nee, hoor. Zoals ze zijn bevallen ze me prima. Ze zijn al uitdagend genoeg, nietwaar?" "Och, ik begin zo langzamerhand mijn leeftijd tegen te krijgen. Nou ja, wat heet tegen: Ik vond er geen bal aan om achterna gefloten te worden." Ik buig me langs haar heen om de tepels een liefkozend likje te geven. Verhitte olijfolie smaakt lekkerder dan deze, moet ik bekennen, maar dat verhindert niet dat de knopjes de gebruikelijke vertedering bij me opwekken. Elf jaar was ze, toen haar vruchten rijp werden. Ik benijd de jongens die bij haar in de klas zaten. Zou ik haar met rust hebben kunnen laten? "Hé," zegt ze, "er zit wat tegen mijn billen te duwen." "O sorry, ik ben bang dat ik hem niet in de hand kan houden." "Waarom zou je ook! Maar als er een hand aan te pas moet komen, dan maar liever de mijne," vermaant ze; "de jouwe is alleen voor noodgevallen." "Kalm aan nog even," zeg ik op mijn beurt streng; "je wilt toch wel helemaal in de olie?" Zonder een antwoord af te wachten druppel ik weer wat olie op mijn hand en wrijf ik haar borstkas en buik in. "Het is zeker lang geleden dat je briljantine in je haar hebt gehad," zeg ik schertsend. "Ik kan me de tijd niet heugen, maar weet wel dat mijn borsteltje dan geen borsteltje meer is." "Misschien ben ik wel gek op een glad kopje van een page." "Nou, daar zie ik je wel voor aan, ja. Als je maar weet dat ik mijn hoofd dan even afwend." "Dat doe je toch altijd al, als het opwindend wordt?" "Daar heb je gelijk in. Naaktheid gedijt in het algemeen het best in duisternis. Ze hebben niet voor niets kleren uitgevonden. Dat weet je toch wel?" "Een beetje preutsheid kan geen kwaad," geef ik toe. "Als er geen kleren bestonden was er waarschijnlijk minder erotiek in de wereld." Terwijl ik me vervolgens verlustig aan haar in deze knielzit uitdijende bovenbenen, waarlangs ik mijn handen van knie naar lies en weer terug laat glijden, vraag ik me af of mijn bewering van zoëven geen onzin is. Kunnen primitieve volkeren, hoe schaars ze ook met kleren bedekt zijn, zich niet nachtenlang vermaken met erotiserende dans en muziek? En komt het anderzijds niet ook voor, dat een naakt lichaam temidden van geklede mensen geen erotische prikkeling oproept?

Terwijl ze op haar rug ligt voltooi ik de zalving door haar onderbenen en voeten in te wrijven. Via de voeten hebben we elkaar leren kennen. Een cursus waaraan je behalve een diploma ook nog een vrouw overhoudt mag wel bijzonder nuttig heten. Toch was het bewerken van de voetreflexzones niet erotiserend geweest. Zelfs het palperen van haar buik, dat in een van de latere lessen aan de orde was gekomen, had niets opwindends gehad. Pas later, toen ik eenmaal kennis had gemaakt met haar mond, waren haar voeten deel gaan uitmaken van het instrumentarium der zinnen. Ik zit wijd-geknield naast haar, terwijl ik mijn wijs- en middelvinger tussen haar tenen doorhaal. Af en toe zet een beweging van mijn handen zich voort in de rest van mijn lichaam. Het is een aangename, maar tegelijk lachwekkende gewaarwording mijn buidel losjes langs mijn benen te voelen strijken. Het doet me denken aan een netje met twee tennisballen. Ik sluit af met een kietel over haar voetzolen, wat resulteert in een korte worsteling, waarbij de afmetingen van de handdoeken te klein blijken te zijn. Uithijgend staan we tegen elkaar aan, de armen strak om elkaar heengeslagen, in een poging onszelf over een griezelgevoel heen te dwingen. Ondanks de zon, die onbelemmerd op onze lichamen brandt, hebben we kippevel. Het invetten was toch niet zo'n goed idee van mij, moet ik bekennen. Hoewel alleen Stella nog maar met de olijfolie was ingesmeerd, glibberden onze lichamen tijdens de stoeipartij langs elkaar heen en zitten we nu beiden onder de sprietjes, pluisjes en korreltjes. "Zo is nu het leven van Adam en Eva op Gods akker," zeg ik didactisch. "Het is fijn dat ik dat een keer heb meegemaakt," zegt ze, "maar wat mij betreft hoeven we niet op Gods water te wachten." "En wat zou je denken van mijn water?" "Maak me eerst maar schoon. Daarna zien we wel weer verder."

Als we na een kwartiertje de handdoeken hebben uitgeklopt, gaan we glad en schoon tegen elkaar aanliggen. "Zal ik jou nu zalven?" vraagt Stella plagend. "Dank u. Laat maar zitten. Bewaar dat maar voor thuis." "Held!" schampert ze. Waarom ik wel en jij niet?" "Jij hebt toch altijd een streepje voor?" Ze doet er het zwijgen toe, omdat ik haar aandacht naar haar geheime streepje heb getrokken. Onder het planmatige gewriemel van mijn vingers wordt het een dikke streep; komt er een bolling in en wordt ze vochtig. Dan valt de streep weg en openbaart zich een geul die volloopt met glad bronwater. Ik buig me voorover, grijp me vast aan haar enkels en drink uit de bokaal die ze mij voorhoudt.

4.

Door een hevige trek in koffie aangespoord zijn we na een korte siësta - waarvoor we ons goed hadden gekleed om verbranding door de zon te voorkomen en om ons de opdringerige insekten van het lijf te houden - naar Lichard teruggelopen, smachtend naar een zuchtje wind. Het leed is nu geleden. De buurvrouw heeft ons lekkere kaas bezorgd - zacht als jonge en pittig als oude kaas - en als extraatje een liter verse melk. De kaas eten we op biscuitjes omdat het beloofde brood nog in de oven staat. Daarbij drinken we koffie. De keuze die we in Mérigon uit drie onbekende merken hebben gemaakt, blijkt geen verkeerde te zijn geweest. We zitten onder de eik aan de tuintafel, in verregaande staat van naaktheid; we hebben de smaak te pakken gekregen. Ik controleer het nog even bij Stella; ja, ze hangen er mooi bij, haar borsten. En waarom zouden ze ook niet gestreeld mogen worden door de vleugjes wind die af en toe langswaaien? Er komt hier geen mens. Behalve de buurvrouw, natuurlijk, maar die - zo stelde Stella zichzelf tien minuten geleden gerust - deed het zelf ook. "Naakt lopen?" vroeg ik. Het antwoord op die vraag bracht een misverstandje aan het licht. Toen Stella me bij onze aankomst zondag meedeelde dat de buurvrouw zich naar binnen begaf alvorens ons te verwelkomen, had ik geconcludeerd dat ze een bikini wat te frivool had gevonden voor de eerste ontmoeting. In werkelijkheid, bleek nu, was de zonnebaadster poedelnaakt geweest. Wij gaan niet zo ver; wij houden ons slipje aan en Stella houdt een T-shirt bij de hand. Ik mag het wel, die preutsheid. Zelfs vrouwen mogen haar borsten niet zien, vind ik. Die zijn van mij. Ongerijmd genoeg betreur ik het dat ik de buurvrouw niet in haar blootje heb kunnen aanschouwen. Ik streel Stella nog één keer over de borsten, geef haar een zoen in de nek en zet me voor een uurtje voorlezen achter het boek dat de posterijen me ondanks de magere adressering hebben weten te bezorgen.

5.

"En," vroeg ik Stella, "had je op tijd je T-shirt aan?" "Nee," zei ze, "maar dat was niet erg. De buurvrouw had zelf helemaal niets aan." Ik probeerde me er een voorstelling van te maken hoe het is om met ziende ogen tegenover een naakte vrouw te staan die niet je vertrouwde geliefde is. Zou je dan werkelijk je ogen durven gebruiken om een onderzoekende blik langs haar lichaam te laten glijden? Gelukkig dat ze Nederlandse is, zodat we even hebben kunnen praten over het zelf bakken van brood. Het is zuurdesembrood, vertelde ze. Anders dan de naam deed vermoeden, smaakte het helemaal niet zuur. We hebben er ons flink tegoed aan gedaan; het combineerde uitstekend met het prutje dat we hadden gemaakt van uien, courgette en tomaten, gestoofd in een flinke scheut olijfolie. Met open deuren hebben we van de avond genoten, in toenemende mate gekleed en tegen elkaar aangekropen; de afkoeling was aanzienlijk. Totdat mijn vingers gevoelloos waren geworden, heb ik zitten voorlezen. Daarna heb ik me geconcentreerd op de rumoerige insekten. Wat waren het: krekels, sprinkhanen of cicades? Het zijn lange trillers die ze voortbrengen, zo klankvol dat je het misschien gefluit moet noemen. Ze vormen een koor; driestemmig, als ik het wel heb. Een enkele keer werd de avondlijke rust verbroken, maar evenzeer beklemtoond, door de roep van een uil: oehoehoe. Niet vaker reed boven over de weg een auto voorbij; in het aanzwellen en wegsterven van het geluid kon ik de kronkels van de weg volgen.

Stella zou alvast haar tanden poetsen terwijl ik Yellow uitliet. Als ik terugkom moet ze nog beginnen. Na het aandoen van het licht heeft ze, vertelt ze vol afgrijzen, een paar joekels van spinnen ontwaard. "Niet zomaar grote spinnen," licht ze toe, "maar monsters van wel een vuist groot. Wil je alsjeblieft proberen ze te vangen?" Ik balanceer - mijn eigen huivering verbergend - op een stoel, terwijl ik mijn hand op aanwijzingen van haar vertederend griezelende stem tamelijk lukrake pakbewegingen laat maken. Wat zijn ze snel, die langpotige kriebelaars, maar er is een moment dat ik de eerste tussen mijn vingers krijg, hem belettend zijn vlucht langs een van de dakbalken voort te zetten. Met een onderhandse worp gooi ik hem de duisternis in, mijn arm door een kier tussen de deuren. Dan is nummer twee aan de beurt. Ik moet de stoel een keer of drie verplaatsen en dan ontglipt hij me opnieuw. Besturing door de stem schiet bij deze dus tekort. Het enige dat er op zit is dat Stella naast me op de stoel komt staan en mijn hand stuurt door met haar eigen hand mijn arm in beweging te brengen. Alsof ze rechtstreeks met haar arm aan mijn hand vastzit, zo eng vindt ze het, en het kost haar moeite haar ogen niet af te wenden. Heldhaftig houdt ze echter naast mij stand, totdat ik ook dit loeder in mijn vuist heb kunnen kooien. Als ik hem aan de nachtelijke koelte van de buitenlucht heb prijsgegeven, komt Stella wat beschaamd bij me staan. "Ken jij dat gevoel," vraagt ze, "rillingen van top tot teen? Weten dat je niet bang hoeft te zijn en toch voelen dat het angstzweet je uitbreekt?" Ik denk na. Waarvoor ben ik op die manier bang? Aan welke fobie lijd ik? "Open wonden vind ik heel eng; als ze van een ander zijn. Daar krijg ik rillingen van; daar trekt mijn scrotum van samen. Maar dat is geloof ik iets anders." Ik probeer haar te laten merken dat ik haar niet kinderachtig vind door haar troostend te strelen en ik beloof haar alle spinnen te vangen die haar in de weg zitten. Ik haal de hor voor het open raam in de woonkamer weg en plaats hem in het raamkozijn van de aangrenzende slaapkamer. Dan kan de tussendeur dicht. Stella kijkt in de slaapkamer omhoog; haar lichaam hangt in mijn armen. Met een kinderlijk stemmetje - volgens mij wéét ze dat ze me daarmee onweerstaanbaar verleidt - meldt ze dat er nog een paar kleine broertjes en zusjes van de twee joekels op prooi zitten te azen, maar dat dezen wel mogen blijven. Onderwijl drukt ze zich huiverend tegen me aan. "Heel flink," zeg ik, "maar roep me gerust te hulp als ze vannacht lastig worden. De kou drijft ons tot aan de oren onder de dekens. Ik word een ver gezoem gewaar. Terwijl ik me lig af te vragen waar dat van afkomstig kan zijn val ik in slaap. Na een tijdje word ik me heel langzaam bewust van een prettig gekriebel. Is het een verdwaalde hand van een schone slaapster die bij toeval beet heeft gekregen? Lichtjes leg ik mijn linkerhand op haar buik. Haar ademhaling verandert niet. Ik schuif hem iets lager. Nog ademt ze gewoon door, maar haar benen spreiden zich (een reflex die op een zorgeloze slaap wijst), zodat mijn hand in zijn volle breedte het harige snuitje kan omvatten. Ik draai me heel voorzichtig op mijn rug, waardoor Stella's verdwaalde hand van me afglijdt. Ik doe ik wat ik van Stella alleen in noodgevallen mag doen. Eerst zijn het trage bewegingen; de schone slaapster mag niet gewekt worden. In mijn gedachten staat Stella voor me in de zon, haar naakte lichaam als een glooiend landschap onder mijn handen die de zo vertrouwde rondingen als pas ontdekte schoonheid ervaren. Zoals ze voor me staat, met haar rechterzij naar me toegekeerd, is ze het mooiste kunstwerk dat ik ken. Ik zou er urenlang rustig van willen genieten. Maar die rust is mij als steeds slechts kort gegeven. Mijn spieren spannen zich en ik voel dat mijn bloed ruimte zoekt voor woest kolken. Niet meer in staat om mezelf in te houden, versnel ik het tempo van mijn rechterhand en ik merk - ik heb het niet willen uitlokken, maar ik stroom vol met dankbaarheid nu het toch gebeurt - dat er ook onder mijn linkerhand iets gaande is. Het snuitje drukt zich tegen me aan en ik hoor dat Stella's ademhaling niet zo rustig meer is. Het duurt maar even voordat ik voel dat het harige beestje zijn mond opent. Mijn vingers glijden haast vanzelf naar binnen en verlustigen zich aan de gulle vloed waarmee Stella ze overspoelt. In mijn gedachten komt ze over me heenhangen, ze biedt mijn gulzige mond haar borsten aan. Het kopjes geven van het beestje tegen mijn linkerhand gaat over in een heftig dwingend stoten met hoorns en op het moment dat mijn rechterhand halt moet houden om aan het uitbrekend vuurwater doorgang te verlenen, wordt mijn linker tussen benen en handen gevangen en hoor ik een zucht van verrukking.

Het enige dat die nacht wordt gezegd is: "Heb je het weer voor mekaar?" Onze voldaanheid wikkelt ons in een warme, fluwelen doek.

- - -

(Dit verhaal is gepubliceerd in Mensen-Leven.)

***
terug naar de beginpagina van teksten van Loek Meijer
terug naar de beginpagina van de website